Wetten vande Suyp-stad.
VVie sich in onse Stadt vervoeght
,
614
615
Zy met ons order wel vernoeght
.
+
S
Nachts moet ghy altijd wacker zijn
,
En nimmer nuchter by de wijn
,
Op dat de dagh en 't groote licht
,
Sie nimmermeer u aengesicht
.
620
2 VVie 's morgens nuchtren yet belooft
,
Die is van sin en breyn berooft:
VVant geen beloften zijnder goet
,
Die 's morgens yemant nuchtren doet
.
623
3 VVie niet sijn recht bescheyt en doet
,
624
625
Noch met gelijcke mate groet
,
625
Die moet dry-dobbel, al is 't pijn
,
Den Beker drincken mette wijn
.
627
4 U glasen meeten aen de kant
,
Staen op-gevult tot aen de rand:
629
630
VVie morst of stopt een halve ty
,
Die raeckt niet sonder straffe vry
.
[p. 110]
origineel
+
5 Vervloeckt wie nuchter yemant stoot
,
631
Het is een teycken van de dood:
632
Maer so ghy droncken yet bestaet
,
633
Dat is een loffelijcke daed
.
635
6 VVie dat u schelt voor fiel of dief
,
635
't Is suycker, neemt het al voor lief:
Maer wie u noemt een sober man
,
Verdraeght het niet. slaet mette kan
.
7
Al slaedy, raesdy, vloeckt en sweert
,
639
640
Dat is by ons geacht, ge-eert
,
De Dronckenschap niet wel en staet
,
VVanneermen niet rontomme slaet
.
8 VVie van ons scheyt recht op sijn gangh
,
643
Die sondight tegen onsen danck
,
644
645
Maer wie op strooye beenen gaet
,
645
Die kruyst den wegh, en hout de maet
.
646
9 VVie water in sijn wynen menght
,
En 't slechte nat in 't beste plenght:
648
Die haelt by ons een groote schand
,
650
En blijft verbannen uyt ons land
.
10 So ghy uws vriends gesontheyd groet
.
En dat met drooghe lippen doet
,
Gewis de straf is so gestelt
,
Als of ghy
Bacchus
selve schelt
.
654
655
11 Hier vindy Liesd' en 't hoogste Recht
,
De meester doet hier als de knecht:
Hier sietmen slechts op goed bescheyt
,
657
En past maer op Gerechtigheyt
.
12 Wie dus in onse Stad verblijft,
660
Die zy een burger ingelijft:
Of anders, so hem dit niet mond,
661
Die gae uyt onse Stad terstont.
Gelijck in eene stroom sich spreyen vele vlieten,
663
So komen na dees stad oock vele broeders schieten,
665
Die op dees soete vocht so dapper zijn geleert,
665
Ia 't is een groote schand, die weer te rugge keert:
Wanneer dan een Signoor in
Suyp-stad
komt getreden,
Met syd' en met fluweel, met kostelijcke kleeden,
Met vedder-bos en pluym, en na het hof geçiert,
669
670
Een yeder, als een Bye, om desen Ioncker swiert:
De buydel is noch rond, hy laet de schyven klincken,
671
Hy noodight al de bend in sijn gelagh te drincken:
672
+
Hy speelter den Monsieur, hy houd een groote straet,
673
En maeckter den buhay voor yeder op de straet.
674
675
De Calis-bende siet dees vetten voghel sweven,
675
En seght; een van ons al moet met den Ioncker leven,
676
En plucken hem so kael, tot hy in 't selve gild,
677
Den Ioncker seght adieu, en al sijn geldjen spilt.
678
Sy die, als in den nood, haer broeders niet beswijcken,
679
680
Enwillen voor geen mensch haer seyltjen laten strijcken,
680
[p. 111]
origineel
+
Maer yder bruyct sijn konst, en schrobt by dag en nacht,
681
Ten eynde sy voor al behouden hare pracht.
