De familie was nu ongeveer twee weken in dat landelijk stadje en dus eenigszins vertrouwd met wat er omging, met zijn omstreken, met de sagen, die er in omloop waren en zoo meer, ze raakte op haar gemak.
Eenige inwoners hadden gezegd, dat het vandaag uitstekend wêer was om te visschen, want hunne veeljarige ondervinding had hun geleerd, dat bij een bewolkte lucht als heden en bij zulk een Westenwind de Sûre zeer door forellen was bevolkt.
Dit forellenvisschen, pêche à la mouche genaamd, stond sommigen leden der familie zeer aan en zoo kwam het, dat op den 28en Juli 1878 de zoon zich voegde bij een klein gezelschap visschers - allen gasten van het Hôtel des Ardennes - en zich gereed maakte om ettelijke vischjes te verschalken. De vader had te veel te doen.
Bussen werden omgehangen, hengels in orde gebracht en over den schouder gelegd, proviand voor éen morgen ingeslagen en de tocht ondernomen.
't Zou een uur loopens zijn, had men verzekerd, maar den meesten verveelde de wandeling reeds, zoodra ze buiten het stadje waren. De minuten kropen traag voort, 't Was broeiend en drukkend geworden, de wind had zich gelegd, angstig piepten de vogels en schoten door de lucht weg, de bloemen lieten de kopjes hangen en ook onze reizigers gingen treurig het hoofd op de borst en sprakeloos huns weegs. De rotsen zagen grauwer dan ooit, het groen der bergen was zoo vaal als had er zich overal een wolk stof op genesteld, de lucht werd zwart, in de verte regende het en achter den Heerenberg hoorde men een donder.
Een der visschers stelde voor terug te keeren, want de bui zou vreeselijk zijn. Men vond, dat flink aanstappen beter ware, want indien men de twintig minuten, die men had afgelegd, wêer terug wilde
wandelen, oordeelde men dat het onwêer hen op dien tocht zeker zou verrassen.
Aan de linkerzijde van den weg deed zich op honderd pas afstands ongeveer een hut op, tegen den berg gebouwd en met het front naar de Sûre en de bergen aan den anderen oever.
't Was gelukkig, dat die hut er lag, want nu ten minste hadden de zes visschers eenig uitzicht op een schuilplaats. Ze waren geen twintig schreden er van af, of het Luxemburgsch onweer barstte in al zijn vreeslijk geweld los, de regen stroomde en deed in weinige minuten overal beekjes te voorschijn treden, de donder ratelde, tienvoudig in de bergen en tusschen de rotsen wêerkaatst; de atmospheer scheen in vlam door den feilen bliksem.
IJlings liepen ze naar het huisje en waren weldra in den gang. Kloppen behoefde niet; de deur stond open. Een hooggebouwde kerel met forschen rossigen baard, en starende oogen kwam een belendende kamer uit en zeide, dat ze welkom waren, maar dat hij ze niet in zijn kamer kon laten. Hij verzocht hun heuschelijk zich met den gang te behelpen en zijne afwezigheid te willen verschoonen.
Men had er niets op tegen, billijkte zijn wensch en nam de beschikbare ruimte in pacht, 't Was buiten ook zoo'n vreeselijk noodwêer. De Luxemburger was weer verdwenen en de visschers, op hun manden of jassen gezeten, staarden naar buiten en rookten droevig hunne pijpen.
De jonge Perk had zich 't meest achter in den gang begeven en zich gezet op den drempel van de deur, door welke de mijnwerker was verdwenen. Hij gevoelde zich niets aangenaam en schoof onrustig heen en weer. Of 't nu was, dat hij te sterk tegen de deur drukte of dat deze niet al te best sloot, maar 't gebeurde, dat zij plotseling opensprong en de jonge man met hoofd en bovenlijf de naar binnen zich openende deur volgde en onzacht op eenige roode vloertegels neerkwam. De andere visschers waren te veel met zich zei ven en het onwêer bezig dan dat zij dit bemerkt hadden, ook hadden zij door
den aanhoudenden donder noch het openvallen deideur gehoord noch den smak door welken Perk zich het hoofd te bloeden had gestooten. De mijnmerker, die zich in die kamer bevond, verschrikte duidelijk van dit onverwachte bezoek, kwam deelnemend naar hem toe, doch in plaats van naar de oorzaak er van te vragen, deed hij hem opstaan, sloot de deur achter hem en plaatste hem op een stoel bij liet raam. Hij riep een jong meisje van ongeveer zestien jaren, dat barrevoets over de koude klinkers ging en een doek bracht met water. Wel was 't linnen zeer grof, maar 't deed den gewonde toch goed; vooral was 't water frisch, dat blijkbaar pas was ontvangen. Toen hij verbonden was, leunde de jongeling het hoofd op den arm, die op het kozijn rustte en staarde rond zich. De mijnwerker en zijn dochtertje hadden hem verlaten en zich achter in 't vertrek begeven. Bij het blauwe licht van den bliksem zag de visscher een bed, natuurlijk zonder gordijnen, en daarop sliep onder een oud dek een oude vrouw, wier grijze lokken onder een zeer heldere muts te voorschijn kwamen; ze scheen te slapen, want in 'teene oogenblik, dat de bliksem haar verlichtte, waren hare oogen gesloten, op 't andere ten halve en met moeite geopend.
