Naaukeurige beschryving der uitwendige godtsdienst-plichten, kerk-zeden en gewoontens van alle volkeren der waereldt. Deel 6


auteur: Bernard Picart


bron: Bernard Picart, Naaukeurige beschryving der uitwendige godtsdienst-plichten, kerk-zeden en gewoontens van alle volkeren der waereldt. Deel 6 (vert. Abraham Moubach). Hermanus Uytwerf, Amsterdam / Jan Daniel Beman, Rotterdam / Isaak van der Kloot, Den Haag 1738


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 156]

§. V.
Of de Mahometaanen Venus aanbidden.

(a) (DE voorgaande Beschuldiging is, wanneer wy als Godgeleerden zullen spreeken, verfoeylyk; dog deeze is lomp, en tegen een Gezindheid die zig beroemd, alle de Afgoden te hebben uitgeroeit. De Mahometaanen, zegt men, bidden Venus aan, ten minsten deszelfs hoofd: Zoo zulks waar is, zoo is het nog vry wat erger, dan eenen God aan te bidden die lichaamlyk is. Zie hier wat van de zaak is.)

Daar is te Mekka, in den muur der Ca'aba, eenen zwarte steen, welke aldaar nog huiden ten dage word gevonden, hebbende de grootte van eens menschen hoofd, staande twee ellen en een derde boven den grond. De gene die naar den Tempel van Mekka in Pelgrimaadje reizen, betoonen grooten eerbied voor deezen steen, en kussen denzelven(b) (naar de wyze der Oostersche Volkeren.) Dit is, naar alle waarschynelykheid, 't geen gelegendheid zal hebben gegeven tot de dwaaling, waarover alhier 't geschil is; (en deezen zwarten steen is verandert geworden van gedaante, tot een hoofd van Venus.) Dit is onder de Christenen voor zoo onfeilbaar aangenoomen, dat onder de Vervloekkingen, welke zy eertyds deeden uitblixemen tegen de verloochenden, die, hunnen Godsdienst verlaatende, tot de Mahometaanen overliepen, men onder anderen dit Formulier vind: ‘Ik spreek den vloek uit tegen alle de gene, die de Morgensterre of Venus aanbidden, welke men in de Arabische taal Chabar, dat is gezegt de groote, noemd.’ Voeg hier by het getuignisse van Anna Comnena, (die geleerde Princesse van de XIIde Eeuw,) welke van deeze zelve Godheid meede gewag maakt(c) onder den naam van Chobar, en welke verzeekerd, dat de Sarazynen Astarté, dat is te zeggen de Maan, aanbidden: Dog die goede Princesse heeft zig daar in bedroogen, wanneer zy besloten heeft, dat de Mahometaanen dat gesternte aanbaden, om dat zy in derzelver banieren halve Maanen zag(d) staan. Glycas in zyne Jaarboekken(e) verhaald bynaa al het zelve, zeggende dat de Mahometaanen Venus aanbidden; dog op eene heimelyke wyze. De proef, welke hy daar van geeft, is, dat zy in hunne gebeden deeze woorden spreeken, Alla, alla, oua cubar alla. Een ander Auteur, in 't licht gegeven door M. le Moine, in zyne Varia sacra(f), zegt insgelyks, dat zy Venus, of den Zonnesteen* aanbidden, welken zy Oua noemen, een woord, dat in de Hebreeuwsche taal beteekend den waaren God(g). De Schryvers der Centuriae Magdeburgenses(h), na dit spreukje te hebben verhaalt,(i) voegen 'er nog een ander by, ten opzigte van Mahomet en eenen zeekeren Afgod, welken hy te Kadix zoude hebben gemaakt, en waar van zy ons wel hebben willen eene beschryvinge meededeelen, die zoo belachelyk als wydloopig is. Euthymius moet nog al eens op het Toneel komen. Dees zegt ons, dat de Arabiërs eene groote agtinge hebben voor de Morgensterre, 't geen zonder onderzoek is aangenomen van Selde-

[p. 157]

nus,(a) in plaats dat hy den Griekschen Monnik had behooren te berispen over zulk eene tastelyke fabel; dog verre daar van daan, Seldenus gaat nog verder, tragtende, zoo hy maar best kan, te bewyzen, dat de Mahometaanen Uranie, dat is naar allen schyn te zeggen de Godinne(b) des Hemels, aanbidden; hy brengt by, het zelve Formulier dat Glycas aanhaald, Alla oua Cubar, of Cabar alla; waar in hy eene groote Godinne of eene magtige Godinne vind(c) (en deeze Godinne is Venus, of de Maan, of Uranie, en altoos is daar den eenen of den anderen Afgod onder verborgen.)