Als 't geldjen is verteert, geraeckt hy
Calis
-bende,
683
Dan siet hy wel den nood, en klaeghd van sijn ellende:
685
Maer 't is dan al verbrast, dan volght hy d'oude sleur,
685
En speelt, met Sint Reyn-uyt, den Ioncker en Seigneur.
686
So 't beste kleed beswijckt, men maeckter vremde ployen,
Men weet sich, na den tijd, so seltsaem op te toyen,
688
Na wonderlijcke snof, gehackelt en gesneên,
689
690
Door 't wambays en de broeck, daer siẽ de naeckte leên.
690
Noch swicht hy voor geẽ Prins hy soeckter bonte kleeren,
Een Rethorijckers tuygh, met vreemde hane-veeren:
692
De woll' is hem te swaer: dit's recht een Ionckers dracht,
Een groots en edel hert veracht doch alle pracht.
695
Of zijn de koussen t'soeck, of voor den wijn te pande,
695
Een barrevoetse gangh, dat waer te grooten schande:
Dies strijcken sy met swart, met root of hemels-blaeuw,
697
Haer beenen, na de konst, met geel of ander graeuw.
698
De quispels, voor de leus, die hangtmen noch ter syden,
699
700
En met een halve kap so konnen sy haer lyden,
700
En gaen als een Signoor, de handen in de sy,
De mantel wort gedraeyt en na de Signory.
702
Het ander halve deel is hier of daer verholen,
703
Of by de Nymph verset, of elders heen gescholen:
704
705
En evenwel so blijft hy fris in sijn gemoed,
Want arme hoovaerdy dat is haer hooghste goed.
Het Ambacht van dees Stad, en die daer in hoveeren,
+
707
Bestaet in tuysschery en dobblery te leeren:
708
In 't spelen op de Kaert,
Rooms-steeck
of
Gelders troef
,
709
710
Cornuffel, Gefthem, hoc
, of
Lants-knecht, blinde schroef
.
710
[p. 112]
origineel
+
Of na des teerlinx loop op 't
Ticketack
te spelen,
711
Met allerleye list de schyven om te deelen,
Verkeeren
of
Premier, la Force
, of
Duyvel-jacht
,
713
Of wat eens Spelers geest voor aerdigheyd bedacht.
714
715
Dan vangtmen aen met list, dan leytmen 't op bedriegen,
Dan sweertmen dat het roockt, en heet den andren liegen.
716
Dan raecktmen over hoop, de schyven en het bort,
Die vlieghen na den kop, en alles wort gestort.
718
So broeders van het nat, oor-grypers van de kannen,
720
Bier-snuyten als Kalkoens, en wel-versochte mannen,
720
Zegh-broeders van den dronck, en van den vollen rous,
721
Ghy stickt haest in u keel, en roept niet eens avous!
722
Vry-lustigh by den dronck, als Mannen, wilt u reppen!
't Schijnt ofmen hier den wijn kan uy te slooten scheppen:
725
En 't suypen is doch eer: hy word een dapper man,
725
Die met een volle rous kan leven mette kan:
En breeckt ghy dan den hals, wat kan u 't sterven schaden?
727
Ghy sult doch in den wijn of in
Bierana
baden,
728
Of om u groote gonst, die ghy aen
Bacchus
toont,
730
't Is licht dat hy u noch met groene rancken kroont.
730
Want wie door dranck verrast,door't drinckẽ raect om 't leven,
Sijn ziele wort terstont aen
Bacchus
over-geven,
En 't is een edel Held, en in den hooghsten graed,
733
Wie 't lichaem voor het land, en voor de vryheyd laet.
735
Ick wil nu van de dood, en van haer uyt-vaert spreken,
Waer
Bacchus
sijn banier komt ridderlijck op-steken,
736
En troost sijn lieve Maets met eenen vollen rous,
En tot de laetste fooy, op't troostelijck avous.
