[p. 41]
Mathilde
Een sonnettenkrans in vier boeken
[p. 43]
I
aant.
Zooals eens Dante alleen ter helle inschreed,
En statig, stil, tot Maro hem gemoette,
Zoo wilde ik door de wereld gaan...
Daar, waar het blozen troont, voel ik een gloeien,
Als ik aanbiddend staar naar 't kristallijn
Van 't blauwe diep der oogen, die mij boeien:
Wat hart en hand bezat, is niet meer mijn,
't Veelvuldig lied is uw, dat gij hoort vloeien...
- ‘Uw roeping is, zooals gij zijt, te zijn.’
[p. 45]
I Aan de sonnetten
aant.
Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten,
Gij, kindren van de rustige gedachte!
De ware vrijheid luistert naar de wetten:
Hij stelt de wet, die uwe wetten achtte:
Naar eigen hand de vrije taal te zetten
Is eedle kunst, geen grens, die haar ontkrachtte:
Beperking moet vernuft en vinding wetten;
Tot heerschen is, wie zich beheerscht, bij machte: -
De geest in enge grenzen ingetogen,
Schijnt krachtig als de popel op te schieten,
En de aard' te boren en den blauwen hoogen:
Een zee van liefde in droppen uit te gieten,
Zacht, éen voor éen - ziedaar mijn heerlijk pogen...
Sonnetten, klinkt! U dichten was genieten. -
[p. 46]
II Sanctissima virgo
aant.
't Was bladstil, en een lauwe loomheid lag
En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;
Zwaar zeeg en zonder licht een vale dag
Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.
Toen is het zwijgend zwerk uiteengeborsten
En knetterende donders, slag op slag,
Verrommelden en gromden. Vol ontzag
Look ik mijne oogen, die niet oogen dorsten:
Een schelle schicht schoot schichtig uit den hoogen
En sloeg mij. Ik bezwijmde... ontwaakte, en zag
De lucht geschraagd door duizend kleurenbogen.
Daarboven, in een kolk van licht te pralen,
Stond reuzengroot de Jonkvrouw, en een lach
Voelde ik van haar verengeld aanschijn stralen.
[p. 47]
III Aan Mathilde
aant.
Wanneer de moeder van het licht weêr licht,
En voor heur goud den zwarten mist doet wijken,
Dan laat ze 'er stralen langs de bloemen strijken,
En dankbaar doet elk bloemeke zijn plicht.
Zoodra de bloem de lieve zon ziet prijken,
Dan wolkt ze wierook op in wolken dicht,
En geurenmoeder wordt het moederlicht...
Ik moet, Mathilde, u aan de zon gelijken!
Gij zijt de moeder van deez' liederkrans:
Gij hebt dien met uw zonneblik geschapen
In 't zwarte hart; zoo 't glanst, 't is door úw glans.
Met uwe bloemen krans ik u de slapen,
Uw eigen schepping leg ik om uw hoofd;
Zoo zij uw naam voor eeuwiglijk geloofd! -
[p. 48]
IV Erato
aant.
De purpren avond was in 't west verdwenen
En glanzend zilver droomde op donkere aarde, -
Toen is de blonde Muze mij verschenen...
Mijn ziel werd vuur, toen haar mijn oog ontwaarde -
Geknield strekte ik mijn armen naar haar henen, -
'k Omhelsde louter lucht - ik viel aan 't weenen:
Haar blik was eindloos teêr, toen ze op mij staarde, -
'k Gevoelde een kus op 't voorhoofd - ze openbaarde:
‘Een hooge liefde zal uw hart doordringen:
Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,
Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen, -
En peinzend zult gij't wederzien verbeiden,
En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,
En mijmrend leven van herinneringen.’ -
[p. 49]
V Eerste aanblik
aant.
En peinzend zie 'k uw zee-blauwe oogen pralen,
Waarin de deernis kwijnt, de liefde droomt, -
En weet niet wat mij door mijn adren stroomt:
Ik zie naar u en kan niet ademhalen:
Een gouden waterval van zonnestralen
Heeft nooit een zachter aangezicht bezoomd...
