terug  begin  prepost

Een vroolijk Fransje.

Frans is een vroolijke snaak. Jongens! hij kan zoo grappig zijn als hij wil, onbetaalbaar komiek, compleet een clown. Als je hem op straat ziet flaneeren in zijn licht-grijs pakje, zijn badinetje in de hand, sigaar in den mond, kop op en rondziende met een paar lachende oogen, dan hou je hem onmiddellijk voor een zieltje-zonder-zorg.

't Is al opgewektheid en vreugd wat aan hem is; de glimlach verdwijnt niet van zijn mond: 't is ondenkbaar, dat zoo'n tevreden gezicht ooit bedroefd zou kunnen kijken.

Zijn opgeruimdheid is niet het gevolg van lichtzinnigheid, maar berust op een ernstige en moeilijk verkregen levensopvatting; ondanks zijn jeugd is Frans in staat geweest veel te denken.

Maar juist dat denken heeft hem tot geen kniezer gemaakt. Ieder helpt hij een handje; de vrouw,die moeite heeft met haar kar of koopwaar zegt ‘nou ik blijf je dankbaar,’ en lacht eens, als Frans zijn sterke handen ten haren dienste heeft gebruikt.

De kleine jongen, die vragend naar hem opkijkt, voorkomt hij zelfs door hem zijn sigaar toe te reiken en hem van 't vuur te voorzien, dat het beschroomde ventje niet dorst vragen.

De meisjes op straat, die naar zijn lachend gezicht kijken, knikken en grinniken van plezier; hij niet minder.

Hij maakt gebaren tegen een vrouw, die een standje schopt; zij lacht; als een man hem met een zwaar vrachtje voorbij gaat, roept hij ‘wel moge 't je bekomen!’ hij lacht; als hij met zijn snellen, zwevenden stap voorbij 't appel vrouwtje komt, vraagt hij: ‘gaat het goed met de nering??’ hij lacht en knikt eens en als de lui niet lachen, dan zeggen ze ‘den dieë is gek.’

[p. 336]

Hij is verliefd op alle mooie jonge meisjes en kust ze, dat het een aard heeft. Vies van een glaasje onversneden kan hij niet worden genoemd en heel zijn ziel is éen lied, éen vroolijk lied ter eere van het leven.

Dichterlijk is hij ontegenzeggelijk. Duizend fantasiën kruisen door zijn brein en dansen met zijn gedachten een heksenwals.

Alle woorden kregen voor hem diepte en daardoor juist noemen ze hem geestig, want hij weet soms aardig met die woorden te goochelen en te spelen.

Zijn hart is gevoelig genoeg en toen hij nòg jonger was, werd hij algemeen voor een sentimenteel uitgekreten.

Maar nù weet hij die gevoelens al te breidelen en desnoods te verbergen. Van alles maakte hij zich een eigen idée en werd daardoor tamelijk zelfstandig.

Aan studie deed hij niet, tenzij er iets moois meê te winnen was, tenzij hij er het voorwerp van liefhad. De bloemen, de insecten kende hij, want hij vond ze mooi, met het morsen der chemie had hij niets op, maar bouwde heele systemen op de weinige begrippen, die hij van de Natuur had, om ze weder omver te werpen. De Letteren verslond hij, de geschiedenis der Letterkundigen was die zijner geliefden; hij liet geen oogenblik ongebruikt om die tot de zijne te maken.

Napoleon en dergelijken interesseerden hem niet; dus waar de geschiedenis verhaalde van zoogenaamde heldenstukken, kneep hij zijne ooren en oogen toe; waarschijnlijk om niet het knallen van 't geschut te hooren en den rossen gloed van bloed niet te zien.

Al wat hij omtrent den mensch kon te weten komen, gleed hem in 't geheugen; wijsbegeerte, godgeleerdheid (zoodra er maar van geen dogma sprake was), stond hem aan.-

Niets is hem te veel als hij maar met de genieën mag verkeeren, zich in hun toestand denken en hunne zielelevens mag mede leven.

De meeste menschen houden hem te stom om voor den duivel te dansen, omdat hij niet leerde, wat hem dor scheen en dom.

