
In het begin van Maart 18781 geraakte ik in briefwisseling met eenen mij onbekenden jongen man. Hij had mij een gedicht gezonden voor den Spectator.2 Het beoogde een goed doel en er lag dichterlijk gevoel in, maar te veel onvolkomenheden in den vorm maakten de opneming ongeraden. Ik schreef hem dit,3 en hij antwoordde:
(...)
‘- ook zal het u natuurlijk voorkomen, dat het opsturen van die onbekookte regelen door strijd werd voorafgegaan. Maar ik geloof aan de macht van het woord en, wie weet, fluisterde ik mij zelven toe, of bij een enkelen lezer niet de lust ontstaat om bij te dragen tot eene zoo echt vaderlandsche onderneming als de Noord-Pool-expeditie.
(...)
Echter, het komt me in de hoogste mate juist voor dat u vies werdt van den poespas... Hartelijk bedank ik de redactie van den Spectator voor het niet opnemen. U dank ik voor de terechtwijzing waarmede ik mijn voordeel hoop te doen, maar meer nog voor de vriendelijke wijze waarop u mij behandelde en de instemming met onderwerp en sommige vergelijkingen.’4
Schreef ik verder met belangstelling, hij antwoordde met sympathie, en weldra ontwikkelde zich eene gedachtenwisseling vol wederzijdsche genegenheid en eene vriendschap, die mij thans den plicht oplegt de taak, door het vereerende vertrouwen van zijnen vader in mijne handen gelegd, de uitgaaf van zijne gedichten, niet af te wijzen.
Ik had het geluk gehad eenen jongen man te leeren kennen die meer dan gewoon bleek, waar hij hart en geest voor mij openlegde, en ik ging een steeds levendiger belang stellen in de groote dichtgaven van dit zich ontwikkelend talent.
In December 1879 zond hij mij eenige sonnetten voor den Spectator,5 ‘om wiens kolommen, schreef hij, de bloemen der jonge Hollandsche poëzie worden geslingerd.’6 Weer kon ik niet onvoorwaardelijk de plaatsing aanraden.7 Nochtans zeide hij mij, ‘dank voor het schrijven dat mijn zestal begeleidde op de t'huisreis.’8
Dra volgden weder brieven, belangrijk om wat zij inhielden over leven en kunst, over zijn ‘zielsgenot van te dichten’, over den grooten cyclus van sonnetten, welken hij bezig was te bearbeiden.
Hij schreef: ‘2 Januari 1880. - Uw brief heeft mij een paar dagen bedwelmd. Ik heb er mij een vroolijken roes aan gedronken. Zoo belangstellend schreef mij nog niemand, althans over 't geen mij zoo ter harte gaat als mijn kunst. Ik geloof ten minste niet dat ik te veel van de kunst houd, vooral van dichtkunst en schilderkunst, terwijl ik mij nergens beter vermaak dan in den schouwburg. Muziek overstelpt mij te veel.’9
Naar aanleiding van zijne sonnetten schreef hij mij: ‘Ik koos den sonnettenvorm, omdat ik meende dat het denkbeeld dat ik had, kunstig moest worden uitgedrukt en geen moeite mij te veel mocht zijn. Toch was mij het vervaardigen niet moeilijk, want zoo vol was ik met hetgeen ik mij door Mathilde liet inboezemen, dat ik maar voor het grijpen had, als ik voor een rijmwoord eene zinsnede noodig had.
Voor den sonnettenvorm bestudeerde ik de Duitsche van Goethe,10 Heine,11 Platen,12 Rückert,13 Körner,14 en in Duitsche vertaling die van Petrarca;15 de Fransche van de Musset,16 terwijl ik die van Barbier17 niet ongelezen liet. De oude Hollandsche wemelen van zesvoetigen, terwijl ik bij Hooft slechts éen vond van vijfvoetige regels (op de Groot).18
U beveelt mij voor de verskunst aan juist degeen die mij onder de hand zijn en die ik liefheb, vóor allen Goethe.19 Behalve met Goethe dweep ik met Vondel20 en Vergilius21 en met wat ik las van Dante.22 Heine, de Musset, Ovidius,23 Bilderdijk,24 zijn degeen bij wie ik troost zoek, als ik mij door speling met klank en woord en gedachte wil opfleuren.
