| Bladz. 24. | Stervende dichter. Heinrich Heine. |
| Bladz. 25. | Bacon. De Augm. Scient. iii. 1.1 |
| Bladz. 26. | ‘Men had de verbeelding,’ enz. Ik weet wel, dat W. in zijne bekende voorrede, beweert dat hij throw(s) over (his poems) a certain colouring of imagination,2 maar toch juist bij die stukken der Lyrical Ballads, van welke de dichter de meeste verwachting had, is deze tint het flauwste uitgevallen. |
| Bladz. 43. | Dit en de andere motto's zijn van Perk's hand. |
| Bladz. 45. | Sonnet I. r. 3, 4 en 8. vgl. In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister,
Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.
Goethe.3
Gedrukt in ‘Nederland’ 1880.
|
| Bladz. 46. | Sonnet II. Datum Juni 1880 (de vervaardiging der Mathilde over het geheel valt in de laatste maanden van 1879). Gedrukt in N. Spectator 1881. |
| Bladz. 48. | Sonnet IV. Gedrukt in ‘Nederland’ 1880. |
| Bladz. 49. | Sonnet V. r. 1. zeeblauwe oogen. Caerulei oculi.4
r. 4-5 Vgl. Vondel. Lucifer. i. Nu blinckt geen Serafijn, etc.5 r. 11. De herhaling van ‘voel’ is niet fraai, maar de zaak was niet met een lichte verandering te herstellen. |
| Bladz. 53. | Sonnet IX. r. 9 vgl. En is geen lachjen, neen; maar lachens dageraad.
Hooft.6
|
| Bladz. 55. | Sonnet XI. Gedrukt in ‘Nederland’ 1881. |
| Bladz. 57. | Sonnet XIII. r. 13 is niet te zuiver. |
| Bladz. 58. | Sonnet XIV. Gedrukt in ‘Nederland’ 1881. |
| Bladz. 67. | Sonnet XXI. r. 10 en 11. vgl. Vondel.
Jozef in Dothan i. Gelijk langs eene beek de bloemen schooner schijnen, etc.8 r. 12 grammatisch onjuist. |
| Bladz. 69. | Sonnet XXIII-XXIX. Deze zeven sonnetten zagen, met nog drie |
| anderen, voor het eerst het licht in den N. Spectator van 3 Sept. 1881, als een afzonderlijk geheel, onder den titel van: ‘Eene Helle- en Hemelvaart’. Bij deze volledige uitgave van den Mathilde-krans moesten zij natuurlijk in hunne oude plaats terugvallen.9 | |
| Bladz. 70. | Sonnet XXIV r. 1-3 Quale per incertam lunam sub luce maligna
Est iter in silvis; ubi coelum condidit umbra
Juppiter et rebus nox abstulit atra colorem.
Vergilius.10
|
| Bladz. 72. | Sonnet XXVI. r. 5. andere lezing: ‘En 't stolpt zich’, etc.11 |
| Bladz. 74. | Sonnet XXVIII. r. 12. andere lezing: ‘Mathilde! U kan ik zeggen, hoe ik leed.’12 |
| Bladz. 76. | Sonnet XXX. r. 4-8. De consecutio temporum13 is niet te zuiver. |
| Bladz. 77. | Sonnet XXXI. Gedrukt in ‘Nederland’ 1880. |
| Bladz. 80. | Sonnet XXXIV. Datum Augustus 1880. |
| Bladz. 82. | Sonnet XXXVI. Gedrukt in ‘Nederland’ 1880. |
| Bladz. 87. | Sonnet XXXIX. Niet om de voortreffelijkheid van uitdrukking, die veel te wenschen overlaat, maar terwille van de stemming, die niet, in het verband, gemist kon worden, hebben wij dit sonnet een plaats onder de overigen gegund. De laatste regel echter vergoedt veel, van wat de anderen misdrijven. |
| Bladz. 93. | Sonnet XLV. ‘der muur’, terwille van de euphonie.14 |
| Bladz. 96. | Sonnet XLVIII. r. 6. ‘slank.’ Verg. Aen. vi. 293.15 |
| Bladz. 97. | Sonnet XLIX. Gedrukt in N. Spectator van 9 Oct. 1880. |
| Bladz. 98. | Sonnet L. ‘der plicht’, terwille van de euphonie. |
| Bladz. 100. | Sonnet LII. Gedrukt in ‘Nederland’ 1881. |
| Bladz. 101. | Sonnet LIII. Gedrukt in ‘Nederland’ 1881. |
| Bladz. 102. | Sonnet LIV. Gedrukt in N. Spectator van 3 Sept. 1881. Datum Augustus 1880. |
| Bladz. 105. | Sonnet LV. Datum Juli 1880. Quatrijn. 2. vgl. Ecce deus ramum Lethaeo rore madentem
Vique soporatum Stygia super utraque quassat
Tempora: cunctantique natantia lumina solvit.
