| |
|
x morgenrit
|
| |
|
|
| 54 |
1 |
Tel: telganger, een paard dat beurtelings de
beide rechter- en de beide linkerbenen vooruitzet; dergelijke
paarden werden om hun minder schokkende gang veelal door vrouwen
en geestelijken bereden, aldus het wnt (dl.
xvi, kol. 1388). |
| |
3 |
Stampt het zand tot rots: stampt het zand
weg zodat de rotsgrond te voorschijn komt. |
| |
4 |
Pluim: staart. |
| |
5 |
Sneeuwen: witte (vergelijk blank in r. 1 en zilvren in r.
4). |
| |
6 |
Trenzen: teugels (eigenlijk: paardenbitten,
bij uitbreiding: tomen). Trenzen is een
emendatie van Kloos; Perk schreef in handschrift v ‘leizeels’, dat hij verving door ‘strengen’, welk woord
hij behield in de handschriften k en p. |
| |
8 |
Zaâl: zadel (hier nog als mannelijk woord
gebruikt). |
| |
8 |
En lacht mij tegen: en ziet mij vriendelijk
lachend aan. |
| |
10 |
Deze regel refereert aan de voorstelling van de geboorte van
Afrodite, godin van de liefde en schoonheid uit het schuim van
de zee; zij symboliseert de schoonheid, het opbloeien van de
natuur in de lente en de seksuele aantrekkingskracht en het
genot van de liefdesdaad. |
| |
10 |
De schoonheid zelf: lijdend voorwerp bij wentelde: Zo wentelde eens een bolle baar de
schoonheid zelf naar land. |
| |
12 |
Heil mij: moge voorspoed mij deelachtig
worden (maar zo'n heilswens kan ook betrekking hebben op een
reeds voorgevallen geluk). |
| |
14 |
Waar mij 't sterven zoet: handschrift v heeft: ‘kuste ik nog den hoorne'!’ (‘hoorn’
is de stof waaruit o.a. de hoeven van paarden bestaan);
handschrift k heeft: ‘kuste ik nog dien
hoorne'! -’ (waarbij Kloos aantekende: ‘afschuwelyk!’;
handschrift p heeft: ‘kuste ik nog dien voet!
-’ De hier gepubliceerde versie is van Kloos' hand. Regel 11
ontleende Kloos, wegens het rijm, aan p; deze
regel luidt in v en k:
‘Met uwe lokken, goud als 't golvend strand.’ |
| |
|
xi de schietbeek
|
| |
|
|
| 55 |
- |
Schietbeek: snel stromende beek (die zich
bruisend van een berg neerstort). |
| |
5 |
Kost: kon. |
| |
6 |
Waadde': waadde (geknotte vorm van de
ouderwetse verledentijdvorm ‘waaddet’). |
| |
10 |
Beiden: wachten. |
| |
13 |
Verscheiden: vertrek, scheiden (vaak ook in
de betekenis: overlijden). |
| |
13 |
Weenend om het wreed verscheiden: bepaling
bij Het water, dat fungeert als lijdend
voorwerp bij drinken (r. 12.). |
| |
14 |
De verleden tijd (liet, zag) kan worden
opgevat als potentialis (zou laten, zou zien), omdat de
ik-figuur vooruitloopt op wat het geval zou kunnen zijn indien
hij zou beiden (zie de schroom in vi ‘Bekentenis’). |