't Is of me een engel heeft verwellekoomd,
Die met een paradijs op aard kwam dalen.
'k Gevoel mij machtig tot u aangedreven
En buiten mij. 'k Was dood, ik ben herrezen,
En voel mij tusschen zijn en niet-zijn zweven:
Wat hebt gij, tooveres, mij goed belezen!
Aan u en aan uwe oogen hangt mijn leven:
Een diepe rust vervult geheel mijn wezen. -
[p. 50]
VI Bekentenis
aant.
De bron van warmte en licht was zacht gezonken
Op 't ver gebergte en tintte d'avondstond, -
In iedre vezel waarde weelde rond,
Die met den koelen dauw werd ingedronken;
Wij doolden om: haar starende oogen blonken,
Een blijde glimlach glinsterde om haar mond, -
't Was of me aan haar geheel een leven bond...
Zij oogde naar de kim van purpervonken:
Mathilde! ik heb u lief... Zoo waar die kammen
Te morgen weêr in purper zullen vlammen,
Wordt gij bemind... Gij zijt zoo godlijk schoon!...
Zij deed als een, die iets op 't hart voelt branden -
Toen sloot zij mij de lippen met de handen,
En... bloosde de avondzon heur bleeke koon?
[p. 51]
VII Smeekbede
aant.
Zooals de zon den dauwdrup, als de roze
De bij, en 't wijde wak der zee de beken
Duldt aan het warme hart, het bodemlooze,
Waarin zij, wat hen lijden deed, ontweken;
Doe gij alzoo, Mathilde! Ik vlood het booze,
Mijn ziel viel u te voet... gedoog mijn smeeken,
Gun mij dat ik u minne, en laat me een pooze
Verzinken in 't u zien en zwijgend spreken:
Ik heb u lief! Geheel mijn wezen trilde
Van diepe vreugd, toen gij mij zijt verschenen,
En 'k moest van eerbied en van weelde weenen:
Toen bleef mijn nacht geen nacht. 'k Had lief, Mathilde!
Als een die niet meer wil, gelijk hij wilde,
Maar met, wat hooger is, zich wil vereenen.
[p. 52]
VIII Zij komt
aant.
Gij, berken, buigt uw ranke loovertrossen!
Strooit, rozen, op het zand èn sneeuw èn blad!
Gij, zwaatlende olmen, nijgt u naar het pad,
En kust den dauw van sidderende mossen!
En, snelgewiekte liederen der bosschen,
Stemt aan én zang én lof! En, klimveil, dat
Den slanken, diepbeminden beuk omvat,
Druk hechter aan de twijgen u, de rossen!
Voorzegger, die uzelven roept, o kom,
En roep uw koekkoek duizend blijde keeren,
En fladder aan, vergulde vlinderdrom!
Zij zweeft hierheen, die zon en zomer eeren:
De lof van hare schoonheid klinke alom,
Waar zon en zomer te beminnen leeren!
[p. 53]
IX Die lach
aant.
Zooals wanneer op eens de zonneschijn
Door 't zwart der breede wolken heen komt breken,
En schittert in de tranen, die er leken
Van blad en bloem, als vloeiend kristallijn,
Zoo dat het weenen lachen schijnt te zijn:
Zoo is, wat mij ontstemt, op eens geweken,
Mathilde! ontsluit uw mond zich om te spreken,
En doolt een glimlach om uw lippen, fijn: -
Doch van den lach is glimlach dageraad,
En klinkt uw lach, hoe drinken hem mijne ooren!
De vreugde vaart door pols en vezel rond, -
En met geloken oog zie 'k uw gelaat
Zoo zonnig: 'k meen uw zilvren lach te hooren,
Wanneer ik roerloos wacht op de' uchtendstond...
[p. 54]
X Morgenrit
aant.
Hoe schudt uw blanke tel den hoogen kop,
En briescht en doet het spichtig oor bewegen,
En stampt het zand tot rots met dof geklop,
En laat den pluim de zilvren zijden vegen.
Daar hebt gij snel uw sneeuwen ros bestegen,
En roept, en rukt, en houdt de trenzen op,
En steigert heen in golvenden galop,
En wendt u in den zaâl, en lacht mij tegen.
