
Maar de familie stoomt steeds verder langs de gladde staven tusschen Amsterdam en Utrecht.
Wie hunner in staat waren geweest het zich gemakkelijk te maken, waren niet in gebreke gebleven, dat te doen. Ieder had zijn vermaak gezocht, en terwijl de meisjes zich nog altijd bezig hielden met hare gedachten te laten fladderen, ver over 't boek op hare respectievelijke schooten, in de onbekende, angstig verbeide toekomst, dat vage, blauwige verschiet, benevelde zich de zoon - die niet mocht rooken, omdat hij in een coupé zat waarin een Franschman had kunnen lezen; ‘il est defendu de fumer’ - met een poëtisch woord of wat van Lamartine. Hij had evenals een zakkammetje een zak-Lamartinetje, o allerliefst!
Zijn facie stond evenwel niets naar dichterlijke lectuur, maar dat kwam - zei hij - omdat hem de spoorwegmaten van de Cort niet uit den zin wilden.
Daar was behalve den deun in zijn hoofd en den dreun van den ratelenden trein in zijn ooren, nog meer dat hem hinderde, hem haast ziek maakte.
Zijn boek lag open bij; ‘Le chant d'amour’ en nauwelijks had hij een bladzijde gelezen of 't portier werd geopend en de familie - die tot nog toe alleen had gezeten - moest de tegenwoordigheid gedoogen van eene matrone, eene juffer, die 't ijselijk warm had, benevens een snufneus en op haar gerimpeld
velletje een baardje, dat in kleur weinig verschilde van de vochtige, vale randjes om hare oude-vrijster oogen.
Dit besje verhaalde, dat ze He klasse reisde, omdat ze een ongemak aan zeker kussen had, dat ze altijd met zich omdroeg - en dat de banken ginds zoo erg hard waren.
De familie merkte op, dat ze de gelukkige bezitster was eener karabies met versnaperingen; onder deze bekleedden eene voorname plaats ettelijke eieren, welke een gehalte hadden, zacht genoeg om door haren tandeloozenmond te worden gewaardeerd.
Na een poosje, toen ze zich een weinig op haar gemak begon te gevoelen en er zich trouwens op gezet had, maakte ze een begin met eitjespellen. Daarop volgde eene verorbering, maar omdat helaas! de spijs in kwestie, meer dan ‘pruim’ was, droop ongemerkt heel wat struif langs hare mondhoeken en stremde.
Een snuifje was gauw genoeg genomen, een zucht volgde, de onderlip werd een weinig verder uitgestoken dan het bovenste tweelingmonster en een walgelijk reservoir was gevormd voor 't geen ik nooit zal noemen.
Ze blikte nog even rond, gluurde, kneep de oogjes toe, zette zich een weinig voor op de bank, vouwde de latjes, welke zij hare handen zou willen noemen, samen over de rijke karabies en dommelde als een onschuldige in. -
Zijn er sommige menschen, die ons boeien door hunne groote schoonheid, onze kol gedoogde wegens hare leelijkheid niet, dat men een oog van haar afhield.
Dàt nu hinderde den zoon des huizes, want ook zijn ‘chant d'amour’ boeide hem en nu moest hij zijne aandacht verdeelen.
't Lamme wijf ook!
Waarom moest hij haar toch zoo aankijken, haar en al wat leelijk aan haar was - 't was alles - terwijl hij in gloed geraakte bij de woorden:
nadat hij een oogenblik te voren werd gedwongen haar aan te zien, haar toe te fluisteren bij haar snorken, ondanks zichzelf:
Godbeware! dat hem dat moest overkomen!
Zijne zusters gichelden om 't gesnork der oude, maar nooit was haar broer zoo wrevelig geweest:
werd hij onwel?!
Dat is nu heusch wat al te...! ‘Vader, mag ik een slok uit de veldflesch?’ - O! daar wordt ze wakker. Wat kijkt ze hem beroerd aan!..,:
Ou je meurs: dat is 't ware woord! O, wat een benauwdheid! -
Dat moest er nog bij komen! 'k Wil er uit....
- Uitstappé heere!
- Wat 's dat? Utrecht? riep de dominé, die er letterlijk niets van begreep.
- De assen zijn gloeiend; de wagen zou gaan branden! Uitstappe! Gauw asjeblief!...
De wagen aan 't branden!
Kon het anders?
En de meisjes, die brandden van nieuwsgierigheid; en de dominé, die brandde van verontwaardiging
over het uitlachen der heks, en de moeder, die gloeide van verlangen naar 't einde van den tocht, en de oudste dochter, die met een gloeiend hoofd haar roman verslond en van ongeduld brandde om te weten of ze mekaar kregen; en de zoon, die gloeide van het dubbele vuur van liefde en van haat; en het besje, dat gloeide omdat ze 't zoo danig en danig warm had?!...
De wagen in brand! Kon het anders?
Ze stapten uit!
't Is een sjande, een oud mensch zoo op te jagen als een kind van de k. kstoel, ik zeg je dan maar, dat 'et een groote sjande is en as je dan nog een ongemak heb ok!
suisde het in de ooren van den jongen, die haar nakeek: hij griezelde. Grommend ging de oude haars weegs, en geraakte vermeerderd met hare versnaperingen, in een ander rijtuig; de familie Perk heeft haar nooit weder gezien.
- Dat was mijn nachtmerrie vader! sprak de zoon.
De dominé, die alleen 't woord merrie opving en nu voor de tweede maal tegenover iets onbegrijpelijks stond, zei: ‘Zoo.’
‘Klap!’ ging het deurtje, conducteurs floten met de locomotief een ongelijk duet; ‘choch, choch!’ en de wielen der goedgesmeerde wagens rolden over de glimmende richels.
De familie was te Utrecht geweest en ze had een mensch te meer leeren kennen. -