Het donkerkleurige jonge meisje, dat hare jaren ver vooruit scheen, barstte in tranen los en overdekte de handen der oude met kussen. ‘O, du Mutter!’ sprak de mijnwerker - musst du jetzt von uns gehen?! De zwakke stem der oude was slechts voor de beiden hoorbaar, die aan hare sponde stonden. De jonkman aan 't raam verstond slechts eenige klanken en dan nog zeer zwak. ‘Geliebt,... lieben... genung...’ meer kon hij niet opvangen.
Met groote stappen kwam de man naar hem toe. Het onweer werd minder, de slagen volgden elkander minder snel en in die oogenbhkken van stilte kon Perk het snikken van het jonge meisje hooren en het gemompel van zijne tochtgenooten in den gang, die hem schenen te missen.
De mijnwerker verhaalde hem met toornige gebaren,
dat de pastoor hem een half uur geleden geweigerd had te volgen tot het toedienen der Sacramenten, omdat die het onweer zag aankomen en niet nat wilde worden, ook was hij juist bezig met het ontbijt te gebruiken. ‘O,’ voegde de spreker er bij: ‘der süszer Herr Jesus hätte wohl das Gewitter nicht nieder kommen lassen.’ Hijzelf, de mijnwerker, was nog voor de bui, dus ook even voor cle visschers thuis geweest. ‘Das hatte der Herr gethan.’
De stervende vereischte zijn hulp weder, want een geweldige benauwdheid overviel haar. ‘Nicht sterben Mutter’ smeekte de krachtige zoon.
‘Besser so, zu alt... Arbeit’ klonk het hoe langer hoe flauwer, 't Werd lichter buiten, de oude plukte met haar rechterhand aan de dekens, haar linker drukte zachtjes die van haar zoon. Deze keek strak het raam uit en mompelde ‘zu viel.’
Wat ging er door de ziel van dien man! Zag hij zich weder spelende bij zijn moeder, zijne moeder, die daar uitgestrekt lag op haar sterfbed; zag hij zich opgroeien onder haar toezicht in deze zelfde bergen, die hem zoo lief waren, die haar zoo lief waren; zag hij hoe ze eindelijk na den dood zijner vrouw bij hem kwam inwonen? En het zou te veel zijn voor haar te werken, voor haar en zijn lief kind, zijn eenige dochter?
‘Zu viel’ sprak hij weder met nokkende stem.
‘Bleibe bei uns!’ riep angstig 't bevallige meisje, dat geknield lag voor 't bed en het voorhoofd harer grootmoeder reinigde van zweetdruppels.
't Onweer dreef langzaam over. 't Werd een oogenblik stil. Buiten de deur rommelden de visschers met hunne werktuigen. Sommigen lachten. Door 't raam gleed een zonnestraal binnen en verlichtte 't gelaat der oude als daareven de bliksem deed. Zij glimlachte, zag hare beide lievelingen teeder aan, keerde den blik naar die lieve, lieve bergen, die ze nooit had verlaten en toen ze op den top van den Heerenberg een verlichte streep zag door de zon getrokken, juichte ze zoo veel ze dat nog kon; knikte met de haar overgebleven kracht: Dort... der
Erlöser! fluisterde ze nauw hoorbaar en viel achterover. Een angstkreet klonk door 't vertrek, 't Jonge meisje wierp zich op het lijk; stom stond de man.
De jonge Perk was diep geroerd, stond op uit zijn hoek, drukte den mijnwerker de hand.. toen werd de deur geopend en een zijner tochtgenooten, die hem in den omtrek gezocht had, riep hem luide bij zijn naam. De gewonde legde den vinger op de wond, wees naar het lijk, naar het meisje, naar den mijnwerker en trok met den ander naar buiten. Daar verhaalde hij aan de overigen zijn wedervaren, het zijn wonde onderzoeken: deze bleek niet erg te zijn, maar toch wilde hij niet medegaan ter forellen-visscherij. 't Zonnetje scheen lustig over het glinsterende dal, de vroolijke stemming kwam bij de visschers weer boven, en toen Perk, nog voor hij afscheid genomen had een pas of vier gedaan had, riep een spotter, die aardig wou zijn, hem toe: Je vriend mag blij zijn, een kostgangster minder!
Een kostgangster minder!
Toen hij een halve week later kwam voorbij het sterfhuis, scheen niets veranderd. De man was aan 't werk, alleen het jonge meisje zag zeer bleek en keek van het wasschen voor de deur, telkens even naar binnen of ze grootmoeder niet achter 't venster zag zitten.-