Van Vergilius en andere Latijnen nam ik de ἑν δία δυοὶν over, die ik zoo mooi vind, doch die bij wijlen in 't Hollandsch bizar schijnt: arma virumque cano, enz.25 Als ik in de sonnetten26 eindig met “wanneer ik roerloos wacht op d'ochtendstond”, dan dacht ik aan Homerus ix, 662. καὶ ᾿Ηῶ δῖαν ἔμιμνεν1)), 't geen ik zulk een beeldende uitdrukking voor “slapen” vind, en zoo meer... ik meen dat in den stijl der sonnetten elk woord dat stoppen moet overtollig is, en dat dergelijke gedichten meer moeten spreken door wat zij niet zeggen dan door wat zij in woorden mededeelen, met andere woorden, dat er veel aan den lezer wordt overgelaten om tusschen de regels te lezen.’27
Men zal mij toestemmen dat een jong dichter die zoo schreef - hij telde toen twintig jaren - iets meer dan gewoons en mijne warme ingenomenheid, zoowel met zijnen levendigen humor als zijn talent, reeds gewettigd was. Weldra leerde ik Jacques Perk persoonlijk kennen. Hij was een rijzige jongman; het weibesneden gelaat in oogen en mond vol beweeglijkheid en uit-
drukking, de dikke, blonde haarbos golvend om het hoofd, met levensvol en luimig woord, vurig bezield voor zijne kunst en met al den overmoed eener welig opwellende gave van uiting. In October 1880 zond hij weer een viertal sonnetten, wier schoonheid en frissche nieuwheid mij drongen ze in den Spectator te doen opnemen;28 het waren de vier die den 9n October 1880 verschenen, episoden uit den Mathilde-krans, getiteld: Bouwval, Duif en Sperwer, Nacht, Dorpsdans. In November daaraanvolgende verschenen eenige sonnetten in Nederland, die den lof van sommige Amsterdamsche letterkundigen verwierven.29
Thans ligt de gansche stapel zijner geschriften ter mijner beschikking, in welke hij van vroege jaren af zijnen geest uitte en zijne studie nederschreef, en is het mij gegeven daaruit zijne jeugd te schetsen.
Jacques Fabrice Herman Perk was den 10n Juni 1859 geboren te Dordrecht; hij was de eenige zoon onder drie gezusters, geboren uit het huwelijk van den letterkundigen en welsprekenden Waalschen predikant30 te Dordrecht M.A. Perk en jonkvrouwe J.G.C. Clifford Kocq van Breugel. Toen zijn vader, na een kort verblijf te Breda, in 1872 naar Amsterdam beroepen werd, ging de zoon daar naar de hoogere burgerschool, om zich voor de militaire akademie te vormen. Hij volgde er den cursus van 1872 tot 1877. Met lust leerde hij er botanie en gedurende eenigen tijd trokken anatomie en schedelleer hem zoo aan, dat hij met Gall en Lavater31 ging dwepen en ieder, wien hij kon, den schedel bevoelde. Doch ten slotte ‘raakte’, zeide hij, ‘mijn gevoel overhoop met de chemische opvoeding die ik er ontving.’32 Er leefde een dichter in hem, en deze werd vooral gevoed door het letterkundig onderwijs van dr. W. Doorenbos. Tal van schoolschriften was reeds sinds 1875-78 gevuld, deels met schoolopstellen over allerlei onderwerpen, deels met eigen oefeningen, zooals: in 1876 Een rekje duiveneieren (verscheiden schetsen); een cahier met geschiedkundige schetsen over de Nederlandsche letterkunde der 17e eeuw; in 1877 een drietal levendig gevoelde opstellen over het optreden van Clara Ziegler;33 eene vertaling van Goethe's Tasso;34 cahiers vol aanteekeningen of eigen gedachten over kunst, kunstfilosofie, de roeping van den tooneelspeler, over liefde en verliefdheid, den mensch en de maatschappij. Onder de vroege geschriften vind ik een folio-cahier, getiteld Kamperfoelies en Heggewinden , 1876-78; en daarin een gedicht, met het jaar 1876, reeds zoo vloeiend als dit:
En het bleef niet bij dien bundel gedichten; behalve vertalingen uit Goethe en Lessing,35 stroomden de liedjes en zangen hem uit de pen. In 1876 beproefde hij een blijspel, Alexander Duivelwater; en een ander, Hendrik Duval of vier jaren op schildwacht, operette naar Th. Körner; in 1877 oefende hij zijne kracht aan Herman en Martha , een tooneelspel in 5 bedrijven. Hoe druk hij zich met het tooneel bezig hield, blijkt uit zijne neergeschreven gedachten over de roeping van den tooneelspeler en de theorie van het tooneelstuk. Laat mij noch een gedicht van 1877 mogen aanhalen uit eene reeks van dwaze liedjes, Heiniaantjes,36 en in zoover niet oorspronkelijk, maar toch vol luim en gemak van dichten; het heet:
Natuurlijk komen er dan nixen39 uit het water, die lokken en de gelieven doen verdrinken; en het slot is de gewone ironie in Heine's trant:
Doch wel oorspronkelijk was dit liedeke, uit de Kamperfoelies van 1876-78, aan Marie:40
Ik haal deze gedichten niet aan als zoo buitengewoon, maar omdat zij de aangeboren gave toonen van met het zangerig woord te spelen. Dat echter zijne jeugdige dichtproeven niet louter wildzang waren,42 blijkt uit een schrift van dien tijd. Ik zie daar namelijk tal van aanteekeningen, zelfgevondene, over de taal, de woordenkeus, reeksen van synoniemen of rijmen, over den dichterlijken kunstvorm, over klank- en ‘taalmuziek’, in welke hij de kracht van klinkers en medeklinkers, het spel der klanken in verschillende, ook oude, talen ontleedde, de muziek der letters en der allitteratie naspeurde; ik vind daarin ook dichtregels met muzieknotaties en voetmaten.43
‘Allen spreken’, teekende hij ergens aan, ‘in meerderen of minderen graad juist, het is dus een van de moeilijkste zaken in het spreken uit te munten.’ In de dichtkunst zag hij ‘de hoogste kunst: zij verschaft een middel van vooruitgang, zij biedt uitstorting van zieleleven.’
