[p. 89]
origineel
+
Svyp-stad, of Dronckaerts Leven.
D
Er Suypers groote stad, en wijde heerschappijen,
Te maelen op 't penneel in platte schilderijen,
2
Vereyscht een hooger geest, als mijn geringe Dicht,
+
3
Dat schaem-root sich vertoont, en schemert in het licht:
4
5
Ick sou te swaren pack op myne schouders laden,
5
Indien ick wilde gaen op onbekende paden:
Maer door haer groot gerucht, en wijd-gespreyde naem,
7
Hoort yeder een de klanck, de vlercken van haer faem.
8
Ick volgh den
Echo
na, en slae met vreemde wieken,
9
10
En boots' een Roomsch geluyt, een stemme van de Griekẽ,
10
En mael een vreemd gewest, een wel-ervaren strand,
11
Waer
Bacchus
, en sijn volck, alleen heeft d'overhand.
O
Bacche
! wie u lof en aerdigheyd sou schryven,
+
13
Most stadigh in het vocht, en op u riemen dryven:
14
15
Mits u geswinde geest, van dichten onvermoeyt,
15
Noch in den soeten most veel lieffelijcker vloeyt.
16
De Versjens van u maet veel soetelijcker straelden,
17
Als hy de boevery van 't Roomsche Hof bemaelden,
18
Wanneer hy 't flesjen soogh, en d'int-pot aen sijn sy,
20
Als 't Dichten hem begaf, dan stont hem 't glaesjen by.
Maer mijn verdorde penn', en mijn gespeende dichten,
21
En konnen uwen lof verçieren noch verlichten:
22
[p. 90]
origineel
+
Vermits mijn drooge sangh, aen uwen rijcken vloet,
23
Geen çiersel aen u krans, noch àen u trossen doet.
24
25
Siet dan mijn droomery, siet dan der Dronckerts leven,
25
Haer Stad en al haer land, na waen alleen beschreven:
26
Een wel-bekende plaets, verheven boven al,
‘Hoe hooger in dees staet, hoe naerder aen den val.
28
+
Daer is een oude Stad, vermaert by alle volcken,
30
+
Gepresen over al, gesteygert totte wolcken,
30
Een wonderlijcke Stad, van order en begrijp,
31
Een werreld in 't gewoel, van maecksel als een pijp.
32
Dees Stad leyd in het langh, en uyt den grond verheven,
33
En in dees schildery u af-gebeeld nae 't leven:
34
35
Met wallen van Tobac, en na de konst geplant,
35
Gevlochten en gewoelt, gedolven in het sand:
36
Oock treffelijck gesterckt met grachten en gordynen,
37
Met flancken en trencheen, en met verborghen mynen:
38
Met poorten wel versorght, van Ticketacken-hout,
39
40
Waer in een vroom soldaet niet weynigh sich betrout.
40
Met oorloghs-tuygh versien, Musketten en Rampaerden,
41
Met koghels en geschut, met harnasch en met swaerden:
Die over al ten toon, staen tot een yeders schrick,
En wachten op den dienst op elcken ooghen-blick.
45
Dus leeft sy sonder vrees van yemants overvallen,
45
Mits haer geweer en tuygh staet veerdigh op de wallen,
46
Met batteryen hoogh, en dapperlijck versien,
47
Met fluyten, glas en kan, om stadigh weer te bien.
47-48
48
Schans-korven zijn alleen de duygen en de vaten,
49
50
De pypen van Tabac die legghen in de gaten,
50
De lonten staen gereed, de koghels en het kruyd,
De assche dient alleen te blasen het geluyt.
52
[p. 91]
origineel
+
Noyt saghmen in den krijgh de Helden gaert ten stryde,
Met een so moedigh hert, en boven maten blyde:
54
55
Noyt sagmẽ moedig volck, voor vryheyd en voor't recht,
Meer stryden, totter dood, als in dit groot gevecht.
Noyt saeghdy wracker goed ten stryde sich begeven,
57
Noch die met meerder vrees bekommert zijn voor't leven:
Dies wie haer siet alleen in dees parade gaen,
59
60
Die krijgt oock self eẽ schrick en loopter strax voor aen.
