terug  begin  verderprepost
[p. 157]

Annotaties

[p. 169]

Gedichten

pagina regel
    motto boek i
     
43 1-3 Deze regels zijn niet in de handschriften van Perk teruggevonden.
  1 Dante: Dante Alighieri (1265-1321), hier genoemd als auteur van, en ik-verteller in zijn in terzinen geschreven Divina commedia (ong. 1307-1321), opgebouwd uit de onderdelen ‘Hel’, ‘Louteringsberg’ en ‘Paradijs’.
  2 En statig, stil: nevengeschikt aan alleen (r. 1) als bepaling bij Dante en inschreed.
  2 Maro: Publius Vergilius Maro; trad op als begeleider van Dante bij diens tocht door de hel in de Divina commedia.
  2 Gemoette: tegemoetkwam, (toevallig) op zijn weg tegenkwam.
  4-9 Daar, waar [...] te zijn.': terzetten van het sonnet ‘Voorgevoel’, dat als volledig sonnet pas in de vierde, uitgebreide en gewijzigde druk van Perks Gedichten (1901) door Kloos weer aan de krans is toegevoegd.
    i aan de sonnetten
     
45 3 - 4 Deze regels zijn wellicht ontleend aan Goethes ‘Das Sonett’: ‘Denn eben die Beschränkung läßt sich lieben,/Wenn sich die Geister ganz gewaltig regen.’ (Want juist de beperking laat zich beminnen/als de geest flink in vervoering raakt.) De strekking van Perks r. 4 is gelijk aan die van r. 8.
  6 Ontkrachtte: de handschriften hebben ‘ontkrachte’, d.w.z: krachteloos zou kunnen maken.
  7      Vernuft en vinding: mogelijk een tautologische aanduiding van ‘talent’, i.c. ‘scheppend vermogen’, of van de ‘geestkracht’ (zie r. 9); maar de woorden kunnen ook complementair zijn: verstand en begaafdheid (in de zin van rede en creativiteit).
  7 Wetten: scherpen.

[p. 170]

  9 De handschriften v en k hebben een komma na ‘De geest’.
  10 Popel: populier.
  10 Op te schieten: (snel) omhoog te stijgen.
  11 Den blauwen hoogen: de blauwe hemel.
  13 Zacht: de handschriften en de versie gepubliceerd in Nederland (1881) hebben: ‘Doch’.
    ii sanctissima virgo
     
46 - Sanctissima Virgo: Allerheiligste Jonkvrouw of Maagd. Referentie aan de bezongen geliefde én aan de heilige moedermaagd Maria. Dit sonnet behoorde aanvankelijk tot de reeks gedichten die Perk in de zomer van 1880 voor Kloos schreef; met enige wijziging nam hij het vervolgens op in ‘Eene helle- en hemelvaart’, de cyclus van tien sonnetten, gewijd aan Joanna, gepubliceerd in De Nederlandsche spectator van 3 september 1881.
  2 Dorstten: dorst hadden.
  3 Zwaar zeeg en zonder licht [...]: zwaar en zonder licht daalde langzaam [...] neer.
  7 Verrommelden: maakten een dof rommelend (en wegstervend) geluid.
  8 Look: sloot.
  8 Die niet oogen dorsten: die niet durfden te kijken (‘oogen’ staat in het wnt als verouderd te boek).
  9 Schelle schicht: felle bliksemschicht.
  11 Geschraagd: ondersteund.
  12 Pralen: schitteren, stralen.
  14 Aanschijn: gelaat, gezicht (in dichterlijke stijl).
    iii aan mathilde
     
47 1           Weêr licht: opnieuw licht verspreidt.
  3 'er: door proclise ontstaan uit ‘heur’.
  12 - 14 De laatste terzine wijkt van alle handschriften af, en is vrijwel geheel van Kloos. Zo heeft handschrift k: ‘Uw eigen schepping druk ik op uw slapen,/ die geurt door u en voor u geurig werd -/ik drukte in u een ideaal aan 't hart!’ In die versie vindt de slotregel van dit gedicht een parallel in de slotregel van het andere gedicht ‘Aan Mathilde’, sonnet lxx.
    iv erato
     
48 - Erato: de muze van het minnedicht, vaak afgebeeld in gezelschap van Eros, de god der liefde.
  4 Toen haar mijn oog ontwaarde: toen mijn oog haar ontdekte, zag.
  6 Viel aan 't weenen: begon te huilen.
  10 Zalig zijn is een emendatie van Kloos; de handschriften en ook de gepubliceerde versie in Nederland (1880) hebben: ‘wederzien’.
  11 Zingen: bezingen, of: in dichtvorm behandelen.
  12 't Wederzien verbeiden: wachten op het weerzien.
  13 Leiden: doen gaan.

