terug  begin  verderprepost
[p. 123]

De schim van P.C. Hooft

[p. 125]

De schim van P.C. Hooftaant.

 
Aan Dr. W. Doorenbos
 
Ik heb de schim des drossaarts aangeschouwd.
 
 
 
Groot schreed hij voort, het lokkig hoofd omblonken
 
Van ronden gloed en geluwglanzend goud,
 
Gelijk een god, in mijmerij verzonken.
 
 
 
Hoog, van de schoudren opwaarts, rees zijn leest
 
De schaar te boven, die, van vreugde dronken,
 
Bijëengevloeid was tot zijn heugnisfeest.
 
 
 
En waar zij hem bewondering betaalde,
 
Loeg hij den hemel aan, de zonne 't meest,
 
Die wederlachte en alles overstraalde.
 
 
 
Een minnedicht speelde om den fijnen mond,
 
Doorhonigd van gezang; uit de oogen daalde
 
Zijn schalkheid, die geen droefenis verstond.
 
 
 
En over 't welvend voorhoofd der gedachten
 
Waarde eene waarheid, zwevend nog en bont,
 
Waar 't klare woord en de effen verf op wachtten.
 
 
 
Dus trad hij aan, in onrustzwangre rust,
 
Daar langs zijn fulpen dos de blikken lachten
 
Der zon, die hem tot dichter heeft gekust.
 
 
 
En zoo ontving, wiens roem deez' dag vervulde,
 
Op 't grauwe slot - zijn woonstede - onbewust,
 
Den dank zijns lands, der eeuwen eeuwge hulde.
prepostterug  begin  verder