738
Een sonderlinghe treck, van
Bacchus
eerst gevonden,
739
740
En tot een Testament sijn broeders toe-gesonden,
[p. 113]
origineel
+
Op dat sy by den dronck, en in den laetsten nood,
Zijn manlijck in de weer, en stryden totte dood.
742
Daer was van hoogher stand een
Capiteyn
gestorven,
+
Een
Ridder van den VVijn
, die over al gesworven,
745
En yvrigh in sijn wet, sat stadigh boven aen,
745
En dienden
Brandamoor, Klarette
en
Bieraen
.
Die midden in den smoock, sijn vyand onder oogen,
Dorst als een Kampioen sich Ridderlijck vertoogen:
748
En voor aen in de tocht, en altijd in 't geweer,
749
750
Lagh glasen, pijp en lont gestadigh by hem neer.
Die eene dobble knoop was voor de keel geschoten,
751
So dat de wijn, eylaes! sijn gorghel hiel gesloten:
Dies smoord hy in dit vocht, en in dees droeve nood,
Geraeckt' hy om den hals, en ijlde na sijn dood.
754
755
Een over-groote rouw verrees door 't haestigh sterven:
Gewis, riep yeder een, hy moet den Hemel erven,
Want soo het goede baet, dat hy so vlytigh mient,
757
Aen
Bacchus
heeft hy dan den Hemel wel verdient.
Daer was een groot gevolgh van alderleye Staten,
759
760
De uytvaert wiert bestemt van veelderley Prelaten,
760
De Adel en het volck, en van de fijnste slagh,
De Kitte-broers van 't gild, die quamen voor den dagh.
762
Van voren ging een hoop, die met gesangh en weenen,
+
Beklaeghden syne dood met luchten en met sténen,
765
Waer neffens
Ganymeed
gingh met een groote kan,
765
En troosten dese broers, en schonck gestadigh an.
Ten eynden dese rouw niet sou te droevigh wesen,
So wiert
Silenus
eerst voor allen uyt-gelesen:
768
Die met sijn vrolijck hert en quicken die hy weet,
769
770
En met een groote pul, verdryven sou haer leet.
[p. 114]
origineel
+
Dies wierd' het Lijck gevoert, gelijckmen binnen
Romen
771
De Zege-feesten vyert: die met haer pompen komen,
772
In een verheven koets, met kranskens en met lof,
773
En voeren haren Held nae 't
Capitolisch
Hof.
774
775
Dees Held wiert oock vereert, triumphelijck verheven,
En om sijn vrome daed den hooghsten lof gegeven:
776
De ranxkens van de druyf, de spruytjens van de hopp',
777
De ayrkens, en het klim, om-woelden synen kop.
778
Sijn lichaem lagh in 't groen, met trossen over-laden,
780
Geschildert en gekranst met frissche wijngaert-bladen:
780
Sijn schilden, en 't geweer, de pypen en de kan,
781
Betoonden dat hy was een dapper Edel-man.
782
Dus wasser groot gevolgh, en grouwelijck krioelen,
Een droeffelijck geween, een sonderling gewoelen,
784
785
En yeder was besorght, dat over-mits de rouw,
785
Sijn hert van al 't gehuyl by na versticken souw.
+
De groote God des Wijns, de vreughde van haer leven,
787
Sat op een gulden koets, seer konstelijck gedreven,
788
Met horens op sijn hoofd, met kranssen van den ranck,
789
790
En troosten sijn gevolgh met d'alder-beste dranck.
Sijn paerden gingen traegh, de Panthers en de Leeuwen,
791
Door over-groote rouw, begosten seer te schreeuwen:
792
Broer Ezel, lang-ge-oort, die maeckten groot geluyt,
En parsten, door den rouw, de vochte traentjens uyt.