[p. 171]

    v eerste aanblik
     
49 1 Pralen: schitteren, stralen.
  2 Deernis kwijnt: medelijden, mededogen met zachte gloed schijnt.
  3 Adren: Perks handschriften hebben ‘aren’ dan wel ‘âren’, minder verwarrende beknottingen van ‘aderen’.
  10 En buiten mij: en ik gevoel mij machtig buiten mezelf gedreven (en ik ben geheel uit m'n gewone doen).
  12 Belezen: door bezwering verlost van of gevrijwaard voor boze geesten (maar ook: vertederd, bekoord).
    vi bekentenis
     
50 2 Tintte: kleurde, gaf een kleurnuance aan.
  8 Oogde: zag, keek.
  9 Kammen: bergruggen.
  14 Bloosde: deed blozen (thans geheel in onbruik).
  14 Koon: wang.
    vii smeekbede
     
51 3 Het bodemlooze: het bodemloze hart.
  4 Waarin de dauwdrup, de bij en de beken dat ontweken wat hen lijden deed.
  5 Vlood het booze: vluchtte weg van het kwaad, de zonde.
  6 Viel u te voet: knielde aan uw voeten.
  11 De handschriften v en k hebben: ‘als een’, die droomend doet van weelde weenen' (v heeft ‘een’, zonder apostrof).
  14 Maar als iemand die zich wil verenigen met wat meer verheven is dan hijzelf.
    viii zij komt
     
52 2 En sneeuw èn blad: (hendiadys) sneeuwwitte bladeren: de witte bloem-blaadjes van de rozen.
  3 Zwaatlende: zacht ruisende, lispelende.
  5 Snelgewiekte liederen: zangvogels die snel kunnen vliegen.
  6 Stemt aan: begint te zingen.
  6 En zang én lof: (hendiadys) lofzangen.
  6 Klimveil: klimvaren.
  8 De rossen: de rode, namelijk: de rode twijgen.
  9 Voorzegger: profeet.
    ix die lach
     
53 3 Leken: lekken, neerdruppelen.
  7-8 Ontsluit [...] fijn: wanneer uw mond zich opent om te spreken en er een glimlach om uw fijne lippen dwaalt.

[p. 172]

  10 En klinkt uw lach: en wanneer uw lacht klinkt.
  11 Vaart door pols en vezel rond: stroomt door geheel het gemoed en het lichaam.
  12 Geloken: gesloten.
    x morgenrit
     
54 1 Tel: telganger, een paard dat beurtelings de beide rechter- en de beide linkerbenen vooruitzet; dergelijke paarden werden om hun minder schokkende gang veelal door vrouwen en geestelijken bereden, aldus het wnt (dl. xvi, kol. 1388).
  3 Stampt het zand tot rots: stampt het zand weg zodat de rotsgrond te voorschijn komt.
  4 Pluim: staart.
  5 Sneeuwen: witte (vergelijk blank in r. 1 en zilvren in r. 4).
  6 Trenzen: teugels (eigenlijk: paardenbitten, bij uitbreiding: tomen). Trenzen is een emendatie van Kloos; Perk schreef in handschrift v ‘leizeels’, dat hij verving door ‘strengen’, welk woord hij behield in de handschriften k en p.
  8 Zaâl: zadel (hier nog als mannelijk woord gebruikt).
  8 En lacht mij tegen: en ziet mij vriendelijk lachend aan.
  10 Deze regel refereert aan de voorstelling van de geboorte van Afrodite, godin van de liefde en schoonheid uit het schuim van de zee; zij symboliseert de schoonheid, het opbloeien van de natuur in de lente en de seksuele aantrekkingskracht en het genot van de liefdesdaad.
  10 De schoonheid zelf: lijdend voorwerp bij wentelde: Zo wentelde eens een bolle baar de schoonheid zelf naar land.
  12 Heil mij: moge voorspoed mij deelachtig worden (maar zo'n heilswens kan ook betrekking hebben op een reeds voorgevallen geluk).
  14 Waar mij 't sterven zoet: handschrift v heeft: ‘kuste ik nog den hoorne'!’ (‘hoorn’ is de stof waaruit o.a. de hoeven van paarden bestaan); handschrift k heeft: ‘kuste ik nog dien hoorne'! -’ (waarbij Kloos aantekende: ‘afschuwelyk!’; handschrift p heeft: ‘kuste ik nog dien voet! -’ De hier gepubliceerde versie is van Kloos' hand. Regel 11 ontleende Kloos, wegens het rijm, aan p; deze regel luidt in v en k: ‘Met uwe lokken, goud als 't golvend strand.’
    xi de schietbeek
     