60
Geen slaep en steurt haer wacht, sy roocken of sy suypen,
Iae waer't dat
Bacchus
self de schild-wacht wou bekruypen,
62
Hy vond haer fris en gauw, het glaesjen op de hand,
63
Te drincken voor den
Prins
, of voor het Vaderland.
65
Of schoon de donckre nacht haer noodight om te slapen,
Sy sitten evenwel met haer geweer en wapen,
En hebben 't oogh in 't seyl, om niet te zijn verrast:
So sittens', als een Mof, aen eene pick-lap vast.
68
Sy hebben 't heyligh vyer, dat altijd staet te branden,
70
Een baecke voor de staet, een steunsel voor de landen,
En 't is een groot verraed, als yemand gaet ter wacht,
Die niet Tabac, en Vyer, en Lonten mede bracht.
Haer Vendels die rontom de wallen hen vertoonen,
73
Getuyghen van 't verbond van vier verheven kroonen,
74
75
Van
Schoppen, Ruyten, Hert
, van
Klaver
, en wat meer,
75
Dient tot so hooghen dienst, en noch tot hoogher eer.
Sy heeft een soute lucht, en oock twee soute stroomen,
+
77
De
Drooge
en de
Sout':
die om haer wallen komen:
Daer vangtmen over al den Haring, Kavajard,
79
80
Ançioves, Bocking, Sprot, en drooge Rocche-start.
Daer looptmen met Garneel, met Schelvis en met Schollẽ,
Met Oesters, Krab en Kreeft, met Rijgse Bot, om dollen,
82
[p. 92]
origineel
+
Met Salm en Kruyde-worst, met Scharren, Abberdaen,
83
Met Pricken geyl en vet, Olyven, Parmesaen.
84
85
En al wat sout en wrang, en totte dorst kan locken,
Dat is de rechte spijs om greetigh in te slocken.
86
Haer straten zijn verdeelt, doch na de maet gerecht,
87
Met scherven van de kan, en glasen op-geleght.
88
Dry Tempels munten uyt: om dat de offerhanden,
89
90
Hier gaen in vollen swang, van uyt de verre landen,
Die met soo grooten loop en yver hier geschien,
91
Als oyt in heyligh huys of bee-vaert is gesien.
De grootste is gebouwt, met hoogh-gewelfde suylen,
Seer konstelijck gemetst met kelders en met kuylen:
94
95
Met zalen braef geçiert, met kamers oock versien,
95
+
Met marmor-steen gevloert, en hondert Edel-lien,
Die altijd op den dienst, in 't hooge Choor, bespieden,
97
En letten op de wet, op 't heeten en gebieden:
98
Ten eynde sy voor aen, gelijck een helder licht,
99
100
Haer stellen, als ten toon, voor yeders aengesicht.
+
Dees Tempel is ter eer van
Bacchus
uytverkoren,
En hem alleen gewijd, met een verheven toren:
Waer
Rhenus
en
Klaret
, in overvloed geput,
103
En yeder op sijn plaets wort ordentlijck genut.
105
Twee pompen worden steeds met yver voort-gedreven,
Die u den Rijnschen traen, en 't Fransche vocht doen gevẽ,
106
En die met voeders vol en vaten dicht gekuypt,
107
Met reepen wort gehecht, op datter niet ontdruypt.
108
Hier wort de hooge Staet van d'alder-braefste Helden
110
Met grooten lof verhaelt, haer wapens en haer velden:
110
Haer Ridderlijcke daed staet over al ten toon,
Der Ridders brave feyt met een verheven kroon.
112
[p. 93]
origineel
+
Hier siedy Iood' en Grieck, de Perssers en Romeynen,
Den Frans, Italiaen, de Spangiaerts en Lorreynen,
115
De Duytscher, Schot en Sweed, de Deen, en d'Engels-mã,
115
Naer 't leven, en de konst, met glasen en de kan.
116
Des tweeden Tempels grond is wijd en verr' geslaghen,
+
117
Aen
Bacchus
wel gewijd,
Bierana
op-gedraghen:
118
Die hoogh en schoon gebouwt, met een verheven werck,
119
120
Verstrecken mach het rond van een vermaerde kerck.