Zoo, in gestadige oefening van een talent, dat hij zich meer en meer bewust werd in aanleg te bezitten en te willen ontwikkelen, kwam hij er in het voorjaar van 1877 toe, aan zijnen vader in een uitgewerkt geschrift te
kennen te geven, dat de burgerschool hem niet kon geven wat hij behoefde.44 Hij verliet haar, en zijn vader gaf hem les in Grieksch en Latijn. Door eene bloedspuwing moest hij in 1878 die studiën voor eene poos staken. Toen hij hersteld was, werkte hij eene maand of drie aan het Handelsblad, doch kwam in 1879 onder leiding eerst van dr. J. van Leeuwen Jr. later van dr. E.W. Wolff.45 In 1880 werd hij student in de rechten. Of er een jurist in hem stak? vroeg ik hem schertsend. De reden was echter gegrond; hij wilde eenen maatschappelijken werkkring verwerven; van litteratuur alleen kan men niet leven, maar het is tevens nuttig dat men praktiesch in de wereld arbeide. Zijne letterstudiën zoude hij daarom niet behoeven te verlaten. Zijn vader had dus geen ongelijk, toen hij op stellige en praktische studiën aandrong, die zoowel eene betrekking konden bieden, als een tegenwicht aan de alleenheerschappij der fantasie.
Toen hij in 1879 en '80 pogingen deed enkele van zijne sonnetten, den nu door hem geliefden dichtvorm, in een paar tijdschriften aan te bieden, vergiste men zich met daarin jeugdige proeven te zien en hem te zeggen: zich eerst ernstig te oefenen.46 Zoo als de meeste lyrische dichters was hij jong ontwikkeld. De tijd van proeven te doen lag van zijn 16e tot zijn 19e jaar. Zij berusten in de stapels cahiers vol stijl- en dichtoefeningen van allerlei aard en vorm, van het goedmoedige verjaarsrijm en de albumversjes tot de romancen en baladen, de liedjes en beeldjes, de puntdichten en satyren; van de aforismen in proza over al wat eenen jongen geest bezig houdt, tot de studies over taal en dichtmaat en kunst. In 1879, meen ik, schreef hij, naar aanleiding van eene gedachtenwisseling met eenen katholieken geleerde en kunstenaar: ‘In de stilte van mijn werkkamertje heb ik mij evenwel na strijd en moeite eene soort van overtuiging gebouwd, die, hoe onvolkomen zij van een jongen kon wezen, niettemin de noodige hechtheid bezit om mij gelukkig te maken en al mijne adspiraties47 te bevredigen. - Ik behoor in het godsdienstige beslist tot de moderne richting. - Langs den weg dien ik bewandel geloof ik alleen te kunnen komen tot de objectiviteit in godsdienst en kunst, die de waarheid is, de waarheid der intuitie en een deel van het drieeenig ideaal der schoonheid, goedheid, waarheid.-’
Hij nam kritiek gaarne aan, maar verdedigde zijne jeugd op deze aardige wijze:
‘Van der jeugd af heb ik verzen gemaakt, bundels vol. Eerst voor eenige jaren kwam ik op 't denkbeeld er van te laten drukken. In '78 plaatste de heer ten Brink het eerste.48 Sinds dien kwamen er in onaanzienlijke tijdschriften een paar aan het licht49 en ging ik voort mij te oefenen. Als alle jongelui, die beginnen, schreef ik in '76 een treurspel in 5 bedrijven en in verzen. Daarop volgden opstellen van allerlei aard en veel rijmelarij, dat ik alles goed verstopt in portefeuille houd. 't Voorjaar van '79 deed verschei-
dene nieuwe plannen bij mij oprijzen, waaronder er een was dat mij zeer aantrok en dat ik in den zomer van 't zelfde jaar ten uitvoer bracht. Ik schreef namelijk een zwerm sonnetten, die met elkander in verband stonden - een zeer goede oefening in vers-techniek!
- Ik was in staat mij in 't voeren van de pen te oefenen, doordien ik na de hoogere burgerschool te hebben bezocht, een poos aan een groot dagblad ben verbonden geweest.50
Ik heb me dus wel geoefend, ofschoon ik daarom nog lang niet ben waar ik wil wezen. Als onrijp verwerp ik alles wat tot het vorig jaar51 door mij werd gesteld. Veel heb ik nog te leeren; daarvan ben ik overtuigd, maar tevens meen ik te mogen beweren dat, wanneer oefening de pennen versnijdt52 en aanspraak geeft op den naam van schrijver, ik dien even goed verdien als verscheidene lieden van rijperen leeftijd die zich minder oefenden.
't Is waar, ik ben jong, (de brief is van 1880)53 maar ik heb den leeftijd bereikt waarop Kuros de Jongere54 zijn tienduizend Grieken door Perzië geleid heeft en met roem bedekt stierf,55 een leeftijd waarop men 't best in staat is zich aan natuur en leven een roes te drinken. Maar mijn leven was steeds zoo ingericht dat ik in hooge mate mij zelf kon worden en veel kon nadenken en veel kon lezen. Weinige oogenblikken zijn nutteloos voor mij geweest, want jaren lang weet ik dat het leven ernst is, ernstig genoeg om met vroolijkheid te worden beschouwd.
Ik vind het onaangenaam dat men, waar men iets van (mijn) werk beoordeelt, mijn jeugd in aanmerking neemt. Ik gevoel me meer, ondanks mijn jeugd, dan mijn oude knecht, die mijn laarzen poetst en wien ik met geen mogelijkheid aan het verstand zou kunnen brengen dat hij geen dier is, of wel een dier.
