Inganno. Bedrogh, Valscheyt.
Een man bedeckt met een geyte-vel, doch alsoo, datmen nauwlijx het aengesicht sien kan, houdende in sijn hand een vischnett met eenige visjens Sargi geheeten, op de maniere als de vorellen. Waer van Alciatus aldus schrijft:
- Maer denckt eens om dees loose guyt,
- De visscher draeght een geyten huyt:
- Het visjen dat het geytjen mint,
- Dat wort door dit bedrogh verblint:
- Ghy Hoeren bruyckt oock dese list,
- Als ghy de slechte Pollen vischt.
[p. 31] origineel
Over al Bedrogh.
- Met list en met bedriegery,
- Gaet het halve Iaer voorby:
- Met bedrogh en snoode list,
- Wort de ander helft verquist.
|