120
Is dapperlijck versien van kamers, kameretten,
121
Met tafels in het rond, en wel-gestelde wetten:
122
Gedienstigh over al, met bancken en vertreck,
123
Met allerley gemack voor yeder sijn gebreck.
124
125
Daer hebdy een Fonteyn, waer allerhande Bieren,
Met kraenen onderscheên, na yeders lusten swieren:
126
En na dat yeders smaeck en oordeel dan verscheelt,
127
So werd oock yeder 't sijn gewilligh mee-gedeelt.
128
Dees Tempel wort gevyert van velen uytgelesen:
129
130
Mits
Bacchus
dese Broers te vele mans wil wesen,
130
So volghtmen dees Santin, met sulcken groot getier,
131
Dat yeder roept Goddin, zijt welkoom met u Bier!
De derde Tempel blinckt, seer aerdigh over-toogen,
+
133
En toont een helder licht voor aller menschen oogen,
135
En glinstert als een vyer, vermits haer hooge aert,
135
Word door het vyer verlicht, gesuy vert en geklaert.
136
Gegroet weest
Brandamoor
, sy singen, daer u lichten,
137
Soo flickren in ons oogh, en heldren ons gesichten:
V Tempel word gedient tot in de naere nacht,
139
140
En's daeghs word u geloof oock naerstelijck betracht.
140
Ghy schenckt ons al u kracht: u geesten die daer leven,
141
Die doen ons al 't verstand, de sinnen weder-geven:
142
[p. 94]
origineel
+
Wanneer wy door
Bieraen
of
Bacchus
zijn ontstelt,
143
Dan soecken wy ons heul by u, ô braver Held!
145
Fonteyntjens, die het goud, het silver, en rubynen,
De Geesten van den wijn, doen lieffelijcken schynen:
146
Die schenckty ons vol-op, so dat wy moedigh gaen,
Ten offer by
Klaret
, ten offer by
Bieraen
.
148
+
Men heeft van ouder tijd haer heerelijck sien bloeijen,
149
150
En weeldrigh, metter tijd, in alle wellust groeijen,
150
Want na de eerste Eeuw met lovers was bedeckt,
151
Wiert dese Stad begost, en eerstmaels opgeweckt.
152
Veel Princen, die met macht in alle weelde proncken,
Die timmerden dees Stad, en timmerden haer droncken:
154
155
Verheven in den geest, en vastelijck vertrouwt,
155
Sy sou tot Koningin der steden zijn gebouwt.
Haer hoop is niet gefaelt, sy steeckt haer hooghe vesten,
So 't timren dus vergroot, noch in de lucht ten lesten,
158
En stapelt flesch op flesch, het oxhoft op de ton,
160
En terght met haer gebouw, den waghen van de Son.
160
Wegh Oude met u konst:
Liaeus
was verholen,
161
Van 't geen sy is verrijckt van uyt de Suyder-Polen:
162
+
Niet door een groote geest, of
Iovis
hooghste wit,
163
Maer door de drooge keel van
Mulciber
de Smit.
aant.
164
165
't Schijnt doen hy was verbant, en Grieken uyt-gedreven,
165
Dat hy verkoos de strand, en socht een ander leven,
En steldẽ daer de Smis, waer 't volckjen, swart van roocky,
167
Hem saghen vol van vyer, noch leven in de smoock.
Sijn ziel sou zijn verheughd, en 't herte sou hem springhen,
170
Van al dit vreemd bedrijf, en wonderlijcke dinghen,
Dat lang-ge-oorde beest, waer op hy dick hoveert,
171
Dat sou nu zijn gepronckt, en in een henghst verkeert.
[p. 95]
origineel
+
Daer soud' hy, als een Held, niet scheef of manck van hielẽ,
Maer in een gulden koets met Diamanten wielen,
175
Geseten in triumph, met blijdschap schouwen aen,
Wat deugd sijn roock, de smis, de werreld heeft gedaen.