Ik geef, zoo over mijn jeugd schrijvende, niet toe aan de neiging van sommige jongelui die gaarne mannen van in de dertig wenschen te wezen en daarom er den schijn van trachten aan te nemen, doch spreek naar mijn innig bewustzijn dat voor kunst of wetenschap geen leeftijd bestaat.’
Zoo schreef hij in 1880. Hij had toen de Mathilde nagenoeg voltooid en mocht daar fier op zijn. Een beeld zijner werkzaamheid geeft dit gedeelte uit eenen brief dien hij mij 30 Dec. 1880 schreef:
‘Ik volg de philosophisch-litterarische colleges. Daarbij leef ik een familieleven, ontvang en breng bezoeken, wissel brieven en moet, terwijl ik dan nog verzen maak, lezen voor mijn vak en mijn kunst. Tevens verkeer ik met schilders en woon de donderdagsche kunstbeschouwingen in Arti bij,56 blijf op de hoogte van het tooneel, verwaarloos de periodieken niet, kunstbladen inkluis, vertaal een Franschen roman.57 't Is een zegen dat mijn
gestel bestand is tegen zulk een bewogen leven, trouwens ik maak dagelijks 1 uur gymnastiek. Dank58 den klassieken kan ik een “aequus animus”59 bewaren en zal “boven het gewoel” kunnen leven.
Naar ruimte en onbekrompenheid streef ik... Het veld van ons “schoonvinden” dient zoo uitgestrekt te zijn, dat er velerlei op kunne plaats bezitten.60 - Men schrijft echter voor zijns gelijken, die gevoelen als wij, doch geen woorden vinden om zich dit helder te maken.’
Tot dusver heb ik den jongen dichter geschetst, meerendeels door zijne eigene woorden, om zoo veel mogelijk daarvan te bewaren en hem zelven te laten spreken. Laat hij ons thans, weder door zijne eigene woorden, van eene andere zijde verschijnen. Hem, vurig van indrukken en verbeelding, stormden in 't jonge hart allerlei, soms tegenstrijdige gevoelens. Aardsche liefde kon er tot ideale vereering en ekstase stijgen, het geloof eene pantheïstische tint aannemen, wilskracht en studie eene wijle wijken voor mijmering en de stoute vlucht van onbepaalde adspiraties, de joligste jonkheid schuil gaan in donkere melancholie, liefde voor verwanten en vrienden en gevoel zich vermommen achter spot en schijnbaar cynisme. Hoe hij werkelijk liefhad, daarvan getuigen zijne brieven aan zijne ouders, als hij schrijft ‘Aan de beminde Amsterdamsche huiselijkheid’, of als hij aan zijn zusje op de kostschool te Diekirch brieven zendt, beurtlings met angstige zorg vermanend als een vader, dan weer zoo teeder of speelsch als een minnaar. Deze laatste brieven heb ik niet zonder aandoening kunnen lezen; kon ik ze mededeelen, zij zouden een van de liefste trekken voegen bij het beeld dat ik boots.61
Doch ik mag zonder onbescheidenheid eenige uittreksels geven uit brieven aan zijne ouders geschreven, toen hij met eenen vriend een reisje deed in België.62 Dezen geven ons zulk eenen indruk van jong, sprankelend leven, in zulk een schertsenden, humoristischen toon, met soms overmoedigen lust in komiesch overdreven epitheta of tegenstellingen, dat wij ons den type van eenen jongen wilden poëet voorstellen, iets als eenen jongen Heine. Den 10n Juli 1880 schrijft hij uit ‘Laroche sur Ourthe, Meunier frères,’63 aan de ‘Duurbare oudertjes’64 en ‘den zooveelsten Juli 1880’ aan ‘de lieflijk liefderijke lui van de Reguliersgracht’:
‘Dagelijks doe ik 2 of 3 tochten, in het lichtgrijs gekleed, mijn roode kamermuts op, blauwe das en gele tabakszak bungelende tegen mijn buik. Na het genot van wild-zwijnenvleesch, rivierkreeften, reebout en forellen, met de weelde nu en dan van een flesch Bourgogne of Moselle, zit ik gaarne mijn fijne cigaar te rooken onder de nieuw gebouwde veranda van het café royal die uitziet op de brug en de rivier. Daar geniet ik dan ook van de peinzende, van de gonzende eenzaamheid, vooral in de vroegte, en de zwoele zomerwarmte, om weldra weer op weg te tijgen65 en den omtrek te verken-
nen. Op het oogenblik schrijf ik ook onder die veranda en drink het goedkoope Larochebier, terwijl de blauwe wolkjes uit mijn pijp wegdartelen in den zonneschijn daarbuiten en om een paar getemde, jonge sperwers of steenarenden, die zij hier in den boom hebben zitten. Ik vermaak mij met nu en dan te kijken naar een paar kindertjes van twaalf jaar of zoo, die in haar nachtjaponnetjes plassen in de rivier, die onder de brug doorstroomt; o, frisch gezicht, die ploeterende jeugd.
(...)
Ik heb plan om twaalf uur met prachtigen maneschijn uit te gaan, van den nacht te genieten en de zon te zien opkomen op den hoogsten berg van de streek.