[p. 337]

Hij weet veel van 't geen waar anderen weinig van weten en weinig van wat sommigen zich als eenige wetenschap opdisschen. Daarom wordt hij oppervlakkig genoemd en schudden de menschen 't hoofd en zeggen ‘multa maar niet multem’ en denken: wat ben ik toch knap.

Met zulke menschen spot Frans. Nooit maakt hij zich boos, hij laat zich met het grootste genoegen uitmaken voor een gek, door hen, die zijn springende gedachten (waartusschen in zijn eigen geest wèl verband bestaat) niet kunnen volgen; laat zich eigenwijs verklaren, omdat hij niet ja en amen zegt op wat die verklaarders verklaarden; heet bijwijlen pedant en lacht als men hem standjes maakt, als om aller oordeel. De een lapt het hern zoo, de ander zus, denkt hij: ik heb mijn eigen idée, ik ben net zoo goed een mensch als ieder en waarom zou ik niet hetzelfde recht hebben als hij, die mij zijn denkbeelden wil opdringen? -

Als hij verzen gemaakt heeft, laat hij ze gerust lezen en stoort zich niet aan de kritiek van Jan en Alleman. Hij schreef ze om de goeie menschen plezier te doen. Hebben ze er geen plezier in, dan is 't jammer, maar 't raakt hem niet, 't was goed bedoeld. -

Juichend gaat hij de wereld door en voelt zich op zijn eentje even goed thuis als in de grootste menschenmassa.

Met de mannen spreekt hij over politiek, omdat hij dan niet flauw genoeg behoeft te wezen om zijn denkbeelden op te disschen, die de meesten niet begrijpen; met de vrouwen weet hij over koetjes en kalfjes te keuvelen en te leuteren en ondertusschen houdt hij zijn ziel geopend tot opmerken hoe zijn praatjes nêerkomen.

Hij is overtuigd dat in den grond iedereen het eens is, maar naar mate van zijn bewustzijn, zijn bekwaamheid tot het vatten der woordbeteekenissen, anderen termen bezigt. Als hij wat zeggen wil, gebruikt hij daarom meestal de terminologie van wien hij aanspreekt.

Hij vindt er niets in om een kever een draad aan

[p. 338]

zijn chitive-pootjes te binden, omdat hij weet, dat des diertjes zenuwen anders zijn dan die eens menschen. Hij zegt nooit, als hij een kat bij haar vel ziet nemen, ‘verbeeld je eens dat ze 't jou zoo deden,’ omdat hij weet, dat kattenvel geen menschenvel is; uit het laatste zag hij ook nooit electriciteit kloppen. Als ze zeggen ‘denk je in de plaats van dit of dat’ dan voelt hij nooit met een eigen menschelijk lichaam maar met het lichaam van het dit of dat.

Daarom gevoelt hij niet als het meerendeel der menschen, daarom schreit hij niet van mededoogen als een ander iets mist, dat hij zelf graag had, maar wel als die niet heeft, wat die noodig moet gebruiken.

Hij verwijdert zich niet van andersdenkenden, maar lacht om hen, die doen als voor hen niet hoort, omdat hij ook lacht om een man, die zich verwijft, een vrouw, die zich te mansch gedraagt.

Hij spot niet met hen, die anders denken dan hij, maar wel met hen, die niet aan hunne particuliere bestemming beantwoorden. Dan lacht hij zich haast een ongeluk, omdat hij het allerbespottelijkstdwaas vindt.

Hij haat niemand bijzonder, omdat het zijn ziel leed doet dat haten, en hij meent voor zich gelukkig te moeten zijn.

Zijn sympathieën strekken zich verder uit dan over hen, die eender als hij zijn georganiseerd, die een even groote mate van phantasie, van vernuft, van zinnelijkheid bezitten, ook hen heeft hij lief, die hun plaatsje op aarde met eere innemen, een geheel, een individu, een karakter, een gelukkig mensch zijn en hun aanlagen ontwikkeld hebben om alzoo aan hunne menschelijke bestemming te beantwoorden.

Ik houd veel van Frans. Ik mag hem graag lijden, want... ik ben het zelf.

Гνῶϑι Σεαυτὸν

prepostterug  begin