55 - Schietbeek: snel stromende beek (die zich bruisend van een berg neerstort).
  5 Kost: kon.
  6 Waadde': waadde (geknotte vorm van de ouderwetse verledentijdvorm ‘waaddet’).
  10 Beiden: wachten.
  13 Verscheiden: vertrek, scheiden (vaak ook in de betekenis: overlijden).
  13 Weenend om het wreed verscheiden: bepaling bij Het water, dat fungeert als lijdend voorwerp bij drinken (r. 12.).
  14 De verleden tijd (liet, zag) kan worden opgevat als potentialis (zou laten, zou zien), omdat de ik-figuur vooruitloopt op wat het geval zou kunnen zijn indien hij zou beiden (zie de schroom in vi ‘Bekentenis’).

[p. 173]

    xii madonna
     
56 - Madonna: letterlijk opgevat als Italiaans voor: ‘Mijn vrouwe’, dan wel als aanduiding voor de Heilige Maagd Maria, de Moedermaagd (vergelijk r. 5 en 10); vergelijkbaar met de titel van sonnet ii: ‘Sanctissima Virgo’.
  1 Kozend: minnekozend, vleiend, liefhebbend.
  8 Een sterk chiasme, waardoor het aanzien van Maria komt te staan tegenover het aanbidden van Mathilde.
  13 Deernisvolle: medelijden-, mededogenvolle.
  13 Griefde: verdriet aandeed.
  14 Deze regel refereert aan de rol van Maria als voorspraak bij God (‘Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars’).
    xiii ochtendbede
     
57 - Ochtendbede: ochtendgebed.
  2 Struweel: struikgewas.
  3-4 En zuchten/Luwt ze: en lichte windvlagen doet ze afnemen.
  12    Hemelbogen: hemelgewelven.
  13 De handschriften hebben: ‘waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt’, zodat de identificatie van de vrouw met de natuur/kosmos volgehouden wordt en de ik-figuur in de ondergeschikte rol en object-rol blijft.
  14 Heelal: laatste onderdeel van de enumerarie zomer, zonneschijn en hemelbogen, of: bijstelling bij haar liefde (r. 13).
    xiv zij sluimert
     
58 4 De zilverloovers der abeelen: de lichte, schijnbaar van zilver gemaakte bladeren van de witte populier. De abeel staat volgens het wnt ‘vooral, om het zoete geruisch der bladeren, bij dichters hoog aangeschreven’ (volgen citaten van acht negentiende-eeuwse dichters vóór de Tachtigers, van Helmers tot en met Ter Haar). En: ‘Inzonderheid wordt de abeel voorgesteld als de boom, in wiens lommer en liefelijk gesuis de liefde haar lustoord vindt’ (wnt dl. i, kol. 604).
  5 Togen: trokken.
  7 O, zoete hoop!: emendatie van Kloos. Handschrift v heeft: ‘Door 't vroolijk hart’. Handschrift k heeft: ‘in 't vroolijk hart’, en handschrift p: ‘In 't vroolijk hart’.
  13 Strooken: strelen.
    xv avondzang
     
59 2 Zangers: (zang)vogels.
  3 De zilvren boomen: mogelijk abelen (vergelijk xiv ‘Zij sluimert’, r. 4), maar zie r. 7: door het maanlicht lijken de bomen van zilver.
  6 Op donzen veeder: op zachte vleugels.
  13 Vervromen: sterker maken, verbeteren.

