|
|
|
| |
| | | | | |
[Eerste stuk] Vierde verhandeling
Over de hedendaagsche godtsdienst-plichten en gewoontens der afgodische Oost-Indiaansche volkeren.
Behelzende een vervolg van der Benjanen Godtsdienst enz.
Inleiding.
OM tot een welvoegelyk Verhaal te komen, over 't geen ons noch overig is van de Godsdienstige Plechtigheden der Oostindiaansche Volkeren te zeggen, moeten we een weinig weder te rug treeden, en met weinig woorden berichten wat de Alouden van de Indiën geschreeven hebben.
Arrianus heeft ons in zyn Boek, van de Indiën handelende, dit volgende nage- | | | | laaten.(a) ‘De Indianen zyn in(b) zeven+ Classen verdeelt. De eerste en grootste is die der Akkerlieden of Boeren, zy zyn onaanspraakelyk, zelfs geduurende den Oorlog, en bezitten vreedzaam hunne Landen om die te bouwen.... De tweede zyn Veehoeders..... De derde Kooplieden en handwerkende Ambachtslieden.... Deeze derde soort betaalen schatting aan den Vorst, en geenen zyn 'er van uitgezondert, dan die met het maaken van wapenen bezig zyn, en ontfangen hun week-of jaar-geldt, zonder iets te betalen.... De vierde zyn Soldaaten, die niets dan met den Oorlog te doen hebben.... De vyfde soort bestaat uit die geenen die over het bedryf van anderen het oog hebben, om 'er den Vorst bericht van te geeven.... De zesde zyn de Overheden, die den Koning in 't bestier van zynen Staat behulpzaam zyn.... Na deeze volgen de Gymnosophisten of Indiaansche Wysgeeren, die boven alle de anderen in achting zyn. Zy arbeiden niet en betalen den Vorst geene schatting: maar houden zich met de openbaare Offerhanden bezig; en indien iemandt in 't byzonder offeren wil, moet hy voor den Bestierder van de uitvoering een geschenk doen; want anders meenenze dat de Offerhande den Goden niet aangenaam is. Zy zyn in de konst(c) van waarzeggen ervaaren, en die door niemandt dan hen geoeffent word. Zy voorzeggen voornaamentlyk de verandering van tyden en zaaizoenen; en vallen 'er eenige openbaare rampspoeden voor, neemt men tot hun zynen
toevlucht....(d) Zy leeven gansch naakt, des Winters in den zonneschyn, en 's Zomers onder de schaduw(e) van groote boomen, die zich wyd en breet uitstrekken. Hun voedzel bestaat uit vruchten en een zekere boomschors, die niet min voedzaam als de Dadelvrucht is. Aan den top deezer boomen groeit iet vleeschachtigs gelyk de Palmvrucht. Alle(f) deeze Ordens mogen niet trouwen, en 't is hen niet gedoogt twee Bedieningen waar te neemen, noch van de eene tot de andere Bediening over te gaan, indien 't niet tot die der Gymnosophisten is, die de allerstrengste word geacht.
Alle de Indianen zyn vrygeboorenen, en men vind geene slaven onder hen.... Ook gaan 'er in de Indiën weinig ziektens in zwang.... Indien 'er iemandt ziek word, neemt men zynen toevlucht tot de Gymnosophisten.... Zy bouwen geene Grafsteden voor de dooden, en gelooven dat de achting van groote Mannen buiten 't graf kan bestaan. Hunne kleeding bestaat uit Cattoene lywaat, 't welk op de boomen groeit.... De rykste draagen oorsiersels van yvoor enz... En zy bedienen zich van zonneschermen.... Zy kammen den baardt.... Hunne schichten zyn vier en een half voet lang, en men gebruikt geene proefhoudende wapenen.... Hunne vrouwen zyn kuisch en laaten zich niet dan voor een Olifant verleiden, 't welk veel meer een teken van verdienste dan een onteering is. Wanneereen Vader zyne Dochter uithuwelyken wil, geleid hy haar in 't openbaar, om den prys te verdienen van die haar met worsteling of wetloop winnen zal.... Zy scheppen behaagen in de jagt enz.’ Wy laaten de beschryving daar, die hy van deeze Olifanten doet.
