terug  begin  verderprepost
[p. 231]

Iets over algemeene geschiedenis.

Elk leven wordt begrensd door geboorte en dood. Zoodra een voonverp eenigen tijd heeft geleefd, is het in het bezit van een verleden en een toekomst.

Al wat ligt tusschen dat oogenblik van zijn bestaan en zijn geboorte, is zijn verleden, en zijn toekomst bevindt zich tusschen dat oogenblik en den dood van het levend iets. Wat gisteren toekomstig was, zal morgen geschied zijn.

Wil men de geschiedenis van dit wezen nagaan, dan onderzoekt men de wisselingen, die het ondergaan heeft sedert zijn ontstaan, zoovele oorzaken, die het maakten, tot wat het is geworden.

Ook onze planeet heeft haar verleden; zij leeft, zij beweegt zich, zij wisselt gedurig. Hoewel voor het oneindig Verstand, dat de geschiedenis van het Heelal gedurende de Eeuwigheid kent, dat verleden evenzoo kort en bekrompen moet zijn als voor ons de geschiedenis van een infusiedier, zoo bouwen wij met ons zeer eindig verstand toch alle wetenschap op het leven onzer aarde.

Wij sporen hare lotgevallen na als deel van het zonnestelsel, als woonplaats der bewerktuigde schepping (die wij waarnemen), wij vorsehen naar de oorzaken dier bewerktuiging en naar haar doel en als haar edelst deel beschouwen wij den mensch. Wij willen weten, hoe hij vroeger was en of hij was; hoe, waarom, waardoor, waarmee hij kennis vergaarde en zich verhief boven zijn natuurstaat; of hij ooit in zulle een toestand verkeerde; of hij er weer in zou kunnen terugkeeren, kortom: wij willen de reden kennen van ons zijn als we zijn, om zoo te weten te komen wat we zijn, waarom we zijn, of we zullen zijn.

Een vorm waaronder men den mensch kan bestu-

[p. 232]

deeren, een onderdeel van de studie der menschen door den mensch, is het menschdom als lichaam.

Al wat invloed uitoefende op de lotgevallen van die maatschappij, van dat algemeen, behoort tot de Alg. Geschiedenis en de Algemeene Geschiedenis doet kennen welke lotgevallen de menschen gemeen hadden. -

 

Zij is een van die weinige wetenschappen in welke zich de twee groote afdeelingen der menschheid (gewonen en buitengewonen) naast elkander bevinden, gereed tot de studie. Wanneer men onder ‘gewone menschen.’ hen verstaat, die ‘gezond’ verstand hebben en wier aanlagen en hartstochten ongeveer dezelfde vlucht nemen (die groote meerderheid,) dan verstaat men onder ‘buitengewonen’ ‘krank’-zinnigen, die evenwel weten, dat ze 't zijn en die, wanneer ze maar willen, tot gewone menschen met gezond verstand worden. (Deze minderheid zijn de oorspronkelijken, de onderzoekers, de zelfdenkers.)

Gelooven de laatsten slechts van 't geen ze zelf onderzochten, of aan 't geen hun gelijken aan den dag brachten, terwijl ook zij die mededeelingen kunnen toetsen aan de bronnen, waaruit ze zijn geput, de eersten, die zoo machtig op elkander gelijken en even gaarne door oudere oogen zien als door de hunne, die zich zelf meer noch minder dan een ander vertrouwen, zijn steeds goed van geloove en nemen voor waarheid aan, wat men hun diets maakt en slikken de logens, die men hun opdischt. Zij toch meten ieder naar zich zelven af en waarom zouden ze dan hun geheele vertrouwen niet aan een ieder wegschenken? Zij zijn de voortplanters van praatjes, van zotte oordeelvellingen en kwaadsprekerijen en in uitgebreiden zin zijn ze oorsprong der faam en der overlevering.

De kern der algemeene geschiedenis is de traditie, die, geheel ter goeder trouw, het ware vlecht door de verdichting. 't Is toch den mensch slechts gegeven kort (gelijktijdig met de aarde) van 't leven te genieten. Vein wat er voorviel met ons geslacht voor

[p. 233]

ons aanzijn, dragen wij evenmin kennis als van de veranderingen, die de Natuur voor onze geboorte onderging.

Doch het werd ons tevens gegund indrukken te ontvangen en we ontvingen daarbij de gave van het geheugen, dat al wat ons treft zorgvuldig bewaart, en die van aan onzen naaste mede te deelen, wat wij ons herinneren.