[p. 174]

    xvi belijdenis
     
60 1 De uitroep ‘Mathilde!’ kan duiden op de verbazing van de ik-figuur: Mathilde zou (na xii ‘Madonna’, r. 10) toch moeten weten wat zijn geloof is. De uitroep kan ook betekenen: ja, ik geloof aan god, want jij bent mij als een god.
  10 Welfde: boogvormig uitstrekte.
  11 Heffen: geheven worden.
  13 't Hart: mijn hart.
    xvii de bergstroom
     
61   In handschrift v heeft dit gedicht, aanvankelijk onder de titel ‘De Oerthe’, een rolverdeling. Boven strofe i en iii staat ‘Zij:’ genoteerd, boven ii en iv ‘Ik:’. Deze rolverdeling is ook in de onderhavige versie geldig.
  8 Toeft [...] me: wacht [...] me op.
  8 Zoomen: hier: oevers (in handschrift v was aanvankelijk sprake van ‘Merwezoomen’). Is in strofe i nog sprake van de bergstroom, in strofe ii wordt gerefereerd aan de rivier waarin die beek uitmondt, in strofe iii van de zee waarin die rivier op haar beurt uitmondt.
  8, 10 Vaderlandsche zoomen en zee: de Mathilde-cyclus is mede geïnspireerd op de ontmoeting van de Nederlander Jacques Perk en de Belgische Mathilde Thomas in de Belgische Ardennen, in het stroomgebied van de Ourthe, die uitmondt in de Maas, die uitmondt in de Noordzee.
    xviii scheiding
     
62 4 Kleen: klein. Het zich verheffen van de hut zal uitgelegd moeten worden als aanduiding van het afdalen van de wagen (vandaar ook het knarsen van de rem), waarin de ik-figuur zit; de wagen daalt van de helling waarop de hut staat waarin de jonge vrouw (de maagd, r. 5) achterblijft.
  5 Kluis: woning van een kluizenaar, woning waarin men zich ‘uit de wereld’ terugtrekt.
  12 Vinde: kan vinden (of: een omwille van het metrum verlengde vorm van ‘vind’).
    motto boek ii
     
63   Dit motto is ontleend aan het sonnet ‘Was dat een lied’, dat Kloos als volledig sonnet pas aan de krans toevoegde in de vierde druk (1901); in handschrift k schreef Kloos bij deze regels: ‘schoon’.
  2 Die scheidend minnen leert: die door het afscheid nemen leert lief te hebben.
    xix dorre bloemen
     
65 4 Als Mathilde blond: even blond als Mathilde.
  7 Of lonken: of met lonken beloond.

[p. 175]

  10 Die tegelijk met het leven ook geuren en kleuren verliezen.
  11 Herleefden dood: kwamen weer tot leven nadat ze gestorven waren.
  13 Mag ik ze niet meer [...]: als ik ze niet meer [...] mag.
  14 Dan mogen ze ongekleurde vruchten vormen.
    xx de maan verrijst
     
66 2 Fulpen: fluwelen (contrast met schel).
  3 Glimvlieg: glimworm (de larven en de wijfjes van deze zwak fosforiserende keversoort hebben geen vleugels; vandaar de aanduiding als ‘worm’).
  6 Voelt zich met vrede als overgieten: voelt zich als het ware met vrede overgoten worden.
  7 Dezelfde [...] avonduur': dezelfde [...] avondure, ofte wel: hetzelfde [...] avonduur.
    xxi mijmering
     
67 2 Zoo warm en licht: die in werkelijkheid zo warm en licht is. De twee bepalingen vormen een chiasme met dof en koud (r. 1), die aangeven hoe de natuur zich aan de ik voordeed.
  3 Kout: aangenaam gesprek.
  5 Haar: De zomersche natuur (r. 2; gezien r. 8) maar ook en vooral: Mathilde (gezien xx ‘De maan verrijst’, r. 14).
  12 Duizend zielen aan te biên: om aan talloze mensen aangeboden te worden.
  13 Worde [...]: moge [...] worden, of: zou [...] moeten zijn.
    xxii gescheiden
     
