terug  begin  verderprepost
[p. 36]

5 De houding van staat en kerk tegenover dronkenschap

In de periode van de Republiek der Verenigde Nederlanden, globaal de 17de en 18de eeuw, werd het gezag niet alleen uitgeoefend door de wereldlijke overheid, maar ook voor een deel door de kerk. Beide hebben zich in zekere mate beziggehouden met de bestrijding van dronkenschap. Aan de bemoeienissen van deze twee instituten met de alcoholist en het alcoholisme zullen we in dit hoofdstuk aandacht besteden.1

Dronkenschap en de wereldlijke overheid

In de toenmalige wetgeving werd dronkenschap op zich niet als een strafbaar feit beschouwd. De rechters vaardigden slechts dan straffen uit als men in dronken toestand een misdaad beging. Derhalve kunnen we stellen dat de wereldlijke overheid geen strijd leverde tegen het overmatig drankgebruik zonder meer, maar uitsluitend tegen de criminele uitwassen die hiervan het gevolg waren2. Teneinde allerlei excessen te voorkomen, trof de overheid ook maatregelen die preventief werkten. Hiertoe behoren het vaststellen van verplichte sluitingstijden3 en boetes op het bezit van wapens in de kroeg4. Ook bestonden er verboden om wijn te schenken tijdens de zg. ‘doodfeesten’5, de samenkomsten na begrafenissen die kennelijk nogal eens aanleiding gaven tot slemppartijen. Verder treffen we in allerlei plaatsen bepalingen

illustratie
J. Matham. Trictrac spelend paar. Derde gravure van de serie ‘Gevolgen van de dronkenschap’ (zie omslag). Het onderschrift waarschuwt dat drank niet slechts leidt tot onkuisheid, maar ook tot spelen en dobbelen. Op de achtergrond wordt een wijnglas omhoog gehouden.

aan tegen dobbelen, kaarten e.d. in de kroegen6. Murray (1944) heeft in zijn archiefstudie over het toenmalige Rotterdamse kroegleven geconstateerd dat veel onenigheid in de herbergen ontstond door of tijdens het spelen7, zodat aan de bedoelingen van dergelijke verbodsbepalingen niet getwijfeld hoeft te worden.

[p. 37]

Uit het voorgaande kunnen we concluderen dat het handhaven van orde en rust het belangrijkste motief was van de verordeningen tegen de dronkenschap. Daarnaast was er tevens sprake van sociale en economische motieven: het tegengaan van geldverspilling en werkverwaarlozing, die het gevolg waren van alcoholisme en een aantasting inhielden van de stedelijke welvaart8. Anderzijds hadden de overheden ook belang bij een hoog drankverbruik, gezien de belangrijke fiscale opbrengsten die hieruit voortvloeiden9.

Kennelijk is het overheidsoptreden inzake alcoholisme gericht geweest op het handhaven van rust en orde, waarbij voortdurend ernaar werd gestreefd - zij het zeker niet altijd even bewust - te voorkomen dat de welvaart werd aangetast. Echter het fiscale profijt mocht hierdoor niet afnemen.

Dronkenschap en de geestelijke overheid

De betrekkelijke terughoudendheid van de wereldlijke overheid in haar optreden tegen alcoholisme zonder meer is eenvoudig verklaarbaar: de handhaving van de tucht werd voor een belangrijk deel waargenomen door de kerk. In het algemeen waakte de kerk over allerlei buitensporigheden op godsdienstig en zedelijk gebied: schendingen van de zondagheiliging, luidruchtige festiviteiten, kermissen, danspartijen, toneelvoorstellingen, kansspelen, ontucht, etc. Aan deze opsomming, die bepaald niet compleet is, kunnen we ook de dronkenschap toevoegen10. In woord en daad (resp.

illustratie
Gola, gulsigheyt, uit: Cesare Ripa, Iconologia, of uytbeeldingen des verstands (...). Uyt het Italiaens vertaelt door D.P. Pers. Amsterdam, D.P. Pers, 1644, p. 190. De lange hals memoreert de gulzigaard die wenste dat hij een hals had als een kraanvogel, ‘om alsoo de spijse langer te mogen smaecken, eer die in den buyck daelde’. De dikke buik geeft aan dat daar het hoogste goed van de gulzigaard gelegen is. Het kleed is roestkleurig als beeld van de verdwenen deugd. En zoals de roest het ijzer verteert, zo verteert de gulzigaard de middelen die hij behoorde te gebruiken voor zijn levensonderhoud. (Universiteitsbibliotheek Amsterdam, ex. 453 H 1).