795
Hier volghde d'hooghe Staet, de Adel en Je Heeren,
795
En die in
Bacchus
gild sich ruyterlijck geneeren:
796
Met roemers in de hand, en fluyten na de grond,
797
En dickwils, door den rou, was 't glaesjen aen den mond.
+
Bierana
was geçiert, en pronckte met haer verwen,
799
800
Met strenghels fijn van sy, met vlechten van de terwen,
800
[p. 115]
origineel
+
Om-wonden mette hopp', en met so menigh bloem,
Geschildert om haer hoofd, tot eere van haer roem.
802
De broeders van haer veem die volghen haer als mannen,
803
Met pullen van haer vocht, met vaenen en met kannen,
804
805
En deên de laetste eer, haer broeder, die de nood
Gebracht had in 't verdriet, en in de naere dood.
Heer
Brandamoris
self quam met sijn gryse haeren,
+
En met sijn brave baert so statigh aengevaren,
808
En schonck sijn lieve maets een soopjen van canneel,
809
810
Tot stercking van haer hert, en smeering van haer keel.
Hy saeter braef geçiert, de Harpen en de Velen,
811
De Fluyten en 't Musijck die liet hy lustigh spelen:
812
En troosten al sijn volck, dat niet te grooten smert,
813
Of al te droeven rouw, beklemmen sou haer hert.
815
Vulcanus
kreegh de snof, die quam hier mee te blincken,
815
Wel moedigh op den draf, niet als hy plach te hincken:
816b
Maer rollen van toeback die voerd' hy in sijn hand,
817
En
Mopsus
blies het vyer, en stack het in de brand.
+
818
Tot teycken van haer rouw, so droeghen in haer handen,
820
Sijn broeders smoock en lont, de pypen op haer banden,
820
En eerden al-gemeen haer Goden, met een sangh,
Ter eeren van de wijn, en van de soete dranck.
822
De alder-braefste Held, sy songen, die ervaren,
+
823
aant.
Voor 't vrye land sijn lijf, noch leven wilde sparen,
825
Die is hier nu gevelt, verslaghen noch gedood,
Maer een te harden dronck die bracht hem in den nood.
Die t'wylen in der nacht de heldre sterren bloncken,
827
Of
Phoebus
ons om-glanst, gestadelijck was droncken:
828
Hielt ridderlijck de pull', en kampten met het glas,
829
830
Van boven met een stroom, van onder met een plas.
830
[p. 116]
origineel
+
De Priefters, om de rouw wat breeder uyt te drucken,
En om een groot genot uyt desen man te plucken,
832
Versierden eenen vond, van haren mee-gesel,
833
En wien men most, ter eer, op-bouwen een Kapel:
834
835
+
Al-waermen alle Maend te bee-vaert most verschynen,
Met offer en gesucht, met kostelijcke wynen.
836
Wat Wandelaer daer heen mocht nemen synen gangh,
837
Sou tweemael, door den rouw, beproeven synen dranck.
838
Ten derden-mael, sou hy dat heyligh graf begieten,
840
En laten 't dorstigh lijck noch van de vrucht genieten.
En voor een innigh hert, so souder zijn gestelt,
841
Naer 't tuyghen van 't gemoed, een eerlijck offer-geld.
842
De Koster, om altijd den Broeders op te wecken,
843
Sou kannen, fijn van stof, en al de klocken trecken,
844
845
Van suyver Cristalijn, en yeders hooge geest,
Sou 't braefste van sijn deughd vertoonen op dit feest.
846
En d'alder-grootste Pull' sou d'hooghste zijn verheven,
Sou hanghen aen 't Outaer, tot tuyghnis van sijn leven:
Want wie dat in dees kamp hem treffelijcksten quijt,
850
Sou zijn de waerste man, de vroomste in den strijd.
850
Laet dan een innigh hert oock by den dronck verschuylen,
851
't En schaet niet dat men sucht en droeffelijck gaet huylen,
Want dit is
Bacchus
vond, die heeftet eerst gedaen,
En wat de Gecken past, dat staet u aerdigh aen.
