terug  begin  verderprepost
[p. 236]

Wijsgeerige artikelen.

Inleiding.

In 't geen ik plan heb u mede te deelen, komt veel voor, dat u aanmatigend mijnerzijds zal toeschijnen. Ge zult wellicht verbaasd staan over de stoutheid, waarop ik nu en dan van wat is zal spreken.

Om deze redenen moet ik vooraf een en ander doen opmerken.

Iedereen, dunkt me, zou mij uitlachen, indien ik vertelde, dat ik me voor geen mensch hield.

De lachers zijn dat niet gewoon; over iets gewoons lacht men ook niet.

Daarom durf ik te zeggen, dat, ofschoon men door juiste oordeelvellingen, door logiesch verband van oorzaken en gevolgen, niet kan betoogen dat men bestaat, iedereen nochtans weet dat hij is, bewustzijn heeft van zichzelven.

Mijne zelfkennis nu reikt ver genoeg om te weten, dat ik redeneer bij al wat ik doe en oordeel en besluit. Heel dikwijls evenwel staat het mij niet duidelijk voor, wat ik dan denk of gevoel.

Iets in mij, eene stem, als ge het zoo noemen wilt, leidt mij. Die stem noem ik het geweten en ik ben overtuigd, dat het geweten alles weet, wat goed is voor ons zedelijk en lichamelijk heil. Dat geweten kan door opvoeding gewijzigd zijn. 't Kan zelfs wezen, dat de opvoedende kracht van het Evangelie, gedurende de achttien eeuwen zijner bekendheid, op ons aller geweten zijn invloed heeft uitgeoefend. Zooveel is zeker: evenzeer als ik bewust ben van mijn aanzijn, ben ik daarvan bewust: het geweten is samengesteld uit het weten van 't verstand en uit weten van 't hart. Sommige zaken weet men alleen zonder bewijs, andere alleen met het verstand. Indien 't verstand door redeneering iets ter onzer kennisse heeft ge-

[p. 237]

bracht, zoo hecht het hart daar evenwel zijn adhaesie aan. Omgekeerd moet het ook zoo zijn. 't Gevoel is even geschikt om het onbewijsbare met kracht van overtuiging aan te nemen, als het oordeel van het tegendeel. Ik durf niet te zeggen, dat al hetgeen aan het weten van een dezer factoren wordt ontnomen aangenaam is voor het andere, maar ik geloof, dat hetgeen de Godheid voor der menschen kennisse heeft bestemd, langzamerhand èn met hart èn met hoofd zal worden geweten. Ja! ik geloof dat de tijd niet verre meer zijn zal, waarop het bestaan van God en de onsterfelijkheid bewezen zal worden door redeneering evengoed als thans door het gevoel alleen.

God zal zijne kinderen geene behoefte doen gevoelen waartegen ze niet kampen kunnen, zonder die te bevredigen.

Heel ons tegenwoordig zijn is ingericht op het weten met het verstand. De wetenschap, die de oorzaken kent en gerust is op de toekomst, omdat zij eeuwige wetten ontdekt, neemt reusachtige vormen aan en het hoogste punt van menschelijke kennis zal wel wezen zijne gevoelens te kunnen bowijzen, te zeggen waaruit ze voortvloeien, waarom ze bestaan en waartoe ze zoo al kunnen dienen en moeten dienen. Dat alle zaken zijn, zooals ze zijn is de wil van eene leidende macht, die met oneindige wijsheid handelt. Het is eene opheffing tot haar, die de Godheid toestaat aan den mensch, door de wetenschap; het is een toestaan van het indringen in de Goddelijke wijsheid, in het doel, dat de Godheid gehad heeft met alles, 't Is meer en meer voldoen aan een der zijden van het menschelijk wezen, zijner ziel, van datgeen wat uitblinkt boven het dier en zoo is het een vooruitgang tot het koninkrijk der geesten, een schrede nader tot God.