Zoo wentelde eens een bolle baar naar land
De schoonheid zelf, de blanke, uit schuim geborene,
Met lokken als uw gouden lokkenvloed.
Heil mij, den tot aanbidding uitverkorene!
Hadde in mijn hart uw ros den hoef geplant,
Zoo 't u kon redden, waar mij 't sterven zoet. -
[p. 55]
XI De schietbeek
aant.
In 't breede lommer van de lage boomen
Glipt, glipt het beekje langs de holle boorden;
Het streelt de blonde bloemen aan zijn zoomen,
En zingt een lied vol murmelende akkoorden.
Toen kost gij, lieve, uw lust niet meer betoomen,
Maar waadde' door de golfjes, die bekoorden:
Zij wijken, nu zij bij uw voetjes komen,
En kussend fluisteren zij liefdewoorden.
Hoe fronsen zich die gladde rozenvoeten
In 't rimpelend kristal... O, laat mij beiden,
Om met een voetkus mijn vorstin te groeten!...
En 'k liet het linnen van haar voeten drinken
Het water, weenend om het wreed verscheiden,
En zag haar oog van frissche blijheid blinken. -
[p. 56]
XII Madonna
aant.
Hoe minzaam heeft uw kozend woord geklonken
Uw zilvren woord, maar al te goed verstaan!
'k Zag in uw oog een glimlach en een traan,
Blauw bloempje, waarin morgenparels blonken;
Gij wijst mij naar de moedermaagd, ik waan
Mij in aanbidding voor haar weggezonken...
Daar voel ik me eindeloozen vreê geschonken:
Ik zie naar haar - Mathilde, u bid ik aan:
Gij, die de moeder mijner liefde zijt,
Zijt moeder Gods, want God is mij de liefde:
U zij mijn hart, mijn vlammend hart gewijd!
Een kerk rijst allerwegen aan uw zij -
O, deernisvolle ziel, die niemand griefde,
O, mijn Madonna! bid o bid voor mij!
[p. 57]
XIII Ochtendbede
aant.
De Nacht week in het woud, en bij haar vluchten
Heeft ze op struweel en bloem een dauwkristal
Geweend, dat glinstert in de zon, en zuchten
Luwt ze uit het woud langs berg en beemd en dal;
En daar, op 't smalle pad, in hooger luchten,
Ontwaar ik haar, die wuift, mijn ziel, mijn al,
Doch uit mijn hart rijst naar die hooge luchten
De klacht: hoe klein, hoe klein is mijn heelal!
Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,
En 's hemels blauw is 't blauw dier droomende oogen, -
Haar boezem is de berg en 't golvend woud:
O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,
Waarin mijn aangezicht haar liefde aanschouwt, -
Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!
[p. 58]
XIV Zij sluimert
aant.
Zij rust in 't malsche mos en houdt gebogen
Dien arm, dien mos en lokken beiden streelen, -
Een sprei van groene schaduw, zacht bewogen,
Daalt uit de zilverloovers der abeelen;
Zij ademt zuchten en zij lacht, als togen
Er droomen door heur ziel, die vroolijk spelen:
O, zoete hoop! Straks opent zij heure oogen,
Straks zal de hemel nieuwe heemlen telen:
Slaap zacht! Ik zie den donkren nacht genaken,
Dat gij uw oog voor eeuwig houdt geloken, -
Dan sluimert gij, maar kunt niet meer ontwaken:
Dan zal de zode, die gij dekt, ù dekken,
Dan zal geen zonnestraal uw lippen strooken,
Geen lied van 't woud u uit dien sluimer wekken. -
[p. 59]
XV Avondzang
aant.
Het zuidewindje suist door zwarte twijgen,
En kust het slapend dons der zangers teeder, -
De zilvren boomen wiegen heen en weder,
En doen hun schaduw met hen mede nijgen, -
Een stille zwoelte komt uit de akkers stijgen,
Een koele stilte daalt op donzen veder, -
De zilvren nachtzon sprenkelt droomen neder,
En lacht van liefde in eeuwig-lachend zwijgen:
Mathilde sluimer! Zomernacht doet droomen,
En zomerdroomen zijn van manestralen,
En manestralen zijn als liefdestroomen:
De liefde doen zij uit den hemel dalen,
En dalen in de ziel, die zij vervromen:
Is liefde dwaling, kan men zoeter dwalen...?