855
+
De
Mymers
bootsten af de potsen naer het leven,
855
En dese konst is mee aen
Bacchus
over-geven.
856
Wijn past oock wel by rouw, sy voeren eenen naem,
+
Barmhertigheyd en wijn die passen wel te saem.
Sijn Graf-stee was een Vat, van boven wat verheven,
860
(Een Graf van hooger eer, aen desen Held gegeven:)
[p. 117]
origineel
+
Die in den besten wijn, en 't Baccharachse nat,
Sou rusten na sijn dood, hem drincken altijd sat.
862
Terwijl hy lagh en swom, en in de most te duycken,
863
Was 't hert by na verflauwt, en koste niet ontluycken:
864
865
De broeders, door den rouw, en 't huylen over-luyt,
Die lickten pull en glas, en al de pypen uyt.
Noch wasset niet gedaen: na datmen al de glasen,
De kannen had geveeght, de pypen uyt-geblasen,
868
Verreesser een allarm, daer wanckten glas en kan,
+
869
870
De pypen en toeback, en kroonden desen man.
[p. 118]
origineel
+
‘Gelijck een sware buy van harde hagel-steenen,
‘De harde eycken breeckt, en 't vaste scheurt van eenen:
‘So barst een felle storm van allerleye slagh,
873
‘Van glasen, pull' en kan, en maeckten groot geklagh.
871-874
874
875
Of als men in een heyr den krijghs-man wil begraven,
En
Charon
hem te scheep voert na de groote haven,
876
Dan staen sy op de strand, en sien hem in de vloet,
En doen hem noch van verr' een Ridderlijcke groet:
Dan hoortmen een gekraeck van blixem en van donder,
880
Van roock, van vyer en damp, van boven en van onder,
Elck singht hem den adieu, daer speeltmen traf, traf, traf,
881
Dit is de laetste tocht. De Broeder is in 't graf.
't Was even so gestelt, doen ginckmen noch, ter eeren,
883
Dees Ridders hooge lof en dapperheyd vermeeren,
885
+
En maelden op sijn graf:
Hier leyt een dapper Man
,
Die alles heeft versocht met
Venus
en de kan
.
886
Had
Phoebus
oyt met gunst sijn speelnoots over-goten,
887
So zijn uyt
Bacchus
geest Poëten heer gevloten:
887-888
888
Met klachten over 't Lijck, vol ridderlijcke stof,
890
En stelden dit gedicht tot sijn onsterflijck lof:
Hier leyt een edel Held, die in den VVijn most leven
,
En die de VVijn, eylaes! den dood-steeck heeft gegeven:
892
Die 't smoken, en het spel, en 't glaesjen had besint
,
893
Die leyd nu sonder spel, en smoock, en sonder wind
.
894
895
Sy maeckten een gesangh, ten eynde hy mocht sweven,
895
En op der Helden tong gedurighlijcken leven,
En blaerden over-luyd, sijn daden en geslacht,
897
En belckten synen lof tot over middernacht.
898
[p. 119]
origineel
+
Rouw-dicht,
Stem:
Eradi Majo
.
T
Reurt nu Bierhanen,
899
900
Treurt Ninnaerts van het edel Nat:
900
Drinckt nu met vaenen,
901
Dees Held leyt nu al in het vat:
902
Treurt, treurt, om dese man,
En troost u mette kan.
905
2 Scheyt niet voor morgen,
Och laet de Son geen rouwe sien!
Wegh werrelds sorgen!
Wilt uyt ons hert en oogen vliên,
Weest welkoom lieve wijn,
910
Ghy sult ons trooster zijn.
3 Al ons vermaken
Alleen hangt aen u edel vocht:
911-912
Wegh sorgh en waken!
Wy kiesen een veel beter tocht:
914
915
Wy kiesen d'ed'le traen,
915
Die doet de smert vergaen.
