Allegrezza. Vrolijckheyt.
Een Maeghdeken met een bloosigh geblancket en breed voorhoofd, in 't wit gekleet, geciert met groene blaeders en met geele en roode bloemen, met een krans om 't hoofd van veelderleye bloemen. In de rechter hand, salse een cristallijne glas vol roode Wijn hebben, en in de slincker hand een groote goude schael, wesende van een seer bevalligh en schoon opsicht, dansende in een schoone beemde vol bloemen. Vrolijckheyt is een genegentheyt van 't gemoed, dat gekeert is tot Wellust, om die dingen te beminnen, diemen inwendigh, als boven natuyrlijck, beschouwt, of die uytwendigh, door de sinnen, uyter natuyre, of door een toeval worden aengebracht. Zy sal een groot, vleessigh en geblancket voorhoofd hebben, nae 't seggen van Aristoteles in zijne Physiogn. VI boeck I cap. De bloemen bedieden, door haer self, de Vrolijckheyt, en men plagh te seggen dat de Velden lachen, wanneerse met bloemen bedeckt zijn, gelijck Virgilius in zijn IV Ecloga seyt. 't Cristallijne glas vol roode Wijn, mette goude schael, betoonen, dat de Vrolijckheyt meerendeels sich niet laet bedecken, maer datse sich een yder vrywillig mededeelt, gelijk S. Gregorius getuyght, in zijne Zeede-leeringe, De Vrolijckheyt plagh de geheymnissen van 't gemoed te openbaeren. En de Propheet seyt, de Wijn verheught het herte des Menschen, en 't goud heeft oock de kracht om de geesten te verstercken. En dese versterckinge is oorsaecke van de Vrolijckheyt. De gestaltenis van 't licchaem, en 't bewijs van den dans, zijn openbaere kenteyckenen van de Vrolijckheyt. |