terug  begin  verderprepost

Einde.

En nu, mijne hoorders, eindig ik. Te lang pachtte ik reeds uwe aandacht. - Mocht ik er in geslaagd zijn eenige sympathie bij u te verwekken voor de groote letterminnaars van de eerste helft der 17e eeuw, mocht ik niet vergeefs getracht hebben in u een weinig gevoel te storten voor die ‘uitsteekende vernuften’ ook als menschen, ik zou mij gestreeld, gevleid, gelukkig rekenen.

Drie eeuwen bijna vloden sinds dezen tijd, dat die heldere starren aan den hemel der letterkunde blonken en schitterden; haast drie eeuwen staren met verbazing op het tijdperk vanden Muijderkring en vertellen over zooveel geest en kunst. Ook gij, mijne hoorders doet hetzelfde, al geeft ge er geen blijken van. Ik ben in het denkbeeld hecht, dat gij gevoelt voor zulke helden des Verstands, dat gij ze eerbiedigt, dat gij hun leeftijd met weemoed gedenkt. Ik heb daar reden voor; want hoe noemt gij de gewaarwording, die u doortintelt, als ge in de oude straten van het grijze Amstelredam den voet zet, terwijl gij rondom u blikkend aan menigen huisgevel de tallen 1623, 33, 73

[p. 230]

en diergelijken ontdekt? Als ge u voorstelt, dat twee en een halve eeuw, dat twee eeuwen rugwaarts, op dezelfde plekken, die gij thans drukt, de voeten trippelden der dochters van Roemer Visscher, de stap bonsde van een Vondel, een Hooft. Is dat gevoel geen eerbied, geen liefde, zou ik haast zeggen? En als ge n dan bevindt op de ruïnen van het hooge Huis aan Flevo's meerboord, als ge u in het Muijderslot bevindt, wat zeggen dan die trillingen in uwe ledematen, wanneer ge de platgetreden, verwilderde paden aanschouwt van dien eertijds van weelde zwangeren hof, die tegen den gierenden wind daar buiten beschut wordt door dezelfde muren, die vóór ruim twee jaarhonderden eene dergelijke dekking boden aan den weergaloozen drost en zijn vrienden? Zijn die herinneringen geene weemoedige? Vloeit uw hart niet over van innigen leeddom als ge Tesselschade Roemers' gedenkt, op de plek,hare lievelingsplek, waar zij zoo waarachtig gelukkig was, waar zij ook duistere oogenblikken op hare levensbaan kende? En als die koude, naakte muren van die eertijds van sier doonwochte celle u tegengrijnzen en die gebroken vensters, die verweerde steenen aan de kozijnen u melancholische verhalen opdisschen van het vergrijsd verleden, hoe voelt gij u dan? Is die siddering, die u bevangt louter gruwen voor de bloote waarheid van de aardsche vergankelijkheid? En verlaat ge dan dat eenmaal zoo fraaie lustslot onder den indruk uwer gevoelens vau diepen zwaarmoed, en slaat ge dan uw turenden blik over het bewogen vlak van de eentonig neuriënde Zuiderzee, komt het dan niet bij u op, dat deze geene verandering onderging, dat ze nog immer op dezelfde wijze haar lied zingend, tegen den kustzoom aankabbelt, hem afknabbelend en uitknagend? En als ge dan peinst over de kortstondigheid des menschelijken levens, het vergelijkend met dien toenemenden Zuiderplas, dan stemt ge in, niet waar, met..............

Hier eindigt het handschrift.

prepostterug  begin  verder