4 Siet eens wat vreughden,
Geschied ons edel Kampioen:
918
Dees Held vol deughden,
920
Die stierf heel buyten ons vermoên:
920
Hy leeft noch in den wijn,
En sal onsterflijck zijn.
5 Hy leeft vol eeren,
Vermits sijn deughd is wijd vermaert,
925
Dies wilt vermeeren
925
Sijn lof, en sijn oprechten aert:
926
't Vol-suypen is geen schand,
Maer lief d' aen 't Vaderland.
6 Suypt sonder vreesen,
930
Suypt pullen, kruycken, glasen uyt:
Wilt treurigh wesen,
En maeckt doch geen te naer geluyt:
932
Maer singt, wie droncken sterft,
Der Dronckerts Hemel erft.
935
So lang de buydel klinckt, en 't offer-geld wil vloten,
935
Is elx geloove vry, en niemand word verstoten:
Maer anders also haest het beursjen wort te kael,
937
So leyd de vriendschap neer, en 't offer t'eenemael.
+
938
Men siet hem over dwars, en grennickt van ter syden,
939
940
Paep
Ninna
mach hem sien, noch hooren, nochte lyden:
940
Want alsoo haest hy derst de schyven en de klanck,
941
Dan heeft hy geen geloof, dan gaet de broeder manck.
942
Doch eer hy gaet haes-op, wat sietmen vreemde dingen!
943
Al watter is bemind, dat moeter eerst uyt-springen,
944
945
De mantel en de broeck, en al sijn beste pand,
945
Dat laet hy in de kroegh, voor
Venus
aen de wand.
946
[p. 120]
origineel
+
De konstjens die sy doen, om schynen noch in d'oogen,
947
Zijn wonderlijck en vreemd, gespeckt met menigh logen:
948
Geen Vogelaer en speelt op so vermeynden fluyt,
949
950
Als dit geselschap soeckt te jancken na den buyt.
950
Maer als de hope faelt, hy laet Violen sorghen,
951
De kraen is dan verstopt, en niemant wil hem borghen:
952
So gaet hy wegh ter sluyck, en kiest een ander padt,
953
+
Verlaet sijn Kameraets, en dese lieve Stadt.
955
De vriendschap is dan t'soeck, en niemant wil hem kennen,
De broeder moet hem nu in Calis bend gewennen,
En fluyten op den duym. hy heeft een holle tas,
957
En krauwt dien wilden kop, en vloeckt pots dis und das,
958
Pots tausent lapperment. dan soecktmen loose vonden.
958-959
959
960
De locht is dan te koud: daer zijn te zoute gronden,
960
Men speelter banckerot, en soeckt een ander kans,
961
Men loopt als een schavuyt, of een gepluckte Gans.
962
Het hayr steeckt door den hoed, de billen door de kleeren,
De hosen noch de schoen en konnen hem niet deeren:
964
965
Een barre-voetse gangh die maeckt hem knap en fris,
965
't Gelap van kous of schoe, te veel gefutsel is:
966
En waer toe doch 't verschiet van veelderhande kleeren?
967
Daer d'alder-braefste swaen draeght eenderleye veeren,
968
En 't schaepken eene woll'. 't is moeyelijck verdriet,
970
Waer datmen groot geveegh van al de kleeders siet.
970
Hy kan met weynigh woll' hem treffelijck geneeren,
971
En 't sparen, door gebreck, wel dapperlijcken leeren:
972
En 't is een lastigh werck, om verr' een wegh te gaen,
973
Met schoenen zijn gedruckt, met kleeders zijn belaen.
973-974a
975
Daer hinckt de broeder heen, en wandelt sijnder straten,
En moeter al sijn maets en sijn confraters laten:
976
[p. 121]
origineel
+
Och 't is te droeven stuck, en een te naeren gangh,
Dat hy van dorst verstickt, en krijghter geene dranck.
