terug  begin  verderprepost
[p. 259]

Over de inbeelding.

Daar zijn onder de ondeugden, die uit het égoismus ontstaan, verscheidene die sterk vooruitspringen en alle overige karaktertrekken van een persoon in de schaduw stellen, ja geheel verduisteren kunnen. Wanneer men eenmaal onderscheid heeft gemaakt tusschen de menschenziel en het menschenlichaam, hetgeen men na korteren of langeren tijd steeds gedwongen is te doen, zoo heeft men gelijktijdig begrip van goed en kwaad gekregen. Men zal dan merken, dat alle zoogenoemde ondeugden, deugden van het lichaam zijn en alle deugden, ondeugden van het lichaam; omgekeerd zal men zien, dat alle deugden ondeugden zijn der ziel. Daar is dus slechts eene grens in de massa der eigens chappen van het karakter te trekken, aan de eene zijde waarvan men de deugd, aan de andere zijde de ondeugd aantreft. De zijde der deugd is die der ondeugden van de ziel, waaruit volgt, dat men ten allen tijde het deugen met het verheerlijken der ziel heeft vereenzelvigd en dat men te deugdzamer is, naarmate men zich losser voelt van de stof; meer geest, ‘meer égoist der ziele’ is. Alles, een geheel karakter grondt zich dus op: eeren, verheerlijken, hoogachten, liefhebben, slaaf zijn onverschillig van welke twee bestanddeelen des menschen, geest, stof of (zooals doorgaans) van beiden. Onwedersprekelijk is het, dat de mensch moet streven naar het ‘geest worden’. Dat streven ligt in zijn aard, dat maakt hem gelukkig, dat is zijne bestemming. Daar de Schepper ons bestemde meer geest te worden, gelooven en hopen wij, dat de onsterfelijkheid, de vereenzelviging met Hem zijn zal.

Onder de afdeeling, aangeduid met den naam van lichaam, moet men ook die deelen der ziel rangschikken, noodig voor het onderhoud des lichaams. In één woord, het menschdier, de idioot, degeen die instinctmatig eet, drinkt, slaapt, voldoet aan zijn geslachtsdrift,

[p. 260]

kan worden gewend aan sommige zaken, juist uit zucht en behoefte om aan zijn dierlijke instandhouding voordeelig te zijn. Onder de ziel is dat te verstaan, wat in ons denkt, voelt, bidt, phantaseert, redeneert, liefheeft. Hoe ziel en lichaam verbonden zijn, of er eenige harmonie, evenredigheid tusschen beiden of tusschen de ziel en eenig lichaamsdeel bestaat doet thans niet ter zake. Mijne overtuiging is, dat de ziels-hoedanigheden huizen in afgezonderde deelen des lichaams en dat de meerdere ontwikkeling, prikkelbaarheid van deze, ook die der eigenschappen van de ziel die bij hen behooren, na zich sleept. Want de ziel uit zich door het lichaam: God werkt door middel van den mensch.

Omdat men nu als geloof der menschheid moet aannemen, dat voor den mensch slecht is wat dierlijk is, zoo noemt men ondeugden, hetgeen de dierlijkheid betreft en slechtheid de offering van de ziel of liever hare dienstbaarmaking aan het lichaam. Gierigheid b.v. is eene ondeugd, omdat zij het dierlijk leven betreft.

Eene ten offer brenging van het lichaam, hetgeen men zelfopoffering noemt, is deugd. Nauw staat hier- mede in verband de liefde. De liefde in een woord is de verheerlijking der ziel, de kern der deugden, en zij is zoo samen gegroeid met het eigenlijk wezen der ziel, dat liefde en ziel zijn één, evenals God één is met liefde.

Noemt men nu de verheerlijking van het lichaam voor een oogenblik liefde of liever wellust, dan zegt men dat de ondeugd liefde voor het lichaam samen gegroeid is met het lichaam tot wellust. De eigenlie-vendheid is dus deugd, indien zij is de liefde tot het Ik, het eigen der ziel; ondeugd wanneer zij is de liefde tot het Ik, het eigen van 't lichaam.