De aloude Grieken hebben aan de Goden+ der Indianen de naamen hunner eigene Goden, en van hunne Helden, Jupiter,(g) Bacchus, aan wien men de overheering der Indiën toeëigent, Herkules enz. gegeeven. Eenige Schryvers hebben bericht dat deeze Volkeren de Boomen aanbaden. Philostratus zegt ons in 't Leven van den Tyaanschen Apollonius, dat 'er op den Berg van(h) Nysa een Tempel gevonden wierdt, Bacchus toegewyt, en die van deezen God zelf gebouwt was, van wyngaarden, klimop en laurieren omringt. In het midden van den Tempel stond het Afbeeldzel van dien God, door zyn eigene handen gewrocht, en on- | | | | der de gedaante van een jongen Indiaan; overeenkomende met het gevoelen der oude Heidenen, die een altoos duurende jeugdt(a) aan Bacchus en Apollo toeëigenen, eveneens gelyk onze oude Romanschryvers aan den beruchten Ogier toegeëigent hebben(b). Men zag in deezen Tempel alle de werktuigen die tot de bebouwing van den wyngaardten wynoogst dienden. Te Taxila een Stadt in Indië, quam hy in een Tempel de Zon toegewyt: hy zag 'er de Afbeeldzels van Ajax en Alexander van goudt, en dit van Porus uit metaal gewrocht.(c) De Tempel was van binnen met een soort van vuurverwig marmer bekleed, en met goudt cement in de plaats van kalk bemetzelt. De wulfen muur-cieraaden bestonden uit paerlen en gesteentens. Hy merkte mede in deeze Stadt de ongemeene snedigheden der Indianen aan, de wyze schikking der Indiaansche Wetten, het onderzoeken der Jongelingen tot de Wysgeerte geschikt; omtrent de Hyphasis,(d) de Dochters aan Venus toegewyt; aan geene zyde van Paraca,(e) den eedt door 't+ water. Alles 't welk hy van de Brachmannen bericht, wykt geenzins van de leere en gewoontens der Braminen af, zonder van de Zielverhuizing gewag te maaken, en men kan in de voorzorg ontdekken, waarmede ons Apollonius bericht, dat de Brachmannen over 't gras gingen, zonder het te vertreeden
noch te drukken, want de schroomachtige oplettenheit der hedendaagsche Indianen, was om de verachtelykste ondieren niet te quetzen(f).
Maar om een weinig breeder over deeze Brachmannen te handelen, die men de Voorzaten der Braminen noemen mag; zie 't+ geen 'er een Engelsman van de oude gebruikelykheden deezer Indiaansche Wysgeeren van verzamelt heeft. Wanneer(g) de bloedvrienden de vrucht(h) van hun huwelyk aan deeze Orde hadden toegewyt, kwamen eenige van deeze Wysgeeren dikmaals de moeder bezoeken, en in dit bezoeken vermaanden ze onophoudelyk tot de kuisheit. 't Was den Brachmannen verboden, niets 't welk leven had te eeten; de onthouding was hun streng en scherp aanbevolen, en zelfs mogten ze niet dan na een Proef-tydt van zeven en dertig jaaren trouwen, welke tydt zy in een ongemeene gemaatigtheit, en in een streng en pynlyk leven doorbragten, leevende voor de ongemakken der elementen blootgestelt, leggende op vachten enz. De Leerlingen moesten de Meesters zonder hoesten, niezen, en spuwen aanhooren, en 't welk niet min moeielyk viel, zonder spreeken. Zy verborgen de geheimen hunner Sekten voor de vrouwen. Zy noemden dit leven des menschen ontfankenis, en de sterfuur der Wyzen, die van(i) hunne geboorte. Zy geloofden de Voorzienigheit, de Schepping van 't Heelal, en zyne ondergang, mogelyk noemden zy de vernietiging de geduurige verandering der stoffe, door welke zy zich weder voortbrengt, zonder zich te vernietigen, onder een oneindigheit van verscheidene gedaantens. Nochtans geloofden ze mede haare verwoesting: zy achtten dat het Water 't eerste beginzel van de Schepping is geweest; behalven de
vier gemeene Hoofdtstossen, stonden ze een vyfde voor den Hemel en de Starren toe. Eindelyk geloofdenze de onsterffelykheit der Ziele, een gevoelen 't welk men mede zeer wel met de Ziel-verwisseling kan overeenbrengen, en als een afhankelykheit van deeze onsterffelykheit, de straffe en vergelding van een ander leven.