Hoe bangh siet hy te rug! wat is 't een droevigh suchten!
980
De broeder moet door nood, en om 't geloove vluchten,
Want dat is schoontjes uyt: en moet so balling zijn,
981
Sich spenen van het bier, en drincken geenen wijn.
982
Ach! wat is 't groot verdriet, al is hy schoon bedorven,
983
En, door sijn groot geswelgh, al levendigh gestorven,
984
985
En dat al sijn gebeent vast rammelt mette dood,
985
Noch blijft hy even groots, en klaeght van geene nood.
986
Dies treft hy 't
eerste Land
van
Nae-dorst
, met vier dorpen,
+
Als
Droogh-keel, Nimmer-wat, Vonck, Suyp-niet
, om te slorpen.
988
Het
Tweed'
is
Gelde-loos
, met Dorpen gantsch veracht,
990
Als
Hoop', Troost, Sonder-vriend, in arremoe
versmacht.
990
Het
derde Spae-berouw
, daer
Licht-hert, Kleyn van sorgen
,
991
Aen
Vroegh-bedorven
leyt, en
Al-te-laet
tot morgen.
Het
vierde Sint Reyn-uyt
, daer
Kael-bil, Al-verbrast
,
993
Aen
Kost-verloren
schiet, en is aen
Calis
vast.
994
995
Ter syden loopt een wegh nae 't
Hoofd der goeder hope
,
995
Wat moeyelijck om gaen, doch eerelijck om loopen,
+
996
En daer men door de deughd, en door gestade vlijt,
Door 't klimmen wert verhoogt, verbetert door den tijt.
998
Doch al verloren moeyt, de
wan-hoop
leyt ter syden,
999
1000
't Verdriet is op den hals, de armoe en het lyden:
Men is den luyen gang, en 't droncken pad gewent,
Men heeft de
Goede Hoop
, noch haven niet gekent.
1002
En waerom hier gekeert? hier moetmen wroeten, graven,
1003
Steets passen op den dienst, en wercken als de slaven,
1004
1005
Hier moetmen sijn beroep en zeghen vroegh en laet,
1005
Met sorghe sien te moet, eer datse elders gaet.
1006
[p. 122]
origineel
+
+
't Is hier te veel verdriets, te moeyelijck om blyven:
Neen, neen, na beter kans. Men moet een handel dryven,
1008
Waer 't geld al is gemunt, en daermen met een tast,
1009
1010
Weer raeckt in d'oude Stad, en is een vrolijck gast:
En daermen luy en traegh leyt dagelijx te loeren,
Of op een groote buyt, of op de rijcke boeren:
En druypter een ter sy, en van het rechte pad,
1013
Die moeter zijn gestroopt om sijn verborgen schat.
1014
1015
De grootste schelmery die moetmen vlytigh weten,
1015
Geen konstjens noch bedrogh en mogen zijn vergeten,
1016
+
En spelen d'Al-gemist, of die den Lapis soeckt,
1017
En die, als kax, de konst van boevery vervloeckt.
1018
Doch moetmen even-wel naer 't goud en silver haken,
1019
1020
En liegen dat het roockt, om tot sijn wit te raken,
1020
En waer dat hem 't bedrogh kan leyden, met gewin,
Geen schelmery ontsien, maer voeghen 't na sijn sin.
En wortmen dan daer na met strenghen vast gebonden,
1023
En om sijn schelmery en goddeloose sonden,
1025
In boeyen hart gepranght, gepynight en geschraeght:
1025
De vroomste Man van al die wort oock wel geplaeght.
1026
Wat druckt hem staghe pijn, ja d'alder-swaerste plagen,
1027
Van steen, graveel en gicht? so schrickelijck om dragen:
1028
Een pijn-banck die in 't hert, en in de ziele nijpt,
1030
Veel harder of een beul met scharpe tangen grijpt.