Vulcane
zijt gegroet, ghy hebt de smis verheven,
En u een eeuwigh lof de werreld voor-geschreven:
Noch
Bacchus
, noch
Bieraen
, noch
Brandamoris
oock,
180
En hebben lof noch eer, dan door u soete smoock.
Geen feest, noch hooge staet, geen offer kan men vyeren,
181
By
Bacchus, Brandamoor
, of by de vette Bieren,
Ten zy u lieve reuck, u wieroock van de smis,
Versellen dese vreughd, en çieren haren dis.
185
So dat ghy niet in een, maer op elx hooge feesten,
+
In alle Tempels leeft, en toont u snelle geesten:
186
Die
Bacchus
dan omhelst,
Bierana
oock bemind,
187
En roepen welkoom smoock,
Vulcanus
liefste kind.
Vulcane
u geloof en hanght niet aen de rancken,
189
190
Noch aen
Bieranaes
vocht, en lieffelijcke drancken,
Noch oock aen
Brandamoor:
vermits u soete aert
Verkiest geen eygen kerck, maer houdse even waert.
192
Wel vreemde
Neutralist!
die by het volck kond leven,
193
En sien daer u geloof in alle Tempels sweven,
195
Waer 't reuckerigh altaer, door uwen wieroock stooft,
195
En stelt in yeders keur, wat kercken hy gelooft.
196
De bergen, waer de wijn in overvloet komt vloeyen,
+
Die sietmen om dees Stad met groote hoopen bloeyen,
Waer
Bacchus
hem vermeyt, en met sijn
Nymphen
leeft,
200
Die haer dit lieve vocht en al dees vreughde geeft.
Dies houdmen 't hooge feest, wanneerse wort gelesen,
201
Waer yder een verschijnt in 't alder-braefste wesen,
202
[p. 96]
origineel
+
En singht een vrolijck lied, ter eeren van de wijn,
O leven van de ziel! ghy moet ons welkoom zijn.
204
205
Ter syden
Ceres
blinckt met opgetoyde vlechten,
205
Die met een groote konst in een gestrengelt hechten,
En schenckt haer gulden kuyf
Bierana
tot een deughd,
207
Wiens Kittebroers al steets daer leven in de vreughd.
208
Bierhanen
weest verblijt, Vrouw
Hoppe
word geboren,
209
210
Die menghelt nu haer kracht by
Ceres
gulden koren,
En brouwt een lecker nat, een sulcken eelen traen,
211
Daer yeder een verlangt te licken aen de kraen.
+
De huysen in dees Stad, die legghen dicht beloken,
213
En in een groen prieel of wijngaerts-loof gedoken:
215
Waer kroeghen by de mijl, en yeder na sijn geld,
215
Laet schaffen wat hem lust, en 't beursjen is gestelt.
215-216
+
De
Bacchae
loos en geyl, die alle list bedryven,
Die sietmen in dees Stad met groote hoopen blyven:
Hier als een duyf op slagh, daer openbaer ten toon,
219
220
En veylen haren dienst om een te sober loon.
Als
Bacchus
wil in 't soet met syne Nichtjens spelen,
221
Dan weten sy de stof om't Minne-lied te quelen,
En met haer listigh oogh, dat lodderlijcken dwaelt,
223
Wort
Bacchus
self getouft, en in den strick gehaelt.
224
225
Een wonderlijcke slagh van op-getoyde dieren,
225
Ia Tooveressen self, en geestigh van manieren:
226
Die weten met een greep en over-snelle vond,
227
Der mannen trotse hert te leggen in den mond:
228
En als die zijn bekroost, door hare heete drancken,
229
230
Vergeten wiese zijn, en na de snollen jancken,
230
So dat het eelste deel, dat dese werreld bouwt,
231
Wort een te lichten Nymph te lichtelijck vertrouwt.
232
[p. 97]
origineel
+
't Zijn Nichtjens van de konst, die met haer lichte spelen,
233
Gaen stellen eene fuyck, de kuffen en bordeelen,
234
235
Met lacchen sonder lach, met streelen sonder sin,
235
Met loncken sonder oogh, met lieven sonder min.