Uit de eigenlievendheid spruiten alle deugden en ondeugden.

 

Ik heb mij nu voorgenomen iets te schrijven over de ondeugd in de eerste plaats: de pedanterie. Welke der ondeugden is toch zoo onverdragelijk? Zij is

[p. 261]

onverdragelijk, omdat ieder mensch in zich een streven heeft tot vooruitgang, tot vergeestelijking. Ieder doet daartoe zijn best willens of onwillens. Als men nu een ander mensch ziet, die ons vooruit is, dan is het een deugd (uit de eigenlievendheid der ziel spruitend) hem te willen nabij streven, eerzuchtig te worden: de eer toch wordt niet om niet geschonken; de roem is het erkennen van een voorbeeld en te streven een voorbeeld te worden voor de menschheid. Is dat niet grootsch?! Een beroemde man, een Goethe, een Vondel is niet onverdragelijk, maar onverdragelijk zouden zij zijn, wanneer zij, steunende op dien roem, spraken: ‘Ziet op ons, gij nietelingen, wij zijn groot.’

Dat kwetst immers de zucht naar vrijheid, naar vol-making?

Te erkennen dat men groote verdiensten heeft in het diepste van zijn hart, doch die gedachte weg willen werpen is menschelijk, want zelfs het grootste genie moet zich bewust zijn van zijn onvolmaaktheid bij den God onzes levens vergeleken. Zich zelf te hoogstellen alsof men zeide: ‘Ik ben volmaakt’; dat is onverdragelijk, dat duldt geen mensch, en dat heeft demensch recht niet te dulden. Pedanterie stuit, moet stuiten; is ondeugd. Maar wanneer zonder eenige verdienste een bekrompen sujet zich inbeeldt beroemd te zijn, iets groots te wezen, iets navolgenswaardigs, een voorbeeld, dan is zulk eene z elfverheffing allerbelachelijkst.

De verheffing zijner ziel is toch wel eene deugd, een liefhebben van de ziel zult ge zeggen!

Ik beu overtuigd, dat het een deugd is, de ziel lief te hebben in hoedanigheid van de volmaakte ziel. Elke ziel is volmaakt. De hoedanigheden der ziel te verheffen dat is ondeugd, de ziel zelve niet. Ik mag gerust het denken, het voelen, het phantaseeren verheffen; ik bezit de gedachte, de phantasie, het gevoel. Maar pedant is het te ver-heffen de uitvloeisels, de verrichtingen der ziel, te zeggen van eigen ziel.

Gewone ijdelheid is zijn eigen lichaam stellen boven alles. Dit is de pedanterie van 't lichaam. Ik kan

[p. 262]

zeggen: het lichaam van den mensch is schoon, heerlijk bewerktuigd, maar zeg ik, zie hoe lief, hoe verruk-kelijk schoon mijn lichaam is, o, ijdelheid.....

Hoe zou het nu komen vraag ik mij af, dat de mensch alles schoon en prachtig mag vinden, alleen zichzelven niet?

Ik krijg tot antwoord: de mensch mag zich schoon vinden naar ziel en lichaam. Alleen wanneer hij zegt: mijn ziel en lichaam zijn schooner dan alle andere of dan vele duizenden, zoo is hij pedant, ingebeeld, aanstellerig, ondeugend, slecht, zondig. Hieruit besluit ik, dat één deugd is zich niet te ver-hoovaardigen, zich niet meer te achten dan anderen, nederig te zijn, zelfopofferend, zelfverloochenend. Laat ik maar samentrekken op kracht van het ge-weten. Het vergoden, verheerlijken, verheffen van eigen lichaam, het bluffen, het pedant, het ijdel, het verwaand en ingebeeld zijn is een ondeugd, die in de volmaaktheid niet mag bestaan.

prepostterug  begin  verder