1030
De pijn is al-gemeen. al komtmen dan te sterven,
1031
+
De wormen moeten doch het doode lichaem erven:
En 't is een selfde dood, die kranckheyd en die pijn,
Of die de Hencker doet: ja dees sal korter zijn.
1034
1035
Waer in is dan 't verschil? alleen dat dees begraven,
1035
Den pieren is een buyt, en d'ander voor de raven.
1036
[p. 123]
origineel
+
De dood is al gelijck. 't is recht eens krijghs-mans hert,
1037
Die voor geen dood en vreest, al waerse noch so swert.
1038
't Is viese-vasery. de romp alleen sal blyven,
1039
1040
Geen leven na dees dood, de tijd sal 't al verdryven;
1040
Waer toe dan swaer gepeyns?, 't is ydelijck geraes,
1041
Te zijn der wormen roof, of swarte raven aes.
1042
Wie dese Stadt in eeren houwt:
En heeft noch Deughd noch God vertrouwt
.
De dronckaert.
1045
W
Aer gae ick heen en slinger sus?
1045
Wat woelt my voor mijn ooge
n
dus?
Mijn beenen my begeven,
Ick knick, ick buyg, ick struyckel heen,
Ick swier, en kruyss' in al mijn treên,
1050
Ick voel een wonder leven.
1050
Mijn leden zijn so ranck en teer,
1051
Ick sinck' haest by mijn soolen neer,
Ick gae op strooye beenen:
1053
Ick sieter al vol wonder aen,
1054
1055
Het onderst' sie ick boven staen,
Het kruyd is in mijn scheenen.
1056
Doch ick heb noch so frisschen moed,
Ick ben so rijck van geld en goed,
Ick pas op Schout noch Heeren:
1060
Ick stap met stappen wijd van schree,
Ick ben oock van de grootste mee,
Wat grootsheyd sou my deeren?
O
Bacchus
met u eele wijn!
Die komt van Keulen langs den Rijn;
1065
Ghy hebt my overwonnen:
Ick heb mijn krieck so byster vol,
1066
Ick ben so nors, so dwars en dol,
1067
Dat komt my van u tonnen.
Holla! ick voel een vreemd gewoel,
1070
Ick suysel van dit groot kryoel:
1070
Mijn buyck begint te rasen,
Te romlen, stomlen, onder een,
Wat boven is, wil na beneên,
Dat komt van al mijn blasen.
1074
1075
Mijn oogen sien oock groen of geel,
Dan wir, voor swart, al waer ick scheel,
Mijn hoofd begint te suysen:
Mijn ooren tuyten, vol van vyer,
Mijn lippen jancken noch nae 't bier,
1079
1080
En ick begin te duysen.
Hou vast, ick stae, ick gae, ick val,
Waer is hy die my houden sal?
O my! wat ben ick bange!
O Mof! ô Frans-man! mijn verdriet,
1084
1085
O Spangiaert! die my dus verriet,
De dood heeft my bevangen.
O Knoet en Deen! ô Bremer vocht!
1087
Ghy hebt my in 't verderf gebrecht,
Nu moety oock weer lyden:
1089
1090
Ghy syter in, ghy moeter uyt,
O waerje slechts al uyt mijn schuyt,
1091
Dan soud' ick my verblyden.
[p. 124]
origineel
+
De groote schroeven, vol van wijn,
1093
Met een Menniste boordelijn,
1094
1095
Die heb ick uyt-gesoffen:
1095
Dat lecker Rotterdammer nat,
Dat sloegh ick in mijn leddren vat,
1097
Dat heeft my nu getroffen.
De rook, de smook, dat dolle kruyd,
1100
Dat krieuwelt my door al mijn huyd,
En timmert vreemde kuren:
1101
Ick fnies, ick hoest, ick spouw, ick quijl,
En stinck so selsaem onderwijl,
En kan by niemant duren.
1104
1105