Heer
Bacchus
is wat vies, die soeckt geployde doecken,
237
Of hier een ander dier, naer 't hoofs, wat op te soecken:
238
Bierana, Brandamoor
, of van
Vulcani
slagh,
240
Die siender niet so nauw; pas wat passeeren magh:
240
Zijn gruysigh van natuur, en sien geen visevasen,
241
Al zijnse wat bemorst, te beter isset grasen,
242
Al zijnse scheef of scheel, met d'een of d'ander wrack,
243
Sy siender geen gebreck, sy siender geene vlack.
244
245
Een yeder weet sijn aert en selschap uyt te keuren,
Daer d'eene staet gepronckt te loncken uyter deuren:
En d'ander hier en daer gekamert en geçiert,
247
Met een Gods-dienste schijn door al de Tempels swiert:
Ten minsten dat een Valck wort uyt de locht gekregen,
249
250
Dien sy dan recht den neus gaen snuyten ende vegen,
250
Ia plucken hem so kael, dat hy moet weer van honck,
251b
En voor 't verquiste geld verkrijght hy niet een dronck.
Wanneer de beurs is licht, en 't geldjen is vervlogen,
Dan siet haer
Venus
aen met toe-gesloten oogen,
254
255
En schoptse uyte deur, en roept: ghy kale Guyt,
Het geld is onse Liefd', en 't geld is onse Bruydt.
256
Want
Bacchus
, als hy wil met
Venus
lieflijck paren,
Dan schenckt hy syne most, en
Ceres
hare ayren:
258
Maer als dees gaen ter schuyl, dan is de Min verkout:
259
257-259
260
Want
Venus
veel van wijn, en veel van slempen houd.
Wie teer en vies van aert wil keurigh staen te kijcken,
+
261
Die mach wel uyt haer Stad, en uyt haer woning wijcken.
[p. 98]
origineel
+
Hier gelt geen hovaerdy, maer rijck so wel als kael,
263
Mach komen gantsch beslobt in 't midden van de zael.
264
265
Daer hoeftmen geene muyl aen syne voet te trecken,
En treden op sijn pas. fy stee-luy groote gecken!
266
Dat Iuffrou u so brilt, en scheert u op de kam,
267
De steenen zijn beschaemt, en seggen uyl en lam.
268
Hier gaetmen onbeschroomt, door kamers en door zalen,
270
Hier hoeftmen geen geboen, gewrijf, noch uyle-malen,
270
Buffetten noch thresoors, tapyten noch gordijn,
271
Maer slechts een stoel of banck, de pispot en de wijn.
Dit 's d'huys-raed so in 't gros; de kannen en de glasen,
273
De pullen en de fles, de pypen om te blasen,
275
+
De testen en Tobac, de rekeling, en raf,
275
Die hangen aen den haert, en
Bacchus
met sijn staf.
276
Wat sieckten of wat ramp den Broeders mach bestoken,
Strax zijnse in de weer met haer geweldigh smoken:
't Is Broeder suygh en quijl, de sieckte moet vergaen,
280
Wat kranckheyd is so sterck die hier kan tegen-staen?
279-280
+
Wy suyvren, door ons smoock, den Hemel en de Winden,
Wy konnen alle ramp door onse konst verslinden,
't Zy met een groote pull, een roemer totte rand,
Van Doctor
Brandamoor
een soopjen op de hand.
284
285
Al wat de koude sucht voor ongeval kan wercken,
285
Dat konnen wy met smoock en heete drancken stercken,
286
En selver als de brand komt knaghen onse borst,
287
De brand dooft onse vyer, de brand lescht onse dorst.
288
Indien wy zijn gequetst door houwen ofte wonden,
290
De assche van Tobac die isser toe gevonden,
En tegen gicht of koorts, daer is de Brandewijn,
De treffelijxste konst, de rechte Mediçijn.
[p. 99]
origineel
+
Indien ick al de deughd van dese Mediçynen
Wou stellen op 't papier:
Galenus
most verdwynen,
294
295
En al dien viesen hoop. dus houd u fris van moe,
295
Tobac geneest de ramp, ja totte pocken toe.