[p. 60]
XVI Belijdenis
aant.
- ‘Gelooft ge aan God?’ - ‘Mathilde!’ - ‘Bidt gij aan?’ -
- ‘'k Gevoel mij klein bij al wat is verheven,
En ik aanbid!’ - ‘Uw God is zonder leven!’ -
- ‘Kan zonder leven de Natuur bestaan?’
- ‘Smeekt ge om genâ, voor wat gij hebt misdreven?
Zwaar tuchtigt Jezus wie daar heeft misdaan!...
Gij zijt niet goed! Wie alles heeft gegeven,
Wil daarvoor dank!’ - Toen ben ik heengegaan:
En naar den blauwen hemel, die zoo effen
Zich welfde, hief ik 't droomende aangezicht,
En voelde mij in 't rijk des vredes heffen:
‘Gij, (sprak ik) levenwekkend, eindloos licht!
Gij doet aan 't hart, dat in u leeft, beseffen:
Gelooven, bidden is Mathilde's plicht!’
[p. 61]
XVII De bergstroom
aant.
- ‘De bergstroom doet de gauwe golfjes deinen,
En schuimt er mede heen, zie... eer zij komen, -
Daar waren zij, daar zijn ze en zij verdwijnen:
Heeft al een ander me uit uw hart genomen?’
- ‘Zie hoe er 't golfje leeft in lange lijnen:
Zoo leeft uw beeltnis altijd in mijn droomen, -
Straks zal het in het land der zee verschijnen:
Zoo toeft uw beeld me aan vaderlandsche zoomen.’ -
- ‘Straks smelt het henen in de holle baren
Der vaderlandsche zee - waar is 't gebleven?
Zoo weinig zal uw hart mijn beeld bewaren.’
- ‘Geef aan de zee - nooit zal zij wedergeven, -
In 't hart waar liefde en eindeloosheid paren,
Daar zal Mathilde, als 't golfje in zee, in leven!’
[p. 62]
XVIII Scheiding
aant.
De voerman zwaait de zweep, ik hoor ze knallen;
De wagen ratelt langs de helling heen;
De rem knarst tegen 't wiel, de schellen schallen;
De hut, die haar bevat, rijst en wordt kleen:
Klein wordt de kluis, waarin de maagd verdween,
Die me als godin gedaagd is, duizendtallen
Bloesems om 't hoofd - ze is aan mijn hart ontvallen,
En 't hart, dat stierf in haar, leeft... maar alleen:
Vloeit nu gerust, gij, ingehouden tranen!
Met u moet zich de smart een uitweg banen:
Wat ware een traan, zoo daar geen ziel in trilde?
Spreekt, tranen, dan 't ‘vaarwel’, dat ik niet vinde,
Ik wilde zeggen, hoe ik haar beminde,
En alles, wat ik zeide, was: ‘Mathilde!’
[p. 63]
II
aant.
Het scheidingsuur van tranen en gefluister
Vlamt door de ziel, die scheidend minnen leert.
[p. 65]
XIX Dorre bloemen
aant.
Daar walmen warme geuren om mij rond...
Hoe kleurig al die duizend bloemen pronken!
Zij buigen zacht, van eigen geuren dronken,
De ranke kopjes, als Mathilde blond...
Mathilde...! o, dat zij mij nu ook verstond!
Hoe dikwijls heb ik haar een bloem geschonken,
En werd met bloemen dan beloond of lonken,
Die ze om mijn handen en mijn harte wond:
Die bloemen, liefdegeurend na het sterven,
Die met het leven geur en kleuren derven,
Herleefden dood, maar als vergeet-mij-nieten -
Wat zal ik nu nog blonde bloemen plukken?
Mag ik ze niet meer op haar boezem drukken,
Zoo mogen ze ongetinte vruchten schieten!