Nu, adieu, de bel rinkelt. Uwe dierbare brieven steek ik aan mijn hart en een stevigen maaltijd er onder. Mijn geld slinkt, mijn lichaam zwelt. Ik werk niet, ik leef, ben gezond en bemin u allen.’66
‘3e Dinsdag in Juli '80.
(...) Laat mij beginnen u te danken voor uw vriendelijke brieven, die zielestreeling waren voor den vereenzaamden en verweeuwden67 zoon. - Ik brak (aan tafel) het een en ander open68 met de zenuwachtige haast van hem die het weten begeert, gelijk ik een oogenblik te voren de kaken van peperzoete rivierkreeften had opengebroken... en tranen braken uit mijn oogen. Die helsche, hemelsche gevoeligheid druppelde op de letteren der liefde en maakte mij het lezen onmogelijk. Een andere reden waarom ik niet met het lezen op slag raakte was, dat ik van her en der werd aangegaapt van wege het beminnelijk gerand en gekarteld papier der zusjes, en een derde, dat ik de vormen in het oog diende te houden en niet te veel kon lezen aan tafel.
Maar van daag las ik herhaaldelijk wat u mij te lezen hebt gegeven en wel in den omtrek der kluis69 van onzen kluizenaar. Toen peilde mijn blik de diepste onpeilbaarheid des hemelsblauwen hemels en frommelde mijn hoofd zich in de verknuffelde wilgenloovers langs het pad, die welig rond mijn lichaam opschieten. Ik toch lag bekaf te mijmeren bij Marcourt, achterover aan den zoom van de heirbaan. Toen werd ik door de levende loovertjes omhelsd en ik dacht aan u evenzeer als ik het immer doe wanneer ik ijl naar mijn geliefde, de lustige Ourthe, die mij schaterend van pleizier opvangt in haar molligen schoot en mij de betraande lokken met natte kussen overdekt; zij drukt mij in hare armen, de frisschen, de wijkenden, en zaligheid kiemt in den golvenden en omgolfden boezem. Dan denk ik van harte aan u allen en kus de dansende baren, en denk aan de vluchtende zusterkens, die wegdartelen als de huppelende, krullende rimpels van het water, en aan mijn ouders die mij statig tegenzwemmen70 als dikke, hooggedofte golven, die tegen mij aanrollen met donkergrauwen schaterlach. O, verrukkelijke
Ourthestroom met uw peilbaren bodem en peillooze goedhartigheid, mij zijt gij dierbaar.
(...)
Onze gast is verschenen. Wie was onze gast? Niet de Dood! Voor hem is geen plaats in het levend gemoed. Niet het Leven: te groote levendigheid maakt dood; maar de matige ernst, de doordachte geleerdheid en jeugdige ouderdom: dr. Doorenbos.71 Van Zaterdagavond tot heden ochtend was hij te Laroche om zijn jongeren te zien. Weggesneld van het heete Brussel, liep hij ons in de open armen en voelde er zich wel bij. Wij leidden hem rond in de prachtige zomerkalmte en lieten de verkwikkende streek werken op het hart des “veelervaren mans”, die met zich alle schoolherinneringen voerde, doch met ons verkeerde als een vriend met zijn vrienden. Hij kroonde ons tweetal en zat er aan tafel, tusschen gevat als een dorstige, grijze, vroolijk glinsterende diamant tusschen jeugdig groene smaragden. Alom heeft hij de aandacht getrokken en men bleef hier staan om dien geestigen prater, dien pratenden oude, dien ouden jonkman gade te slaan, zooals hij daar drentelde tusschen een paar jolige kuikens, vóór wier geboorte hij reeds een oude was.
Welnu D. heeft ons als gast vergast op vriendelijke pittigheid en pittigen wijn en onthaalde ons op zijn gezelschap, gelijk de natuur ons op hitte en blakerende zomerschoonheid onthaalt. Nu is hij vertrokken, maar niet zonder onze zaligsprekingen. Met ons had hij rondgezwalkt en gedoold. Samen oogden72 wij naar de stervende zon, die nederzonk in het vlammenbed op de kim, en de hooge bergen droegen ons samen naar den effen-gewelfden hemel, terwijl een zelfde beekgemurmel in de diepten der wouden onze zes ooren kittelde en zong van de jeugd der schepping en de eeuwige scheppingskracht van de jeugd. Dan zeide hij: Vrienden, gij beiden! Onthoudt u van stoeien met woorden en geestig schermutselen der geesten, gij poseert voor het nageslacht. Wellicht wordt het dichterwoord opgevangen en draagt de faam de kleinste uiting uwer zielen over op hare breedontplooide schachten73 naar de zielen van den verren naneef.1) Amen! Vaarwel D... Wij brachten hem weg in den ochtend van heden.