Gretig nu luistert de mensch naar de verhalen van zijn ouders; wat zij ondervonden en doorstonden leeft hij met hen mêe: hij zal dat oververtellen en zijn kinderlijke bewondering overdrijft wellicht de misschien overdrevene voorstellingen van den ouder.

De faam met de snorrende wieken, de waaksene, steeds wassende, afschuwelijke dochter der aarde met de eeuwig gespitste ooren, tam ficti pravique tenax quam nuntia veri, leert nu geschiedenis van de menschen.

Doch de onderzoeker is niet tevreden met de weifelende geruchten, die tot hem komen; hij ziet de faam in liet dubbelhartig aanschijn, zuivert haar en maakt haar tot waarheid, de onberispelijk naakte.

Als er sporen zijn van het verleden dan laat hij ze niet ondoorzocht, en werkt tot hij in zich een zuiver beeld kreeg van dien tijd, hij leeft er in, ziet nu wat er in gebeurd is en verhaalt uit eigen aanschouwing, wat hij beleefde.

Zoo ontmoeten bij de beoefening der geschiedenis de gewone en de buitengewone elkander, en vergasten zich beiden aan de overlevering, de een om haar tot waarheid te verheffen, de ander om haar (door haar weder over te leveren) te verlagen en te doen naderen tot verdichting.

 

Doch de onderzoeker, die de traditie zal toetsen, vindt niet steeds den toetssteen. Zoodra er overlevering is, is er niet steeds tevens het bescheid, dat haar ijkt of brandmerkt. Wil hij alleen aannemen, wat hij waarneemt, zoo is voor hem dat alles verloren, d.i. de geheele geschiedenis, voor zij zich afspiegelt in de bronnen, waar men toegang heeft.

[p. 234]

Zoo ook is voor lien, die bouwen op de traditie, alle geschiedenis verloren vóor dat er werd overgeleverd, dus vóor de taal.

Tot weinige eeuwen, tot weinige landen is de geschiedenis der wereld voor den een zoowel als den ander beperkt. Ja, van dat kleine deel der geschiedenis der menschen, (dat kleine deel der geschiedenis van de aarde) dat anecdotetje vergeleken bij de geschiedenis van 't heelal, is nog weinig bekend en kan ondanks vele levens vol naarstigheid en onderzoek slechts weinig bekend worden.

Wie zal ooit kunnen verhalen wat de geschiedenis van Amerika voor de ontdekking is, of die van Middel-Afrika? Wie zal de geheele Perzisch- Grieksch-Romeinsche overlevering tot geschiedenis kunnen stempelen?

Nu toch is, wat er bekend is van Europa's verleden, reeds zooveel voor een menschenverstand en er kan nog zooveel van bekend worden en altijd groeit dat verleden aan.

Wanneer, na diepe navorschingen, eindelijk onomstootelijk vaststaat, wat er plaatsgreep sedert de Middeleeuwen; wanneer die geschiedenis vooreerst, ontdaan is van alle leugenachtige aanhangsels, die er zich aan hebben gekleefd en de kantige diamant voor den dag komt, die rollend door de sneeuw der traditie zulk een reusachtig, rond voorkomen verkreeg, dan zal er een nieuwe overlevering zijn ontstaan, door de besten van ons geslacht eendrachtig opgesteld en als het kostbaarste geschenk aan het nageslacht vermaakt. Dan gelooven zij, die de traditie vertrouwen tevens aan de Waarheid; dan zal de buitengewone voor den gewone de smettende noot hebben ontbolsterd, waarmee deze ronddobbelde en zich vermaakte. Leugenfeiten zullen verdwijnen, want in de troebele beek kan steeds helder water gebracht worden, omdat men de spleet kent waaruit de bron borrelt. Wie zich tot geestdrift voor de waarheid voelt aangeprikkeld, zal een ideaal hebben ter aanbidding en de doorschijnende stroom der geschiedenis, die in zich de tallooze schietbeeken der hartstochten

[p. 235]

opnam, zal kalm vlieten voorbij het oog van den geschiedkundige en hij zal een gouden schakel zien, welks schalmen heerlijk ineen sluiten; en wellicht, wanneer hij er lang en aandachtig naar heeft getuurd, zal hij gissen kunnen, wat de volgende schalm moet wezen om aan de harmonie van 't geheel geen afbreuk te doen en dan zal hij het doel van iedere wetenschap ook in dezen hebben bereikt: ‘de kennis der toekomst.’ -

prepostterug  begin  verder