[p. 38]

in de prediking en in de handhaving van de discipline) bestreed de geestelijkheid deze duivelse zonde11. Allereerst komen de preken aan de orde, waarin tegen drankzucht wordt gewaarschuwd; vervolgens gaan we in op de handhaving van de tucht door de kerk.

Preken tegen dronkenschap

Vooropgesteld dient te worden dat in de middeleeuwen de onmatigheid steeds tot de traditionele thema's van de rooms-katholieke prediking heeft behoord12, terwijl hierin onder de gereformeerde kerk geen wezenlijke verandering plaatsvond.

Owst (1961) constateert in zijn studie over de relatie tussen de 14de-eeuwse Engelstalige literatuur en de toenmalige Engelse preektraditie13, dat de dwaasheden van de dronkaard zowel belachelijk worden gemaakt, alsook tragisch worden voorgesteld14. In deze preken worden de toehoorders erop gewezen dat de mens door dronkenschap zijn deugdzaamheid vernietigt en dat hij lichamelijk en geestelijk aftakelt, waardoor hij zijn dood versnelt15. Voorts horen we dat de dronkaard niet alleen zichzelf en zijn gezin naar de afgrond helpt en zijn eigen goede naam aantast, maar bovendien de hele natie zowel materieel als geestelijk schade berokkent16: ‘In the literature of the medieval English pulpit, the tavern and the ale-house, apart from the acknowledged fact that they are the occasion of much gluttony and drunkenness in the ordinary way, stand for a very definite menace to the common weal.’17 Het typisch zondige karakter van de dronkenschap blijkt uit het feit dat kroegen in deze preken vaak worden voorgesteld als duivelsoorden18.

Moser-Rath (1964) behandelt in haar studie over de 17de-eeuwse preek-in-verhaalvorm onder meer de zg. ‘exempel-preken’ (religieus-moralistische vertellingen, waarin de toehoorder een geval wordt gepresenteerd waaruit hij een zekere lering kan trekken) en constateert dat ook in dit type preken het thema van de dronkaard aan de orde komt19.

Hoewel de gegevens over de prediking in ons land betrekkelijk schaars zijn20, weet Evenhuis (1967) in zijn studie over de Amsterdamse Hervormde Kerk in de Gouden Eeuw te melden dat ook daar gepreekt werd tegen de zg. volkszonden21, waartoe ongetwijfeld de drankzucht behoord zal hebben. Bij wijze van voorbeeld citeren we tenslotte enkele frag-

[p. 39]

menten uit een in 1566 uit het Latijn vertaalde preekbundel: ‘De Schriftuere straft gulsicheyt, swelgerie, ende voornemelic dronckenschap. Want wt dronckenschap, coemt oneyndelicke veel boosheyts ende quaets, ware siecten, armoede ende ellendicheyt (...). Want dewijle de dronckenschap nu te onsen tijde by na onder allerley menschen, de overhandt heeft, so gevoelen wy dagelicx, dat quaet daer mede de Heere by Esaiam de droncken menschen ghedreycht heeft Cap 5. ende 28. Ende het is seer te vreesen, dat de dach des Heeren vele dronckighe menschen vinden sal, tot haer verderf. Daerom wie ooren heeft om te hooren, die hoore.’22

Naar alle waarschijnlijkheid zijn dergelijke woorden representatief voor de traditie van preken tegen de dronkenschap, waarin de gelovigen gedurende vele eeuwen de zondigheid en schadelijkheid van overmatig drankgebruik voor ogen werd gehouden.