Nauwelijks had de morgen van purper goud gemaakt, of wij ratelden gedrieën over den grooten weg heen en naar Melreux. Droevige sluiers kleefden zich aan de kammen der bergen... nu wolkten de nevelen weg bij het ontwaken, weg en hoog naar den hoogen zonnigen hemel. Door de ontwakende wouden reden wij voort en verlieten hem, die ons was komen bezoeken, halverwege. Wij togen omhoog naar den Hermiet van St. Thibal-
dus, wien ik onnoozel wilde vragen naar kluis en kluizenaar, toen de man mij dadelijk maakte tot een vergeetachtige of een logenaar, door mij te herkennen, en o jammer, onmiddellijk te willen doopen. De tweede reize was ik nu tot hem gekomen, mijn gelaat droeg, volgens hem, de zielsrust van den geloovigsten Roomsche, dus God had mij daarheen gezonden, en zuiveren vrede moest hij mij inademen. “O, bid tot de Maagd Maria,” zeide hij, “zonder Wier heilige hulp niets bij den zoeten Jezus vermocht wordt!75 Denk er aan hoe gij uw moeder aan boord klamptet, als gij iets van uw vader begeerdet. Laat u doopen en bekeer u op staanden voet. Straks kunt gij sterven en voor u is dat zaligheid derven! Het zal in stilte geschieden en zeg er niemand iets van. De menschen te bedriegen is edel, wanneer gij God en Maria maar niet bedriegt!”
Ik heb hem gezegd dat ik er eens over denken zou en dat God mij op 't oogenblik worsteling in het hart stortte. Hij moest mij toegeven, dat ook dat Gods werk was, nu ik niet onmiddellijk en zoo maar grif weg tot een katholiek kon worden en ik verliet hem plus zijn zegen met de belofte, dat ik dadelijk zou weerkomen en mij bekeeren zou, als ik merkte dat het Gods wil was. Hij oogde mij zwijgend na, den berg af, en bidt voor mijn twee dubbeltjes.
Hij herinnerde zich zeer goed ons (vroeger) bezoek. Ook wist hij nog hoe knap wij waren en liet mij nogmaals “Gaudeamus” lezen uit het misboek.76
V.d.V.1) heeft eenmaal in zijn hoofd gekregen om aan een Engelsch gezelschap mede te deelen, dat ik “a young Dutch poet” was, en sinds dat oogenblik geld ik er hier voor, daar die Albioneezen77 het links en rechts rondbazuinen. Nu zitten ze me onophoudelijk met poëzie na en oordeelen, dat ik de rotsen moet opklimmen om er bezieling te putten. Steeds tracht ik mijn goeden naam op te houden op een treffende wijze, en ik verschijn altijd met prachtige poëtische bloemruikers in het knoopsgat, iets, dat zij allen uiterst poëtisch vinden. Het spreekt van zelf, dat menig meisje mij voorziet van de bloemen die ik zelf niet kan krijgen, zooals eigengekweekte Latherussen. Ook spreek ik uitheemsch aan tafel over protestantisme en hermieten en ga dan mijn kuier doen naar het Zwitsersch huisje, dat een verrukkelijk uitzicht biedt op het maanverdronken stadje. Een zuivere maneschijn verzilvert nu alles...’78
Ik geloof, dat ik niet te veel aanhaal. Wij winnen er immers eenige bladzijden van het luchtigste, van humor en jongheid sprankelende proza mede en
leeren den dichter kennen met zijn hart vol liefde, zijnen zin voor de natuur, en die, zooals een veulen wild dartelt in de weide, uitgelaten is nu hij op reis op eigen wieken drijft.80 Hij was toen in een tijdstip van ‘Sturm und Drang’. Het jeugdige Maria-ideaal81 had voor dat der Mathilde plaats gemaakt, zooals dit daarna weder week voor het Joanna-ideaal.82 Men zoude zich bedriegen, als men in deze brieven een beeld van louter vroolijkheid zag. Zijne vroolijkheid was somtijds een gevolg van jeugdig welbehagen in het rijke leven, maar somtijds ook van keus en wil. Hij was vaak droefgeestig, wat in een jongen denkenden dichter niet vreemd is. In waarheid was hij eene mengeling van vroolijkheid en zwaarmoedigheid, of zoo als een vriend het juist uitdrukte, hij was zwevend tusschen deze beide en daarom gewoonlijk in evenwicht. Ook zullen sommigen van hen, wien hij ter harte ging, er prijs op stellen dat ik zorge dat de schertsende toon niet stuite als spot en cynisme. Zijn scherts drong soms zijn gevoel en zijnen ernst ter zijde. De ernstige vragen des levens overdacht hij ernstig. In 1879 schreef hij in een opstel zijne ‘Gedachten over God’ neder. Zijn toenmalig vrijzinnig protestantsch beginsel, met zijn geloof aan vrijheid en ontwikkeling, als behoeften des menschelijken geestes, verdedigde hij eens als jongman van nauw twintig jaren tegen eenen voorstander van het autoriteitsgeloof, en hij noemde zich toen een beslist voorstander der modern godsdienstige richting.83 Daarop volgde eene wijle, waarin hij zich als fatalist uitte. Wat was zijn geloof? Weefde zijne poëzie pantheïstische84 draden door zijne overtuiging? Was hij religieus zonder religie? Behoorde hij tot hen voor wie bij de vragen over oneindigheid en godheid geene formule bestaat, maar eene Ahnung,85 eene hoop? In hoever was het vlijmend sarcasme zijner gloeiende ziel gemeend, in hoever slechts dichterlijke opbruisching? Wellicht van dit alles iets. Maar aan geene beslissing kan ik mij wagen.
Zooveel is voor mij zeker, dat hij althans geloofd heeft aan dat naamloos hoogere, waartoe sommigen zich door den godsdienst, anderen door het schoone zoeken te verheffen.