De Garmanen hadden een andere+ Orde van Geestelyken onder zich,
| | | | die niet min by den Volke als de Brachmannen geacht was. Zy leefden van 't geen de boomen in de bosschen en wouden voortbragten. By deeze eenzaamheit voegden ze een waare onthouding of veinzing van alle zinnelyke vermaakelykheden. Zy bekleedden zich met boomschorssen, voegden zich nooit by de Grooten, en hadden geen omgang met hun, behalven dat zy aan hunne boodschappers antwoordt gaven, wanneer die van wegen hunne Meesters over netelige zaaken quamen raadvraagen. Hun eenigste bezigheit was de Goden by den Volke gunstig en aangenaam te maaken, door de heiligheit en de gestrengheit van hun levens gedrag.
+ De Alouden maaken mede van zekere Beedelordens gewag, overeenkomende met de Joguis en andere hedendaagsche Faquiers. Zy waren, gelyk de anderen, de voorwerpen van der Indianen eerbiedigheit, die door hunne liefdaadigheit gevoed wierden. Deeze Geestelyke Beedelaars bemoeiden zich met de geneeskunde, tovery en waarzeggery. Noch een andere bediening die zy zich toeëigenden,(a) was de dooden te begraaven. Zy zworven achter landt; maar quamen nochtans dikmaals in de steden en gehuchten, alwaar zy zich hooren lieten, wordende van 't Volk gevolgt, en somtyds zelfs van de Vrouwen die zy niet verontwaardigden in 't getal hunner Leerlingen aan te neemen. Wanneer zy in de steden zich ophielden, gingenze vrymoediglyk naar de markt, en namen 'er 't geen hun aanstond zonder betaling. Twee van deeze Faquiers zich voor Alexander vertoonende, na dat ze voor dien Monarch de lydzaamheit en gemaatigdheit gepredikt hadden, wilden zy hem toonen hoe verre de eerste deezer twee deugden op hen vermogt. Een deezer twee Faquiers dan, die hoog bejaart was, strekte zich op den rug ter aarde uit, blyvende dus eenige dagen in die gestalte voor de ongemakken des luchts en hitte der zonne leggen. De andere bleef op een been staan, houdende in beide zyne handen boven zyn hoofdt opgeheven, een groot stuk houts. Men bericht ons zoo veel andere diergelyke zaaken van de Aloude Faquiers, dat het onnoodig is, ons daar mede op te houden. Calanus, die zich voor Alexander den Grooten verbrandde, was van de Orde deezer Faquiers.
Een ander Aloud Schryver(b) verhaalt+ ons van een Geestelyke Orde met de Brachmannen verschillende, en geeft die den naam van Pramnae, beschryvende hen als behendige, twistverwekkende en ontrouwe menschen in 't twistredenen, geneegen zynde de studie der Brachmannen te bespotten. Deeze zelfde Schryver stelt drie soorten van Brachmannen, te weeten, die der Gebergtens en Woestenyen, die met wilde beeste vachten bekleed waren, en zich met voorzeggingen, en 't geneezen der ziektens bemoeiden door middel van toverkonsten en van de kennisse die zy van kruiden en wortelen hadden; van deeze, die verkooren gansch naakt te gaan, en waar onder men(c) vrouwen zag, zonder dat zich eenige aandoening wederzyds opdeed; van deeze eindelyk, die in de steden en gehuchten leefden, menschen, veel verdraagzaamer in hunne levens wys en in hun gedrag. Het schynt ons onnoodig te zyn alhier aan te haalen 't geen Clemens van Alexandrie van deeze Geestelyke of Indiaansche Wysgeeren verhaalt; wy zullen alleen aanmerken dat hy hen toeëigent een Piramide aan te bidden, 't welk ons schynt met(d) de Mahadeu overeen te komen, door de Hedendaagsche Indianen onder de gedaante van een spits oploopende Pylaar aangebeden.
De Aloude hebben mede niet onkundig+ geweest van 't gebruik der Indiaansche Vrouwen, die na hunnen Mans doodt dit leven afleiden, en zich met hun(e) verbranden lieten; noch van de(f) Pelgrimaadjes der Godvruchtelingen naar zeekere geheiligde wateren; noch van hunne eerbied voor de Rivieren; noch van hunne gewoonte de Afgoden te groeten, en hunne Offerhanden met danssen te verzellen; noch van hunne Wysgeerige Schoolen, alwaar de Vreemdelingen de weetenschap van natuurlyke en Godsdienstige zaaken leerden(g). Uit deeze Schoolen heeft Histaspes Vader van Darius zyne geleerdheit gehaalt. Wy zullen vervolgens in deeze Verhandelingen eenige andere aanmerkingen, het bericht van de overeenkomst der Alouden met de Hedendaagsche raakende, voordraagen, wegens 't geen zoo wel de een als andere van de Oostindianen geschreeven hebben. |
(a)Wy volgen de Overzetting van Ablancourt. Voor zoo veel het de gebruikelykheden der hedendaagsche Indianen eigen zy.