Een der kostelijkste gaven, die de mensch heeft ontvangen, eigenlijk de hoofdgave, is het bewustzijn van zichzelven. Om dat bewustzijn te vergrooten moet men streven, indien men meer en meer aan zijne bestemming van menschzijn zal voldoen. ‘The proper study of mankind is man.’

[p. 238]

En inderdaad is de mensch ook het eenige voorwerp van zijn studie, inderdaad is ieder, die een stap verder doet op zijn levenspad, ook een schrede in de zelfkennis gevorderd, ook iets meer bewust geworden van zijne heerlijke persoon. Klaarheid, bewustzijn, waarheid, zou dat geene drieëenheid zijn, die evengoed tot het ideaal behoort, als die drieëenheid ‘waar, schoon en goed’?

Dagelijks ziet men, dat de mensch gedwongen wordt meer en meer zijn geestesgaven te gebruiken.

De mensch-machine behoort weldra geheel tot het verledene en zie, de beschaafde maatschappij wordt haast een hemelsche, waarin het lichaam op den achtergrond komt en de helderheid in de op aarde almachtige ziel straalt. Dat is de vooruitgang. Ieder is geroepen daartoe het zijne bij te brengen naar gelang van zijne bijzondere aanlagen. De dorst naar geluk en vrede, die iedereen doorvlamt, drijft hem ook naar de plaats, waar hij vrede vindt voor zijne gaven en naar de beginselen, die hem gelukkig maken en vergenoegd. Ook ik heb mijn plaats in de schepping, 't Is niet die van den wilde, welke tevreden is in 't midden zijner kudden, niet die van den handwerker, die bloedig zweet om, vooral in een beschaafd land, de bete broods te verwerven, die hem in 't leven houdt, 't is niet die van onderwijzer der jeugd of van volksman. Ik voel mij in harmonie met de beschaafdsten, 't geen bewijst, dat ik geroepen ben mij te beschaven en ware humaniteit te bevorderen.

Daartoe is de klaarheid en duidelijkheid van mijne roeping een hoofdvereischte. Meer en meer moet ik tevreden worden, wanneer ik mijn plicht doe en zoo zal eindelijk bij mijnen dood een steentje tot den vooruitgang, tot de ontdierlijking zijn bijgebracht.

In 't geen nu volgt, leg ik alles neder wat mij vrede verschaft. Misschien zijn daar analoog georganiseerde geesten, die zich niet op de wijze kunnen uiten, welke ik als gave van God ontving, zij zullen dan hiermede sympathiseeren.

Het vragen naar 't waarom der zaken, en naar het doel daarmede beoogd, behoort tot mijne eigenschappen.

[p. 239]

Zooveel mogelijk antwoord op die vragen te vinden en de antwoorden mijner ziele te gieten in de taal is mijn doel en ik ben overtuigd, dat ik daartoe eensdeels geschapen ben.

Ik heb wel vrede voor het hart maar om tevreden te blijven, moet ik door mijn vrijen wil mijn geest aan den arbeid zetten.

't Zou verwaand zijn te zeggen, dat ik eene objectief waarheidvinder ben. Dat ik de waarheid zoek, is ontegenzeggelijk. Wat voor mijn geest als waarheid geldt, als waarheid, die mijn verstand bewijst en die mijn hart bijvalt, geldt ook voor anderen, die aan mij analoog zijn. En omdat ik mij nu in de verte niet verbeeld iets meer dan een ander te zijn, maar wel degelijk te gevoelen als ieder mijner medemenschen zoo geloof ik wel eenigszins uit naam van de meesten mijner in- ontwikkeling-gelijken te spreken.

Bij dat alles geloof ik, dat eene Godheid mij leidt en dat Zijn wil ook ingrijpt in dit mijn werk. Alles te overzien is onmogelijk. God en mijn geweten brengen mij door het leven heen. Ik moet trachten naar bewustzijn van doen en laten, wellicht licht ik een ander mensch voor.

prepostterug  begin  verder