De kerkelijke discipline

Het handhaven van de tucht werd in de Hervormde Kerk uitgeoefend door de kerkeraad en de zaken die hij behandelde, betroffen het huwelijk en het gezin, problemen tussen meester en knecht, zakelijke aangelegenheden, laster, diefstal, dronkenschap en andere ongeregeldheden: ‘(...) anything that brought the community as a whole into disrepute or made for trouble between individual members’23.

Evenhuis (1967) heeft uit de notulen van de Amsterdamse kerkeraadsvergaderingen kunnen afleiden dat zij wekelijks 3 à 4 censuurgevallen te behandelen had; een aantal van 10 tot 12 was geen uitzondering24. Als zonden algemeen aanstoot hadden gegeven, moest de persoon in kwestie verschijnen voor de raad, die hem tot betering van zijn leven maande. Bij oprecht berouw werd de zondaar weer opgenomen in de gemeente; als dit niet het geval was werd hem het Avondmaal ontzegd en zijn geval, zonder vermelding van de naam van de betrokkene, aan de gemeente bekend gemaakt. Als dit niet tot resultaat leidde, volgde een tweede afkondiging, nu mèt het noemen van de naam. Indien dit ook niet hielp, werd de zondaar in de kerkelijke ban gedaan25.

Kennelijk had de kerkeraad het nogal druk met dronkenschapsgevallen, te oordelen naar de woorden van Evenhuis (1967): ‘Er is niet vaak een vergadering van de kerkeraad geweest, waarin het onderwerp niet aan de orde kwam’26. Het werd vooral zwaar aangerekend als men dronken was op zondag - vooral wanneer dan ook nog het Avondmaal werd gevierd -, op een bededag of in de kerk zelf27. In het algemeen hield de kerkeraad zich niet zozeer bezig met de zg. ‘stille’ dronkenschap, maar vooral met de uitingen van dronkenschap, waardoor de Kerk als geheel in diskrediet werd gebracht28. Ook deden de kerkeraden hun best om dronkenschap e.d. te voorkomen, door bv. toezicht te houden op het nakomen van de verplichte sluitingstijden door de herberghoudende congregatieleden29.

De conclusie die we aan het voorgaande kunnen verbinden

[p. 40]

is dat het in de 17de eeuw de taak van de geestelijke overheden was om zorg te dragen voor het handhaven van de fatsoensnormen, waaronder ook de matigheid. In woord en daad streden zij tegen allerlei gedragingen die deze normen overschreden, zoals overmatig drankgebruik. De wereldlijke overheid belastte zich slechts met bestraffen - en in zekere mate voorkomen - van criminaliteit ten gevolge van dronkenschap. De kerk daarentegen richtte haar optreden veeleer op het verschijnsel als zodanig, waarbij de nadruk weliswaar ligt op de dronkenschapsgevallen waarmee de goede naam van de kerk in het geding raakte.

Samenwerking tussen wereldlijke en geestelijke overheid

De Kerk was ervan overtuigd dat een zich christelijk noemende regering haar de nodige dwangmiddelen kon en moest geven om aan de kerkelijke tuchtmaatregelen meer gezag en politiek effect te verlenen. Daartoe wendden de synoden zich altijd weer tot de overheden met het verzoek strenge plakkaten en ordonnanties uit te vaardigen. In het algemeen waren de overheden hiertoe wel bereid, maar niet van harte, gezien de traagheid waarmee allen, die met de uitvoering van de wetten belast waren, tot de tenuitvoerlegging overgingen. Tot dergelijke bepalingen behoorde het verbod van staatswege aan herbergiers en tappers om tijdens de godsdienstoefeningen te tappen, dat in alle Nederlandse ordonnanties voorkomt30. In de regel waren dergelijke plakkaten tegen deze vorm van zondagschending echter een dode letter31. Het resultaat van een en ander was dat iedereen in de Republiek vrij was om zijn leven zo in te richten als hij dat wenste, tenzij hij daarbij verviel tot wat algemeen als misdadig werd veroordeeld32.