(b)Dit heeft eenige opzicht op der Indianen Castes of Geslachten.
+Bericht door Arriaan van de Indianen ge geeven.
(c)Men vertelt nu noch ongemeene dingen van hunne Waarzeggery.
(d)De wonderlyke gestaltens der Faquiers zyn volkomen genoeg bekent, vermits zy voor de brandende hitte der zonne in 't openveldt bloot staan.
(e)De Boom der Benjanen, anders Raysboom genoemt; de groote uitgebreidenheit deezer boomen, komen genoegzaam met het bericht van Arrianus overeen.
(f)Dit word heden noch in acht genomen.
+Welke gedachten de Grieken van der Indianen Goden hadden, en wat Philostratus van hun en hunne Tempels bericht.
(g)Bacchus word in Philostratus in 't Leven van Apollonius genoemt, de God aller Orientaalsche Volkeren: maar Strabo neemt alles voor vertellingen en versierselen wat men van de overheeringen van Bacchus in deeze afgelegene landen beschreeven heeft, en van de steden door hem in de Indiën gebouwt.
(h)Deeze die gelooven dat Bacchus de zelfde als Moses is, vinden in Nysa de naam verwisseling van Sinaï: in zodanig een geval zouden de overheeringen van Bacchus in de Indiën konnen waar zyn, onderstellende dat hy die van den kant van Arabië en de Roode zee deed, als landen die de Alouden dikmaals met de Indiën vermengt hebben.
(a)
Solis aeterna est Phoebo Bacchoque juventus. Tibul.
(b)
En Paradis trouva l'eau de Jouvence,
Dont il se sut de vieillesse engarder &c.
Dat is:
Hy vond in 't Paradys een water 't welk verjeugdt,
Waar door hy d'Ouderdom nooit smaakte enz.
(c)Deeze omstandigheden zullen den geenen zoo verdicht niet schynen, die weeten welke rykdommen in de Pagoden bewaard en opgesloten worden.
(d)Zie 't geen we van de schaamtelooze ontucht der Indiaansche vrouwen in 't derde Deel omtrent Ixora in de aanmerking Pag. 212. hebben aangemerkt; en een plaats van M. Dellon, Sita de vrouw van Ram betreffende, die mogelyk de Indiaansche Venus is, waar van Philostratus meld.
(e)Zie ook 't geen we in 't voorgaande Deel over den eedt der Indianen hebben aangemerkt.
+Wat hy van de Brachmannen verhaalt,
(f)Zie Pag. 54. van 't voorgaande derde Deel, de aanmerkingen van de overeenkomst der gewoontens enz.
+En'er een Engels Schryver van bericht.
(g)Aloude Schryvers door Purchas aangehaalt, Coel. Rbodig. Lect. Antiq. L. 18. C. 31.
(h)Onderstelt dat deeze Mannelyk was.
(i)Dit denkbeeldt schynt in den eersten opslag tegen de Ziel-verwisseling te stryden: maar men kan de beide meeningen genoegzaam met elkander overeenbrengen.
+Orde van Geestelyken by de Aloude Garmanen waar in die bestond.
+Beedelordens met de Oude Faquiers overeenkomende, en hoe, die zich gedroegen.
(a)Deeze Aloude Schryvers zyn in hunne meening bedrogen, of de zaaken zyn t'eenemaal verandert want de Faquiers bemoeien zich geenzins wat de dooden aangaat
+Een andere soort van Brachmannen, en waarin die bestonden, aangemerkt.
(c)Zie 't geen men van de Hedendaagsche Joguis in 't voorgaande Deel Pag. 216 en 217, aangemerkt heeft; en in de Reizen van Ovington insgelyks.
(d)Ixora onder den naam van Mabadeu. Zie het Byvoegzel in 't voorgaande Deel Pag. 210.
+Hoe de Alouden van 't gedrag der Indianen mede niet onkundig zyn geweest.
(e)Coel. Rbodig, L. 18. C. 31.
(f)Zie de aanhaalingen in Purchas L. 5. C. 1.
(g)Ammian. Marc. L. 23. C. 6.
|
|