296
D'Inwoonders sien naer 't rood, waer Peerlen en Rubynen,
+
297
Carbonckels en Granaet uyt hare kaken schynen,
En dick en bol van vleys, sy gapen na de locht,
299
300
Wiens lever is verdrooght, en jammert na het vocht.
300
Zijn meestendeel gebuyckt, wat vet en op-geblasen,
Kort-aemigh, swack van gang, en altijd aen het aesen,
302
Oock van een vreemde aert, beleeft, en vol van moet,
303
Als een ontsteken toorts, oock bitter als een roet.
304
305
Haer ooghen staen als vyer, waer uyt Fonteynen léken,
305
En druypen langs de wang, gelijck als water-béken,
Haer handen staen verstijft, haer voeten als een licht,
307
Zijn bol en hol van stof, en krimpen van de gicht,
Schijn-heyligh en devoot, daer tranen onder rollen:
310
Van in-getrocken aert, door hooghmoed op-geswollen:
310
Van zeden gantsch verdeelt. Nu als een vrolijck man,
311
Dan als een vuyle Sogh, een Luypert, en Tyran.
303-312
312
Hier kentmen vriend noch maegh: maer die hier willen leven,
+
Die moeten sich den aert, de wetten onder-geven,
314
315
Geen onderlingh verdragh, noch moderate schijn,
315
En gelden by dit volck, maer wetten van den wijn.
316
Dat 's rechts, en dat is slinx, daer gelt geen disputeren,
+
Geen sluyt-reên hebbẽ plaets, noch gantsch geen simulerẽ:
318
Maer uyt, en schoontjens uyt, het glaesjen op den duym,
319
320
Met een Menniste boord, en glatjes, sonder schuym.
320
Dit is een vaste wet. wie souse over-treden?
Suyp uyt, of hier van daen
. wie sou niet liefst in vreden
[p. 100]
origineel
+
Sich buygen naer haer hand, en suypen dat hy steent,
323
Als vreesen voor het volck, en voor de goe gemeent?
324
325
+
Sy hebben 't meest gelaen op d'alder-vieste hoopen,
325
En roepen: Hypocrijt, wegh, wegh, ghy Philosophen
En ghy gekreuckte hoop, die in u voorhoofd draeghd
327
De viesheyd van u breyn, en die na niemand vraeghd:
Die, met u statigh kleed, so deftigh weet te treden,
330
Met zeden, met gebaer, en met gemaeckte reden,
Die over al bedilt, al wat u stuur gesicht
Maer schemert in het oogh, al waer het noch so licht.
Die klooft een hayr aen twee, en lastert onse daden,
333
Die over al verbant de frissche wijngaert-bladen,
335
En 't drincken van een rous. weg, wegh, ghy Vuylesoop',
335
Die liever hebt een glas, als een geheele stoop.
336
Ghy zijt van ons verdoemt, en uyter Stad verdreven,
337
En over al ten roof aen yeder een gegeven,
V kettery vervloeckt, en in een vol gelagh,
340
Een eeuwighlijck verbot gegeven aen den dagh:
339-340
Dat ghy uyt onse Stad voor eeuwigh uyt-gesloten,
En uyt ons heerschappy rechtvaerdigh blijft verstoten,
342
Ter tijd ghy met berouw, en met een groote kan,
343
Betoont u droeve leet, en zijt een leersaem man:
344
345
En dat ghy noch in 't stil, noch openbaer sult leeren,
345
Maer altijd onder ons, en in den wijn verkeeren,
En blasen ons geloof het domme volckjen in,
Dan word ons hoopjen groot, en grooter ons gewin.
348
+
Sy staen met groote vlijt, sy letten en sy mercken
349
350
Op yeders hooge konst, en op haer stoute wercken,
350
Bespieden wie het glas, de order en de maet,
351
Niet op sijn beurt en veeght, of in de kanne laet.
352
[p. 101]
origineel
+
En wieder ongetrouw in 't plengen wort bevonden,
353
Valt in de grootste schuld, en grouwelijckste sonden:
355
Behalven dat hy hoort, Pots tausent dis und das,
Gahr auss und thu bescheyt, und bring mirs gröste glas.