[p. 66]
XX De maan verrijst
aant.
Het duister doet de tinten samenvlieten
En dekt met fulpen nacht het schel azuur, -
Nu gaat de glimvlieg heen en weder schieten,
Gelijk een star, gelijk een dansend vuur:
De stilte bidt. - Een tempel is natuur,
En de aard voelt zich met vrede als overgieten...
Het is dezelfde heilige avonduur',
Als toen ik 't eerst heur aanblik mocht genieten:
Eerbiedig denk ik aan het jong verleden:
Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden,
Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog -
Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?...
Daar is de maan in al haar glans verrezen...
Zoo rijst Mathilde voor het droomend oog!
[p. 67]
XXI Mijmering
aant.
Voor ik haar had gezien was dof en koud
De zomersche natuur, zoo warm en licht, -
In 't beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout,
Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht;
Haar lief te hebben werd mij tot een plicht,
Toen ik haar 't eerst en lang had aangeschouwd, -
Elke ademtocht was slechts aan haar gericht, -
Zij scheen me éen enkel wezen, duizendvoud:
Zij was, veelvuldig mededoogend, éen:
Een klaar verstand streek over diep gevoel,
Gelijk een vlotte beek langs bloemen heen;
Zij, waardig duizend zielen aan te biên,
Worde aan den waardigste ten levensdoel!
Ik zei vaarwel: ik zal haar wederzien.
[p. 68]
XXII Gescheiden
aant.
De kluis, getuige van ons noode scheiden,
Leeft in mijn peinzende herinnering,
Zij werd mij paradijs, omdat ze ons beiden
In de' eersten stond van liefde, 't laatst, omving.
Éen kus ten afscheid, toen twee harten schreiden,
Verheugde 't hart, dat haar aan 't harte hing...
Maar, die der liefde 't leven wou bereiden,
Schonk leven aan den dood: zij bleef, ik ging.
Dien dag was heel mijn ziel éen afscheidslied;
Des avonds heb ik mij in slaap geweend,
En van mijn weenen ben ik weer ontwaakt.
Thans zie ik vreemden, maar Mathilde niet:
Ik mis haar en mijn droomend harte meent,
Dat eenzaam dolen het gelukkig maakt.
[p. 69]
XXIII Intrede
aant.
Steil rijst de rots, en braam en stekelwisch,
Die hatende aan heur breede flank zich kleefden,
Behoeden daar een poel van duisternis,
Waarom ze een doornenkrans van weedom weefden;
Gelijk te middernacht een rosse smids',
Zoo zoekt die muil - waar nacht en stilte zweefden
Om uit te wellen nu het uchtend is -
Den blik, die ijst voor waar nooit zielen leefden.
't Is of die opgespalkte wolvekaken,
Die zwelgen willen al wat lieft en leeft,
Den dood met vunzigkillen adem braken;
Zooals men voor een donkre toekomst beeft,
Beef ik: ik wil, wil niet dien nacht genaken...
Ik ga - en nergens is wat lichtgloed geeft.
[p. 70]
XXIV Nedervaart
aant.
Gelijk wen sluiers zweven voor de maan
En 't zwerk de duizend oogen houdt gesloten,
En al wat kleur had die is kwijtgegaan, -
Een spooknacht uit den hemel is gevloten...
Zoo is het hier, waar men geen blik kan slaan
Op iets dat is, en blindheid is gesproten
Uit zwarten nacht, waar men zich voelt bestaan
En niet, en vingers tegen steen laat stooten:
De voet, die volgt, staat hooger dan die treedt,
En de onbezielde stilte wijkt ter zijde,
Terwijl ik, of hier wanden zijn, niet weet;
De zool, die zinkt en zuigt, baart, waar ik glijde,
Een doffen smak, en... angstig, klam van zweet,
Is daar een koude wand, dien 'k tastend mijde.
[p. 71]
XXV Fakkelglans
aant.