In den tijd tot welken de laatst aangehaalde brieven behooren, volgde hij nevens de verplichte ook uit eigen lust de lessen van professor Spruijt86 over zielkunde en die van prof. Pierson87 over aesthetiek en nieuwere letteren. In dien tijd schreef hij ook verschillende reisschetsen en het begin eener novelle, die in de portefeuille bleven. In 1881 teekende hij, in den Spectator, in Hooftschen stijl doormengd met speelsche overdrijving, de Hooft-feesten te Amsterdam88 en gaf hij zijne zeer fraaie terzinen aan den Drossaart gewijd.89
Zijn voornaamste arbeid van 1880-81 was de Mathilde, Sonnettenkrans .90
De stof daarvoor was reeds in hem saamgevloeid uit denken en voelen, uit ideale liefde, uit zijne hartstochtelijke schoonheidsvereering. Verscheidene van die sonnetten waren hem ingegeven door de natuur, die hij op zijne tochten bij eene vroegere reis in de omstreken van Dinant en een jaar daarna in de Ourthe-streken waarnam.91 Hij zag haar als schilder en wijsgeer en beeldde haar als dichter af. Zoo brachten, bij voorbeeld, de sonnetten die hij den 3n September 1881 in den Spectator gaf,92 in beeld wat de grotten van Han en Rochefort hem deden gewaar worden. Daar de uitgaaf van de Mathilde als geheel noch onzeker was, vatte hij er een tiental samen onder den titel van Eene helle- en hemelvaart , die hij toen onder het aegidium93 van zijn Joanna-ideaal plaatste, van haar die den naam droeg der vrouw ‘welke de Beatrix van Dante in zijn Vita Nuova tot gezellin strekte.’1) Het schoonheidsvizioen, dat hij in de Mathilde afbeeldt, zal ter zijner plaatse worden verklaard.
Mijn vriend Willem Kloos, wiens opstel mijne levensschets aanvult, was met al de aspiraties van zijn hart en zijne kunst vertrouwd. De wisseling van gedachten en gevoelens uitte zich tusschen hen in tal van sonnetten, en zoo is Kloos de meest gewenschte interpretator der Mathilde-zangen, wier beste redactie hij uit de drie aanwezige bundels94 heeft vastgesteld op eene wijze, waarmede ik mij geheel vereenig. De allengs gansch geïdealiseerde Mathilde was daarin eene Beatrix geworden en het streven naar het ideaal des dichters is er de doorloopende draad. Daar voegen zich nu eens de schoonste natuurtafreelen tusschen, als de schilderingen in de grot van Han; of wel eene naïeve landidylle als Dorpsdans, en genrebeeldjes als De bouwval; te zamen een schat van verbeelding, gevoel en gedachten, in vlucht verheven, in beeldspraak rijk en stout, in vormen bij ons nieuw en vol kleur, klank en muziek. Hier worden nieuwe snaren gespannen en zelden gehoorde tonen aangeslagen. Men voelt dat hier een jonger is, die aan de hand van Dante, zoo als Dante eens aan die van Vergilius, die ‘zee van wijsheid’,95 van hel tot Elysium gaat.96 Daar klopt het
daar kleppen de
van welke Shelley97 zingt.
Schoonheid, kunst, de dichtkunst bovenal, waren voor hem iets verhevens.
‘Ja, ik ben een van die “schoonheidssensitieven”, zooals gij schrijft,99 - en die “stupor suavis”,100 zeker! dat is “der schoonheid huivrend schouwen.”101 Ach, wat heb ik in mijn korte leventje al velerlei liefgehad en wat al schoonheid genoten!
Wij armen willen zoo gaarne in de wriemeling der alledaagschheid iets edelers zien, en omdat het er doorgaans niet is, moeten wij het zelf maken1), Apolloon102 weet met hoeveel hartzeer, hoeveel genot en, als men jong is vooral, met hoeveel zweetgedrenkte inspanning. - O Muze, machtige moeder, uw aanblik loutert!’
Wanneer hij de inspiratie gevoelde, hield hij de ingeving vast en schreef haar op, hetzij een ruw ontwerp, hetzij een beeld, een klank, een zangerig rijmpaar, zooals wij die op kladjes en reepjes papier hebben gevonden. Geene moeite spaarde hij in het verbeteren. De Mathilde ligt in drie redacties voor ons, en daarnevens tal van wijzigingen. Met angstvallige zorg verfijnde hij en overwoog voorgeslagen103 verbeteringen, - of verdedigde een door hem gekozen en geliefd woord of klank.
Men heeft hem van duisterheid beschuldigd.104 Die duisterheid is een betrekkelijk begrip. Ons klinkt het thans vreemd, dat men in Beethovens werk ten zijnen tijde duisternis, vaak on- en waanzin vond. Het is slechts de vraag aan welke poëzie men gewoon is. Duisternis wijkt voor de inspanning van begrijpen en medevoelen. Men beeldt ook geene fijne of diep liggende gewaarwordingen af met eene gewone dagheldere uitdrukking. Waar een dichter uit de spanning van al zijne vermogens iets verhevens schept, is het niet vreemd, dat een vluchtig lezer bij de eerste inzage niet alle mysteriën daarvan op eens deelachtig wordt. Eerst als de lezer des dichters steilen bergtocht heeft medegemaakt, zal hij mogen verlangen het grootsche uitzicht mede te genieten. Perk meende dat de dichter zijnen lezer moet nopen hem na te fantaseeren, niet lijdzaam maar zelfwerkzaam te lezen.105
Dat zijn zinbouw gedrongen was, zijne woordkeus kieskeurig zocht naar het niet alledaagsche, het klank- en kleurvolle, dat zijne dichtmystiek aan stoute beelden behoefte had, dat ligt in den aard zijner poëzie. Ja, de dichter moet zelfs over meer mogen beschikken dan de grammatica altijd kan goedkeuren; hij moet vaak ook zijne middelen scheppen, en, even als in het schilderen, men kan dikwijls niet anders dan door zekere middelen zekere werkingen teweeg brengen.