356
Dan wort hem tot een boet een groote schroef geschonckẽ,
357
Die moet dan zijn geklaert, en schoontjens uyt-gedronckẽ,
+
Al quijlt men in het glas, al barft een water-gal,
359
360
Dat 's d'Orgel op dien sangh, en dat is niet met al.
360
Al maecktmen daer een kalf, in 't beste van het suypen,
361
Dat macher al mee deur, dat moeter onder sluypen:
+
362
't Is wieroock voor haer neus, en wel gedistilleert,
Waer mee dit soete volck wort dapperlijck vereert.
364
365
Dit doetmẽ sonder schroom, want wie sou doch verdragen
't Gerammel en 't gewoel, en 't rasen in der magen?
't Is beter datmen 't lost, en reynight dese sloot,
367
't Is een gesonde dranck, en
Plutoos
bier-en-brood.
368
Men isser niet so vies. De Priesters van de glasen,
369
370
Beginnen uyt haer boeck de pypen los te blasen,
370
En strijcken met haer tong van boven af 't fenijn,
371
Dat yeder een verkrijght den zeghen van de wijn.
Dan komt Heer suyp-Hans voort, de Ridder vã dees bende,
373
Ghy Edel-liên, seght hy, die moedigh en behende
375
V dapperheyt vertoont; siet dese groote kroes,
Is een Santé voor ons, dat gaet u voor! avous!
376
En 't sal gaen op de ry: dat niemant gae te buyten,
Of let op sijn gebuur, op 't leeghen van de fluyten:
En wie daer stort of plengt, en niet sijn glaesjen keert,
379
380
Die moet, met tien voor een, dan worden af-gesmeert.
380
Dies paster elck op 't sijn. Noyt saghmen vromer leven,
+
Noyt saghmen beter trouw, noch elck het syne geven,
382
[p. 102]
origineel
+
Maer met een wacker oogh so warter nau gesien,
383
Dat niemant of bedroch, of valsheyt sou geschiên.
385
Wanneer dees vreugde duurt, dan vangtmen aen te malen,
385
Dan hoortmen wilt Musijck in velerhande talen:
+
Dan hoortmen
Bacchus
lof, ô Baccharaccher wijn!
387
aant.
Ghy sult ons lust en jeughd en onse vreughde zijn.
O
Bacche!
edel Held! een kind van uwe moeder,
390
Van hooger stam gedaelt, ons aller Heer en broeder,
Ia broeder in den wijn. u Vader wie die is,
+
Dat hebben wy verstaen, maer 't is seer ongewis.
392
Wy hebben wel verstaen, wanneer ghy quaemt te voren,
393
Dat ghy twee moeders had, waer van ghy zijt geboren:
395
V moeder was een man, u moeder was een vrouw,
Om dat haer man en wijf met u verheughen souw.
396
Vermits ghy in een droom ter werreld zijt gekomen,
So wierd uws moeders jeughd haer in een droom benomen:
398
En daerom word verstaen, dat door u soete wijn
400
De kinders van de sorgh oock uytgesloten zijn.
400
Wy zijn oock fris en jong, geen oudheyd kan ons schaden,
401
Wy binden onse tijd aen uwe wijngaert-bladen:
Al zijn wy oud en grijs, en duycken na den grond,
403
Ghy maeckt een vrolijck hert, een jeughdelijcke mond.
405
Geen smerten, noch so groot, ghy weetse wegh te dryven,
De naere suffery en kander niet verblyven:
406
Wanneer ghy onse kruyn met uwe wiecken woelt,
407
Dan worter pijn, noch smert, in onse ziel gevoelt.
Der Griecken hooge lof en willen wy niet roven,
410
Ons lof, haer onbekent, het hare gaet te boven,
Wy laten haer den roem, maer onse lof alleen,
411
En heeft met haren lof in 't minste niet gemeen.
[p. 103]
origineel
+
Weest welkoom
Asperin, Albani, Romanesci
,
+
413
Weest
Lachrimae
gegroet, weest
Nero, Graeco, Roßi
,
414
415
Vicentin, Fiascon, Falerno
en
Verdé
,
415
Vin Cotto, Candiott
', en vette
Malvasé
.