68 1 Kluis: woning van een kluizenaar, woning waarin men zich ‘uit de wereld’ terugtrekt.
  1 Noode: niet vrijwillig, met een gevoel van tegenzin.
  2 Deze regel is een emendatie van Vosmaer. Handschriften v en k hebben: ‘Bewaart [respectievelijk “bewaart”] daaraan een zoete 'erinnering’; handschrift p heeft: ‘Is zalig in de blijde errinnering...’
  3 Zij en ze: de kluis (r. 1).
  4 Stond: (korte) tijd.
  4 De' eersten stond van liefde: aanduiding van het contact tussen de ik-figuur en Mathilde, zoals beschreven in Boek i, met name in v ‘Eerste aanblik’ tot en met xviii ‘Scheiding’; de laatste episode daarvan speelde zich in en bij de kluis af.
  4 Omving: omsloot.
  6 't Hart: het hart van de ik-figuur.
  6 Dat haar aan 't harte hing: waar de geliefde emotioneel aan gebonden was, of: dat verknocht was aan haar gevoelens.
  7 Maar de kus, die het leven van de liefde wilde voorbereiden, inleiden.
  12 Maar Mathilde niet: maar Mathilde zie ik nu niet.

[p. 176]

    xxiii intrede
     
69 1 Braam en stekelwisch: (hendiadys) stekelige twijgen van braamstruiken.
  4 Waarom: waaromheen.
  4 Weedom: smart, droefenis.
  5 Een rosse smids': een (door de vuurgloed) rode smidse, smederij.
  6, 13 Nacht: duisternis.
  7 Uit te wellen: uit de bron op te stijgen.
  8 IJst voor: schrikt, gruwt van.
  9 Opgespalkte: opengespalkte, opengesperde.
  10 Lieft: liefheeft.
  11 Braken: uitspuwen (tegenovergestelde van zwelgen, r. 10).
  14 Wat: iets wat.
    xxiv nedervaart
     
70 1 Gelijk wen: zoals wanneer.
  2 De duizend oogen: de sterren.
  3 Die is kwijtgegaan: die (kleur) is kwijtgeraakt.
  4 Gevloten: gestroomd.
  6 En blindheid: en waar blindheid.
  7-8 Waar men zich voelt bestaan/En niet: en waar men zich tegelijkertijd voelt bestaan en niet-bestaan.
  12, 14 Glijde en mijde: toevoeging van een onbeklemtoonde lettergreep omwille van metrum en eindrijm.
  13 Angstig, klam van zweet: terwijl ik angstig en klam van zweet ben.
    xxv fakkelglans
     
71 1-2 Hier is zowel het lachend morgenrood als het leven als ook het genot een leugen, bedrog.
  4 Glimvlieg: glimworm (zie xx ‘De maan verrijst’, r. 3).
  4 Wangedrochten: monsters.
  5 Gloênde: gloeiende.
  6 Bloedig: roodachtig.
  6 Krochten: verborgen, onderaardse ruimten.
  8 Wrochtten: schiepen, tot stand brachten.
  10 Sjirpt: Perk schreef op 22 augustus 1881 aan Vosmaer: ‘krekels en sprinkhanen sjirpen./De gewelven zagen zwart van zwermen vleêrmuizen en ik hoorde ze sjirpen, heesch, akelig’ (Brieven en dokumenten, p. 361).
  10 Den hoogen: de hoogte.
  11 Grimmelt: krioelt, wemelt.
  11 Aan des helschen hemels randen: aan de randen van de helse hemel, waarbij ‘helse hemel’ staat voor: de bovenkant van de onderaardse ruimte.
  12 Togen: gewelven.

[p. 177]

    xxvi de grotstroom
     
72 1 Rossen: rode.
  2 Pegels: stalagtieten, druipsteenkegels, afhangend van het gewelf van een grot.
  2 Grauw en goor: de witte pegels (vergelijk r. 7: albast) zijn vervuild door de walmende fakkels.
  5 Warrelrotsen: (neologisme) grillig gevormde rotsen.
  6 Verkoor: verkoos.
  7 Ten schoor: tot ondersteuning.
  8 Kegels: stalagmieten, druipsteenkegels, staande op de bodem van een grot.
  8 Kegels [...] en steenen: mogelijk op te vatten als een hendiadys: stenen kegels. ‘Stenen’ (met een enkele ‘e’) betekent: klaaglijk zuchten, kreunen.
  13 Ondervingen: opvingen, onderschepten.
    xxvii de holle berg
     