Zoo ik hier eenige voorbeelden aanvoer, ik zeg, om eene laffe tegenwerping te voorkomen, er bij: Si licet magnis componere parva.1)106
Wijt aan Rembrandt niet, dat hij in ruwe krassen en geweldig licht-en-bruin Golgotha's drama etst; hoe zou hij het in zachte lijnen en heldere tonen? Wijt het aan Israëls107 niet, dat hij een weemoedig levensdrama in grauwe tonen weergeeft; s'il peint d'ombre et de douleur,108 dan is het als hij weemoed heeft uit te drukken. Als Dante duister is - zijn hellevaart109 is ook geen spelevaart in het zonnetje.
Zonder stouter woord en diepere zinbeelden krijgt men niet een effekt als bij voorbeeld in Perks Iris zoo aangrijpend is.
In zijne Mathilde-sonnetten heeft hij getooverd met de klank en muziek der taal, met de stoutste beeldenpracht. Reeds terstond grijpt hij u aan en doet u trillen, met een begin als dit:
En men lette eens op welk eene gerijpte en volmaakte kunst er ligt in de weinige regels die het grootsche natuurverschijnsel schilderen, en welk eene fijnheid in de dooreengevlochten allitteraties en klanken, in het sonnet dus aanvangende:110
Welk eene muziek in die grandiose verschijning der ‘blonde Muze’ (iv)!111 Welk eene teekening in dit avondlandschap (xv):
De volle maat van zijn gerijpt talent heeft Jacques Perk in de Iris, zijnen zwanenzang, gegeven.1)
Dat hij dit deed met volle bewustzijn van het wezen en de taak der poëzie, blijke uit deze woorden, waarin hij die karakteriseert:
‘De dichter, die helaas niet altijd zoo begrepen wordt als de musicus of de schilder, omdat om hem te begrijpen meer wordt gevorderd dan oor of oog, hoort de engelen zingen en ziet voor zich wat hij in woorden giet. Hij is musicus en schilder en daarenboven denker.113
Weemoed, vreugde, daartoe is alles te herleiden. Dat regelt ook de voetmaat der gedichten.’114
Bij stoutheid van opvatting, hoog dichterlijke fantasie, en met eene samensmelting van Helleensche beeldspraak en moderne diepte van zin, heeft dit prachtige gedicht eene muziek van klanken en rythmen, eene plechtige voornaamheid, welke als geheel in onze poëzie nieuw is.
Nieuw is ook zijne meesterlijke aanwending van het Sonnet en enkele metrische vormen van Shelley.
Men vergete niet dat er velerlei Muzen zijn. Geve, wie wil, voorkeur aan de eene of de andere, wij zullen niet geschokt worden in de overtuiging dat hier eene der hoogste dichtsoorten ons toezingt en dat de verhevene lyrische dichtgodin, die Dante en Petrarca en Shelley op hare vleugelen gedragen heeft, den jongen dichter der beste Mathilde-Sonnetten en van Iris den weg gewezen heeft, waar de hoogste poëzie te bereiken is.
Den 22n September 1881 werd Jacques Perk plotseling ziek.115 Bij eene katharale aandoening van maag en ingewanden,116 voegde zich een abces in de long. Langzaam maar zeker ging het sloopingswerk voort. Lang bleef hij worstelen, want hij smachtte naar het leven en wilde het door geestkracht ophouden. Na eens noch met wanhopige inspanning allerlei voedings- en geneesmiddelen te hebben gebruikt, bedacht hij zich plotseling en zei: ‘Neen, ik geef het op!’ Toen nam hij afscheid van zijne ouders, dankte allen voor hunne liefde, had een teeder woord voor elke zijner zusters en zijnen zwager, herdacht zijne leermeesters en vrienden, vermaakte aan enkelen iets en sprak tot zijnen vader: ‘Ik ga met volle bewustheid de eeuwigheid in; morgen zijn haar mysteriën, waarvoor gij nog staat, mij onthuld.’ Dit was Zondag 30 October. Den volgenden morgen leefde hij noch en zeide tot zijne moeder, die een uur was gaan rusten, met zijnen gewonen humor: ‘Goeden morgen, ik ben er nog.’ Dinsdag 1 November, om 5 uren des namiddags, hield hij op te leven.
Den 5n November is hij op het Oosterkerkhof buiten de Muiderpoort ter ruste gelegd.
Rust, jonge vriend; ik ben overtuigd dat uw machtige dichtgaaf uwen naam zal doen leven, - maar, ik had u noch zoo gaarne zelven onder de levenden wedergezien.
C. Vosmaer