416
Klarette
weest gegroet, de
Grave, Court
en
Nantes
,
417
Van
Frontinjac, Ai, Françoyse
' en d'
Hoogelantes:
418
Wijn
Dondri
en
Coignac
, de
Montamort, Anjou
,
419
420
Tourssaner
, de
Bordeaux, du Roy
, en de
Poitou
.
420
Canaria
u roem,
Vin Secco
, en
Condado
,
421
Piere-Semeines, Tint, Alcanto
en
Bastardo
,
422
Zy by ons in ghedacht, en dapperlijck ge-eert:
Wy wenschen dat u lof wierd dagelijx vermeert.
425
Weest
Baccharach
gegroet, ô kind van uwe Vader!
425
Weest
Meuselaer
ge-eert, en
Rinckous
rijcke ader:
426
Weest
Deelen
seer gemint, en
Stinckert, Verne
-wijn,
427
Ghy
Klingenbergh
en
Ments
, en
Hoocheym
aen den Rijn.
428
En waer in dat u lof mach by ons zijn vergeten,
430
Dat word u even-wel, ô
Bacche!
toe-gemeten:
430
En watter tot u roem noch naerder dient geseyt,
Mach, na u eyghen sin, noch werden uyt-gebreyt.
Daer komt een vreemt geluyt van d'ander kant gedreven,
Bierana
weest gegroet, ô voedsel van ons leven!
+
434
435
Vriendinne van ons hert, die ons gemoed verfrischt,
En hebt de sorgh en pijn uyt onse ziel gewischt.
Bierana
waerde Bruyd! met u verscheyden drancken,
Wy geven u meer lof als
Bacchus
met sijn rancken,
En
Ceres
weest gegroet, die ons u vlechten schenckt,
439
440
En 't goud-draed van u pruyck met uwen zegen drenckt.
Bierana
weest gegroet, wy willen u vereeren,
En met een groote pul dees vrolijckheyd vermeeren:
[p. 104]
origineel
+
Dewijl ghy dese vreughd met een gevulde maet,
443
Vyt uwen rijcken schoot ons over-waeyen laet.
445
V naem is breed en wijd, by Duytschen meest verheven,
445
Voorwaer aen 't trouwste volck den rechten lof gegeven:
Die wacker by den dronck, noyt swichten om u eer,
447
Te houden in ontsagh, te loven meer en meer.
448
Weest
Lubec
weest gegroet, ghy
Zerbst
met uwe krachten,
450
+
Ghy
Bremen
en
Hamborgh
, wilt
Dantzigh
niet verachten:
En
Rostoc
dinght om prijs, en oock ghy
Oldersom
,
449-451a
451
Lof
Turgou, Garlef, Strants
, en ghy Brunswijcksche
Mom
.
452
O Nederlandsche traen! wie sal u deughd niet prysen,
453
En geven u den roem? wy willen u toe-wysen
455
De kranskens van de hopp', het koren en het goud,
De ayrkens van u deughd, dat ons den Nectar brouwt.
456
Weest
Rotterdam
gegroet, ghy
Delf
ghy mooght wel roemen:
Weest
Haerlem
weest verheugt, en oock ghy
VVeesper
bloemẽ:
458
Weest
Israël
te vreên,
Mol, Vytrecht
met u vocht,
459
460
En onse vette
Kluyn
die moeter zijn bedocht.
460
O
Iber!
dat ghy hebt
Breda
ons afgenomen,
461
Antwerpen, Mechlen, Gent
, moet qualijck u bekomen:
461-462
Wy hebben in u plaets een ander vond bedacht,
463
En hebben al u konst in
Rotterdam
gebracht.
465
Noch
Griecken
was bekent, noch
Romen
wist u zegen,
En daerom is dees roem by d'Oude gantsch verswegen:
Maer wy van hooger Geest omhelsen uwe deughd,
467
En drucken in de ziel de vruchten van u jeughd.
468
Al watmen noch verswijght, wat namen datter leven,
470
Wat dient tot uwen lof, dat zy u toe-geschreven:
De heerlijckheyt en roem, de zeghen van u hand,
Die klinckt als een basuyn, en schatert door het land.
472
[p. 105]
origineel
+