
De hier gepresenteerde teksteditie van Dirck Pietersz. Pers' Suyp-stad (1628) is in aanleg voortgekomen uit de werkzaamheden van een kandidatenwerkgroep aan het Instituut voor Neerlandistiek te Amsterdam. Deelnemers aan de werkgroep waren: A.K. Caré, R. Cordes, E.K. Grootes (begeleider), H. Klifman, mevr. M. Roos, H.A.A. Spruijt, J.H.L. Stevens, G. Teusink, mevr. G.J.J. Trossèl, J.E. Verlaan en H. Wilmink. De groep stelde zich tot doel een geannoteerde en ingeleide uitgave van de tekst van Pers te maken. Toen aan het eind van de daartoe bestemde periode in het studiejaar 1974-75 wel veel materiaal op tafel lag, maar het eindresultaat nog niet in zicht was, heeft de Vakgroep Historische Letterkunde één van de leden van de werkgroep, Jan Verlaan, in staat gesteld gedurende een jaar als kandidaat-assistent te werken aan de voltooiing van het project, onder supervisie en met medewerking van de genoemde begeleider.
Het woordcommentaar bij de tekst berust vrijwel geheel op het lexicografisch onderzoek, zoals dat in het kader van de werkgroepsactiviteiten is verricht. De overige onderzoekresultaten van de werkgroep zijn aan een grondige herziening onderworpen. Daarbij kwam met betrekking tot verschillende aspecten nieuw materiaal aan het licht. Het resultaat is een inleiding die sterk afwijkt van de eerste opzet. Het grootste deel ervan is voor rekening van de eerste ondergetekende, die tevens het geheel persklaar maakte. Hoofdstuk 8, over de genrebepaling en over opbouw en stijl van Suyp-stad, zijn geschreven door de tweede ondergetekende. Beide auteurs achten zich echter verantwoordelijk voor de uitgave als geheel, niet in de laatste plaats omdat zij is ontstaan in een sfeer van voortdurend overleg en kritische beoordeling van elkaars bijdragen.
De keuze van Suyp-stad als object is deels gegrond op praktische redenen: de beperkte looptijd van de werkgroep vroeg om een niet al te omvangrijke tekst. Dit is ook de reden waarom Bacchus Wonder-wercken, waarvan Suyp-stad een soort aanhangsel vormt, grotendeels buiten beschouwing is gebleven. Daarnaast waren er motieven van literair-historische aard: Suyp-stad vertegenwoordigt een genre, dat in de Nederlandse literatuurgeschiedenis nauwelijks besproken wordt. In hoofdstuk 8 besteden we dan ook ruime aandacht aan het vaststellen en het beschrijven van het genre waartoe Suyp-stad behoort. Bovendien wordt in dat hoofdstuk kort ingegaan op enkele algemene problemen met betrekking tot de genrebepaling. Voorts heeft de tekst als specimen van de
Nederlandse letterkunde uit de 17de eeuw aantrekkelijke kanten, die een wat grotere aandacht, en beschikbaar stellen ervan aan een modern publiek leken te rechtvaardigen. Het was ‘de grand old man van de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving’, Jan te Winkel, die er op wees dat de ‘(...) satirieke beschrijving van Suyp-stad of Dronckaerts Leven (...) nog niet genoegzame waardeering heeft gevonden (...).’ (Te Winkel, 1922-1927, deel III, p. 269).
Onze onderzoekdoelstelling reikte echter verder dan het strikt filologische en literair-historische terrein. Wat we vooral beogen, is het vaststellen van de relatie die Suyp-stad bezit tot de werkelijkheid erachter, en daarmee van de functie van de tekst. Deze doelstelling komt overeen met die welke Herman Pleij onlangs formuleerde in zijn artikel over ‘De sociale funktie van humor en trivialiteit op het rederijkerstoneel’. Wij sluiten ons graag aan bij het daarin uitgesproken wetenschappelijk credo: ‘(...) ik vind dat we onze vlucht in dat eindeloze speelterrein van de filologie moeten staken wanneer dat betekent dat alleen dáár wetenschappelijke arbeid met historische teksten mogelijk zou zijn, gelardeerd door literair-historische feiten. Ik geloof dat de funktievraag de meest essentiële is die we kunnen stellen in een literatuurwetenschap die de pretentie wil hebben om maatschappelijk relevant te zijn.’ (Pleij 1975-76, p. 124).
De vraag naar de werkelijkheid achter de tekst en naar de functie van Suyp-stad, als tekst waarin de dronkenschap aan de kaak wordt gesteld, hebben we bestudeerd vanuit drie verschillende invalshoeken:
| a | onderzoek naar het gebruik van alcoholhoudende dranken in Nederland in het begin van de 17de eeuw. Dit onderzoek leidt tot een kwantificering van het drankmisbruik (zie hoofdstuk 4). |
| b | onderzoek naar de houding van de staat en de kerk en de maatregelen die door elk van deze werden genomen om drankmisbruik tegen te gaan (zie hoofdstuk 5). |
| c | onderzoek naar een eventuele traditie van geschriften tegen drankmisbruik, waartoe Suyp-stad mogelijk heeft behoord. Hierbij hebben we ons beperkt tot de twee meest voor de hand liggende categorieën: literaire en moraalfilosofische teksten (zie hoofdstuk 6). |
Deze onderzoeken werpen licht op de vraag in hoeverre Suyp-stad realiteitswaarde
bezit, of specifieker: in hoeverre deze tekst verwijst naar een concreet in de werkelijkheid bestaand probleem, t.w. drankmisbruik; èn in hoeverre Suyp-stad als uniek literair fenomeen functioneert als representant van een strijd - in woord en daad - tégen dit probleem.
Ter complementering van dit beeld hebben we ons tenslotte beziggehouden met
d onderzoek naar de factoren die een eventueel dronkenschapsprobleem in de hand werkten, teneinde te kunnen vaststellen hoe een tekst als Suyp-stad mogelijk functioneerde temidden van het krachtenveld dat gevormd wordt door dronkenschapsbevorderende elementen enerzijds en een matigingsstreven anderzijds (zie hoofdstuk 7).
De invalshoek van waaruit we de tekst hebben bestudeerd is - dat zal duidelijk zijn- erg groot. Het was voortdurend noodzakelijk ons op terreinen te begeven, waarop wij als neerlandici geen of onvoldoende scholing hebben. Niettemin hebben we gemeend er goed aan te doen deze handicap voor lief te nemen, teneinde een uitgave te kunnen presenteren die meer wil bieden dan een opgepoetst historisch curiosum.
Hiermee hopen we een bijdrage te hebben geleverd tot de bestudering van een weinig bekend element van de Nederlandse Renaissanceliteratuur en wellicht mede tot de discussie over de vakbeoefening van de historische letterkunde.
Hoewel wij ons ervan bewust zijn dat een kritische houding tegenover deze vakbeoefening een wezenlijke voorwaarde is voor de kwaliteit van het vak, besluiten we niettemin met een beroep op de welwillendheid van de lezer, en wel met de woorden van Pers, die zich in zijn voorrede van de Ontstelde Leeuw (1641) aldus tot zijn lezerspubliek wendde: ‘Alleene is mijn versoeck dat de bescheyden Leser, hier over een bescheyden oordeel strijcke, en in my verschoone, wat eenighsins door onkunde of versuym, qualijck gevat of toe-gestelt, of door den druck ontijdigh magh wesen ingesloopen (...).’
JAN VERLAAN/EDDY GROOTES
Amsterdam, september 1976.