Vergilius.16
|
| Bladz. 107. | Sonnet LVII. Gedrukt in den N. Spectator van 9 Oct. 1880. |
| Bladz. 109. | Sonnet LIX. Idem. |
| Bladz. 115. | Sonnet LXV. Idem.17 |
| Bladz. 116. | Sonnet LXVI. Dit sonnet behoort niet tot de fraaisten maar het werd opgenomen terwille van het verband. |
| Bladz. 119. | Sonnet LXIX. r. 1-2. vgl. Verg. Aen. ii. 793-94.18 | ||
| Bladz. 121. | Sonnet LXXI. Datum voorjaar van 1881. Gedrukt in den N.
|
||
| Bladz. 125. | De schim van P.C. Hooft. Geschreven naar aanleiding der
Hooftfeesten, 15 en 16 Maart 1881. Gedrukt in den Spectator van 26 Maart 1881. r. 5. van de schoudren opwaarts. Op deze uitdrukking is indertijd aanmerking gemaakt en niet geheel ten onrechte. De schikking der woorden eischt, dat men het woord ‘schoudren’ op Hooft toepast, de zin natuurlijk niet. Vgl. i Samuel 9, 2: ‘van zijn schouderen en opwaarts was hij hooger dan al het volk’ en 10, 23. Saul stak dus met het hoofd slechts boven de schare uit. Nog anders Verg. vi. 667-68: Medium nam plurima turba hunc habet atque umeris extantem suspicit altis.20 |
||
| Bladz. 129. | Iris. Datum Juni 1881; geweigerd door de ‘Gids’, op grond van drie onzuivere uitdrukkingen, die met een kleinigheid te veranderen waren, en door den dichter-zelven ook veranderd zijn.21 ‘Iris’ kan door de diepte van het sentiment en den rijkdom der verbeelding, zoowel als door de juistheid van uitdrukking en de zoetheid der melodie, met het schoonste wedijveren, wat ooit een eeuw of volk heeft voortgebracht. Haec est finis.22 De opmerking, in der tijd ergens gemaakt, als zou het gedicht een navolging zijn van een gelijknamig stuk door den Amerikaanschen poëet Bayard Taylor, is geheel en al uit de lucht gegrepen.23 r. 9. uit de diepte omhoog. vgl. Shelley ‘the Cloud’ ‘from the depth above.’ | ||
| Bladz. 133. | Onder 't loover. Datum 1879. | ||
| Bladz. 134. | Drie liedjes. Datum 1879 of begin van '80. | ||
| Bladz. 137. | Doodenklacht. Datum 1878. In het handschrift staat: ‘Geschreven onder 't aanhooren van Beethoven's Mondschein-sonate.’ | ||
| Bladz. 138. | Duif en sperwer, door den dichter geschreven voor den Mathilde-cyclus; door ons afzonderlijk geplaatst, omdat het in geenerlei verband met de overige sonnetten van dien krans staat.24 Gedrukt in den N. Spectator van 9 Oct. 1880. | ||
| Bladz. 139. | Avond en | ||
| Bladz. 140. | Levenswijsheid. Deze beide sonnetten hebben wij gekozen uit een veertigtal, geschreven van Mei-November 1880, die niet voor openbaarheid geschikt zijn.25 Het laatste werd door P. gezonden, en opgenomen, als bijdrage voor het Conscience-album.26 | ||
| Bladz. 141. | Donkere oogen. Dit stukje geven wij niet om zijn voortreffelijk- |
| heid, maar als voorbeeld van een voetmaat en een rijmorde, die de dichter anders niet gebruikt heeft. Datum Januari 1881. | |
| Bladz. 142. | Een droom. Datum 1881. |
| Bladz. 143. | Vroegmis, uit de ‘Mathilde’. |
| Bladz. 144. | Dropsteen, evenzoo. |
| Bladz. 145. | Gouden lokken. Datum 1879. |
| Bladz. 146. | Een glimlach. 1880 of '81. |
| Bladz. 147-148. | Avondstond en Nacht. 1880. |
| Bladz. 149. | Zonsondergang uit de ‘Mathilde’ 1880. |
| Bladz. 150. | Blanke Handen, idem 1879. |