Omgekeerd heeft de wereldlijke overheid zich nooit ingelaten met de door de kerk uitgevoerde strafmaatregelen33, zodat we kunnen stellen dat de kerk in haar activiteiten om het drankmisbruik terug te dringen slechts in theorie gesteund werd door de wereldlijke overheden, terwijl zij in de praktijk vrijwel geheel alleen deze taak uitoefende. Voegen we hierbij dat de kerk de macht bezat om de leefwijze van uitsluitend haar eigen lidmaten - die een minderheid van de bevolking vormden - te verbeteren34, dan lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het optreden van de officiële instituten in de 17de eeuw tegen het drankmisbruik slechts in geringe mate zal hebben bijgedragen tot het terugdringen van het alcoholisme.

1Over het bestaan van ‘actiegroepen’, die zich in kleiner verband bezighielden met de bestrijding van drankmisbruik zijn vrijwel geen gegevens bekend. Vandaar dat we ons in dit hoofdstuk slechts zullen bezighouden met de instituten staat en kerk.

2Overmeer (1912) p. 114. Overigens schijnt dronkenschap, in geval van een misdaad, wel als een verzwarende omstandigheid te zijn beschouwd, ibid., p. 9-10.
3Overmeer (1912) p. 14.
4Murray (1944) p. 42 en Overmeer (1912) p. 25.
5Overmeer (1912) p. 23.
6Ibid., p. 27.
7Murray (1944) passim.
8Cosemans (1956) p. 119.
9Overmeer (1912) p. 15. Op het economisch belang van drankverbruik komen we terug in hfdst. 7.

10Fockema Andreae (1952-1953) p. 154-155.
11Traditioneel behoorde de drankzucht tot de zeven doodzonden, t.w. die van de Gula ofwel: onmatigheid, gulzigheid. Soms werd de drankzucht of Ebrietas volledig geïdentificeerd met de Gula, soms ook als onderdeel van deze doodzonde beschouwd, zie: Chew (1962) p. 103-104.

12Schneyer (1969) p. 229.
13Owst (1961) p. 2. De kansel verschafte, aldus Owst, de noodzakelijke kanalen waarlangs de leer en de uitdrukkingswijze van de priesters in de volksgeest werden opgenomen en voor wereldlijk - dus ook literair - gebruik werden toegepast (p. 3). Hij betrekt deze stelling ook op de dronkaard in de literatuur: alle dronkaards in de Engelse literatuur en op het toneel vonden destijds hun prototype in de preken, ibid., p. 425.
14Owst (1961) p. 426. Vooral het hoofdstuk over ‘The Drunkard and the Tavern’ (p. 425-441) is voor ons van belang.
15Owst (1961) p. 426-431.
16Ibid., p. 432.
17Ibid., p. 435.
18Ibid., p. 438.
19Moser-Rath (1964) p. 45-47. Overigens is zij dezelfde opvatting toegedaan over de relatie tussen preken en literaire teksten als Owst (1961), zie: p. 4 (vgl. noot 13). Op p. 167-168, 171-172, 235-236, 264-266 zijn de teksten afgedrukt van zes exempelpreken, die de dronkenschap tot thema hebben.
20Evenhuis (1965-1974) deel II, p. 25.
21Ibid., p. 35.
22H. Bullinger - Huys-boeck, fol. 69 recto. Bullinger was een vooraanstaand 16de-eeuws Zwitsers theoloog en volgeling van Zwingli. Het Huys-boeck, bestaande uit 50 preken, werd oorspronkelijk in het Latijn geschreven (1549-1551) en verscheen in 1566 voor het eerst in een Nederlandse vertaling. Het werd daarna nog herhaalde malen herdrukt. Wij citeerden uit de editie van 1595.

23Carter (1964) p. 158-160.
24Evenhuis (1965-1974) deel II, p. 81.
25Ibid., p. 82-83.
26Ibid., p. 96.
27Ibid., p. 97.
28Carter (1964) p. 180.
29Ibid., p. 180.

30Van Gelder (1972) p. 45-46.
31Van Veen (z.j.) p. 81.
32Van Gelder (1972) p. 45.
33Evenhuis (1965-1974) deel II, p. 109.
34Van Gelder (1972) p. 45.
prepostterug  begin  verder