Hier is het lachend morgenrood een logen
En 't leven en 't genot! - Langs steenen bochten
Komt uit de verre diepte een licht gevlogen
(Gelijk een glimvlieg) en teelt wangedrochten;
Al wilder wordt de vlam: in gloênde bogen
Golft bloedig licht door 't gapend hol der krochten,
En doet hun duister zien aan duizlende oogen,
Die gruwen voor wat dood en stilte wrochtten;
Nu trilt mijn schaduw langs de grauwe wanden,
Nu sjirpt de heesche nacht daar in den hoogen,
Waar 't grimmelt aan des helschen hemels randen,
Van wie daar fladdrend kleven aan de togen...
O, God! Mathilde... ik zie uw beeld mij wenken,
En moet aan u, geluk en liefde denken!
[p. 72]
XXVI De grotstroom
aant.
Het breed gewelf, door rossen gloed beschenen,
Is ruig van stugge pegels, grauw en goor,
Die weenen, weenen, duizend eeuwen door,
En tot het eind van duizend eeuwen weenen;
En 't kromt zich over warrelrotsen henen,
Waar elke traan, die viel, een traan verkoor,
Om tot albast te worden en ten schoor
Aan nieuwe smart, die kegels wordt en steenen:
En daar, waar zonnestraal nooit in kon dringen,
Waar nooit het oog der toorts een bodem zag,
Schijnt kermend zich een reus in boei te wringen:
Wat of dat klotsen toch beduiden mag,
Dat jammeren, dat de echoos ondervingen?...
Uit diepte en afgrond stijgt een eindloos ‘ach!’
[p. 73]
XXVII De holle berg
aant.
‘O zonlicht!’ - Op een dennenwoud van rotsen,
Wier top mijn langste schaduw niet genaakt,
Is 't of een sombre reus zijn hel bewaakt,
En, wat zich roert, dreigt met granieten knotsen.
Geen einde links, geen rechts; het duister braakt
Gore gevaarten; eeuwge tranen trotsen
Alleen de stilte en dood; de harstoorts kraakt;
De voet doet kei op kei in de' afgrond klotsen.
Die starrenlooze hemel, holle berg -
Die leegte, die zich rondt in 't nederwelven...
Een leeuwenmuil oneindig opgesperd!
Daar grimmen tanden hier en in de vert'...
Mathilde!... Koude huivert mij door 't merg...
En 'k voel een diepe duizling me onderdelven...
[p. 74]
XXVIII Het rijk der tranen
aant.
Een waterval, gestremd in 't vallen, boomen,
Verstijfd bij 't wortlen in de holle schacht,
En schepselen van duizend nare droomen...
't Is alles dood en steen en ijs en nacht.
De geest der hel, die dit heeft voortgebracht,
Doet vloek en klacht door leêge stilte stroomen:
Gij, rijk der tranen, waar de dood slechts lacht,
Baart angst en niet der schoonheid huivrend schromen:
Leen ik mijn ziel aan u en leef uw leven -
Ik ben ontzield: gij hebt mij stug en wreed
Op mij terug en dus tot haat gedreven.
Mathilde! - U belijde ik, hoe ik leed:
Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven,
En wilde minnen, daar ik dichter heet!
[p. 75]
XXIX Dag
aant.
En over 't wak van pek, dat schijnt te schragen
Het hol gewelf, waar langs een doodendans
Van fakkelglansen spookt, voel ik mij dragen
Door wagglend hout... 't licht dooft - 't is duister thans...
Nu drijft de kiel, waar een albasten trans
Zóo rijst, als zinkt het diep der waterlagen, -
En uit de verte lokt een maanlichtglans,
Een troost van medelij voor wie vertsagen:
Een kreet van levenslust dringt uit het hart,
En duizendwerf tot in het hart der aarde,
Weergalmt hij door het doodenrijk der smart...
Dáar is het licht, het leven, liefde en lust,
't Is of ik 't alles nooit voorheen ontwaarde,
De traan wordt lach en de onrust zoete rust.
[p. 76]
XXX O zomer!
aant.
O zomer, met uw lokken, glanzend gouden,
En met uwe oogen, blauw gelijk de wanden
Van 't rondend hemeldak, en sneeuwen handen,
Die bloemenslingers slank gebogen houden!
Wier geurige adem zucht door rijs en wouden,