73 1 ‘O zonlicht!’: deze uitroep is een smeekbede aan het zonlicht om te verschijnen.
  1 Een dennenwoud van rotsen: het geheel van stalagtieten wordt voorgesteld als een bos van dennenbomen (dat wil zeggen: kegelvormige sparrenbomen).
  2 Genaakt: bereikt; onderwerp hierbij is: mijn langste schaduw.
  4 Granieten knotsen: de stenen pegels, de stalagmieten. Ze zijn van kalksteen; granieten duidt dus op de donkere kleur, of het is een hyperbool.
  6 Trotsen: trotseren.
  7 De harstoorts kraakt: de fakkel van harshout knettert.
  10 Nederwelven: naar beneden buigen.
  11 De grot (beschreven in r. 9-10) is als een leeuwenmuil die zeer wijd is opengesperd.
  12 Grimmen tanden: dreigen de druipstenen, nu voorgesteld als leeuwentanden.
  14 Onderdelven: ondermijnen, aan het wankelen brengen.
    xxviii het rijk der tranen
     
74 8 Der schoonheid huivrend schromen: het uit ontzag terugschrikken, dat door de schoonheid wordt veroorzaakt.
  9-10 Als ik mijn ziel als een vazal aan u ter beschikking stel en als ik uw levenswijze volg, dan ben ik mijzelf niet meer.
  12    U belijde ik: aan u moet ik bekennen.
    xxix dag
     
75 1 't Wak van pek: het donkere watervlak der rivier.
  1 Schragen: ondersteunen.
  3 Voel ik mij dragen: voel ik dat ik gedragen wordt.

[p. 178]

  4 Wagglend hout: (metonymia) een schommelend bootje.
  5 De kiel: (metonymia: pars pro toto) het bootje.
  5 Trans: (toren)spits, omgang.
  6 Zo geweldig hoog is, dat het lijkt of het eronder gelegen water wegzinkt.
  8 Vertsagen: versagen, bang zijn.
    xxx o zomer!
     
76 3 En sneeuwen handen: en met uw blanke handen.
  5 Wier: namelijk van de zomer (r. 1), opgevat als vrouwelijke gestalte, gezien de stereotiepe blonde lokken, blauwe ogen en blanke handen (het woord zomer is grammaticaal gezien echter mannelijk).
  5 Rijs en wouden: laag houtgewas en (hoge) bomen.
  6 Wekt: doet ontstaan.
  6 Wieken spanden: vleugels ten volle uitsloegen (namelijk in de dood).
  7 Tot: ter aanduiding van het resultaat van gloeien wekt (r. 6).
  7 Die miljoenen: namelijk zielen (r. 6).
  9 Juichte': juichte (verkorting van de verledentijdvorm ‘juichtet’; samensmelting met o ter wille van het metrum).
  10 Toen uw armen mij en Mathilde omvingen (door de Distanzstellung wordt in het gedicht gescheiden, wat door de zomer als het ware bijeengehouden wordt).
  11 Smukken: tooien, versieren, opmaken.
  13 Uw zangren: de zomerse (zang)vogels.
    xxxi de waterval der beek
     
77 1 Warrelklomp: grillig gevormde massa.
  3 Murmelt henen: stroomt met zacht geluid weg.
  4 Lisch: plant van het geslacht Iris, aan waterkanten en in moerassen groeiend.
  6 Koeltje: zwakke luchtstroom.
  6 Te elken keer: iedere keer.
  8 Er is geen jonge vrouw die méér om een onhandige minnaar lacht (dan de blauwe beek die lacht om de logge rots).
  11 Blankheid: kan duiden op de helderheid en het glinsteren van het water of van dat wat door het water is bedekt, of op de witheid van de huid der jonge vrouw, of op de zedelijke reinheid van die vrouw, dan wel op haar onbedekt-zijn.
  12 Wat, dat [...]: wat doet mij geloven, dat [...].
    xxxii een adder
     
78 1 Bezie: bes; hier, gezien het gloeien, een rode bes of een aardbei.
  4, 5 Geiteblad: kamperfoelie.
  12 Stonde: (korte) tijd.

[p. 179]

    xxxiii mijn hart!
     
79 1 Gespannen wieken: ten volle uitgeslagen vleugels.
  2 Sfynx: nachtvlinder.
  5 Geiteblad: kamperfoelie.
  7 Wade: gewaad.
  14 Minbetooning: het laten blijken van gevoelens van liefde voor iemand.
    xxxiv kupris in 't woud
     
80 -, 9   Kupris: bijnaam van Afrodite, gebaseerd op de naam van het eiland Cyprus, waar deze godin van liefde en vruchtbaarheid in het bijzonder werd vereerd.
  3 Zijner bronzen armen tempeltrots: bruine boomtakken zijn de trots van de tempel die gevormd wordt door het geheel van de bomen.
  3-4 De boomtakken worden hier vergeleken met de zegenende armen van een religieus leider en ook met de gewelfbogen van een kathedraal.
  4 Esmeralden zode-altaren: smaragdgroene altaren gevormd door de (mossige) grasgrond.
  6 Zefier: de zeewind.
  8 Wellustademend: vol van wellust. In literaire teksten was ‘wellust’ in Perks tijd in meerdere betekenissen nog gangbaar met positieve gevoelswaarde (vgl. wnt dl. xxv, kol. 1163).
  8 Waren: rondgaan.
  9 Mirt: mirte, heester die aan de kusten van de Middellandse Zee groeit; in de Oudheid werd een mirtekrans gedragen door deelnemers aan een feest.
  10 Bij wie maneschijn van heel het lichaam straalt.
  11 Lacht: ‘lachen’ is hier gebruikt als transitief werkwoord: door lachen aanbrengen, veroorzaken.
  13      De grasgrond van het bos schiet vol bloemen, waar Kupris loopt. Zie voor de lange geschiedenis van het dichterlijk beeld van de geliefde, die bloemen doet ontluiken waar zij gaat: Van Duinkerken, ‘Beeldspraak bij Perk’, p. 164.
    xxxv de roos
     
81 1 Drie stadia in de ontwikkeling van de roos.
  7 Verwezen: ontdaan, onthutst.
  8 Wijl: terwijl.
  9 Wierdt: dit archaïsme is van Kloos, Perk schreef in de drie handschriften: ‘werdt’.
  9 Wierdt en waart: werd en was, ofte wel: ontstond en bestond, of: groeide en bloeide.
  14 Sneven: sterven.
    xxxvi de afgrond
     
82 5-6 Nog eens [...] beproefd: nu moet ik nog [...] eens trachten om.
  8 Spalkt: opent.
  8 Het ijle: het lege, de leegte.

[p. 180]

  9 Mij huivert: het huivert mij, ik ben bang.
  12 Vervliet: wegstroomt.
    motto boek iii
     
83 1-10 Deze regels zijn ontleend aan het slot van het gedicht ‘Aan Josephine de Groot’, gedateerd februari 1880 (Proeven in dicht en ondicht, p. 248-250).
  1 Stroomzwaan: tamme zwaan.
  2 Meirvlak: oppervlakte van het meer.
  3, 8 Wildzang: (zang)vogel in het wild.
  5 Tjuiken: klanknabootsende aanduiding van het zingen van vogels.
  7 Dos: veren.
  7-8 Dos en zangen vormen een chiasme met wildzang en witgepluimde zwaan.
  10      Oogen [...] aan: zien [...] aan (vgl. r. 1).
  11-12 En ieder [...] van sterven: de herkomst van dit distichon is onbekend.
    xxxvii op den top
     
85 4 Ruim: hemelruim, hemel.
  7 Steengeklop: gehak in een steengroeve.
  14 Glorie: heerlijkheid.
  14 Droomt moet een zwaar accent krijgen, zodat contrast ontstaat met. r. 12-13.
    xxxviii de kluizenaar
     
86 1 Rijst: staat.
  1 Kluis: woning van een kluizenaar, woning waarin men zich ‘uit de wereld’ terugtrekt (de hier bedoelde kluis is een andere dan die in xviii ‘Scheiding’ en xxii ‘Gescheiden’).
  3 Lorken: lariksen.
  6 Gloren: glimmen, gloeien.
  9 Eigenkwellen: zelfkastijding.
  11 Zinkend: neerwaarts gaand.
  11 Te tellen: van belang te achten.
  13 Ontsnellen: ontvluchten.
    xxxix opdelving
     
87 1 Mulle: pulverige.
  2 Delvers: gravers, grondwerkers.
  2 Knook: bot.
  2 Kei: wellicht is hiermee een stenen werktuig bedoeld (in handschrift v heette dit gedicht aanvankelijk ‘Opdelving uit den steenen tijd’).
  5-6 IJvren [...] te schenden: zijn druk doende [...] te schenden.
  5-6 Rif des voorzaats: (dood) lichaam, geraamte van de voorouder.
  6 Voor [...] jaar: [...] jaar geleden.
  7      Des mans: corrigerende herhaling van de formulering des voorzaats (r. 5).