Dog, behoudens alle de agtinge, welke ik aan de geheugnisse van dien grooten man en van alle anderen schuldig ben, hebben zy zig zeer grovelyk bedroogen. De Mahometaanen hebben nog Goden nog Godinnen, (en daarop verklaaren zy zig genoegzaam in hun groot Formulier des Godsdiensts, 't welk den voornaamsten grond hunner Godgeleerdheid is; daar en is geenen anderen God, dan God zelf, den grooten God, Schepper des Hemels en der Aarde.) Aangaande nu de woorden Alla en Cubar, die zyn van het mannelyk geslagt, en passen op geene Godinnen. 't Geen Seldenus bedroogen heeft, is het getuignisse van een zeer verdagt Auteur(d) van de XIde Eeuwe, die(e) het zelve gewaande Formulier der Mahometaanen van Alla oua enz. aangehaalt hebbende, daar in deeze verborgendheid der ongeregtigheid vind. Alla, zegt hy, beteekend God, Oua beteekend groot, en Cubar groote Maan, of groote Venus, 't geene zaamengeschaakelt zynde, deezen letterlyken zin uitleeverd: God is den grooten God, en de Groote, dat is te zeggen, de Maan, of Venus, is de Godinne.(f) (Een treffelyk Overzetter, om ons de Jaarboekken des weerelds en der Kerke op te geven!) 't Was beeter met andere Auteuren te zeggen,(g) dat de oude Arabiërs Lucifer, dat is te zeggen de Morgensterre, die genaamt word Chabar, hadden aangebeden, tot de tyden des Keizers Heraclius toe. Den Heiligen Hieronimus heeft al meede geschreeven,(h) dat de Arabiërs en de Sarazynen Lucifer, of de Morgensterre, aanbaden. 't Is eene zaake, die zeeker, en in de Historiën beweezen is, dat Mahomet by zyne komste alle de Afgoden heeft afgeschaft, zoo als zulks kan worden gezien uit een geschrift dat in de XIIIde Eeuw gezonden is aan den Paus Gregorius den Negenden, waar van Mattheus Paris in deezer voegen spreekt, in zyne Historie van Hendrik den Derden Koning van Engeland:(i) de Mahometaanen, zegt hy, hebben van Mahomet geleert, om eenen afkeer te hebben van alle Afgoden.

Maar egter hebben zy eene halve Maan in hunne banieren: Is zulks niet een blyk, dat zy de Maan aanbidden?(k) (In geenerlei manieren: Want zoo die proef goed was, zouden alle volkeren der aarde Afgoden - dienaars zyn, overmits 'er geen een eenig is dat geene baniere heeft.) Dog de waarheid is deeze, dat zy dat zinnebeeld hebben aangenomen naar de omstandigheid des tyds, waar in Mahomet uit Mekka vlugtte, namentlyk op het eerste of op het laatste vierendeel der Maan; en van dit berugt (tydstip, ge-

[p. 158]

naamt) Egira, beginnen zy alle hunne tydreekeningen. Het is wel eene waarheid, dat 'er andere zyn, die beweeren, dat zy deeze baniere niet hebben aangenomen, dan na het innemen van Constantinopolen of Byzantium, waar van de oude penningen ook met eene halve Maan geteekent zyn: Dog deeze Auteuren bedriegen zig, vermits het zeeker is, dat de Turken dat zelve zinnebeeld voor dien tyd al hebben gehad, zoo als zulks kan worden gezien by Anna Comnena(a), Jacob de Vitry(b), Albert d'Aix(c), die in de XIde Eeuw leefde, en door de bank by alle de Schryvers van den Heiligen Oorlog.

Dog terwyl wy op het stuk zyn van het Formulier des geloofs Alla, acbar enz. 't geen men zoo verkeerdelyk verstaan heeft; en 't geen niet anders beteekend, dan dat God groot is; zal het niet kwalyk ter snee komen, van de Christenen, die 't voornemen hebben, om zig ter neder te zetten in de landen der Mahometaanen, of om dezelve te doorreizen, te waarschouwen, dat zy zig wagten van te leezen of te spreeken eenige Arabische woorden, welke zy niet verstaan; al waar 't schoon, dat zulks uit jok geschiede, of by wyze van zig daar in te oeffenen; nademaal het zoude konnen gebeuren, dat zy zouden uitspreeken, zonder daar toe gedagten te hebben, zeeker Formulier van Godsdienst, dat niet mag worden uitgesprooken, dan door de Geloovigen alleen; in voegen dat, by aldien, in de tegenwoordigheid eeniger Turksche getuigen, een Christen onvoorziens wierd overvallen, leezende of spreekende met luider stemme het Geloofs-Formulier, Daar en is geenen anderen God, dan God zelf, en Mahomet is zyn Afgezant, of iets diergelyks, alschoon hy van ganscher herten eenen afkeer mogt hebben van dien valschen Profeet, hy egter zyn leeven niet zoude konnen behouden, dan met verzaaking zynes Godsdiensts.(d) (Want alsdan zoude men hem ernstelyk en in 't openbaar dwingen belydenis te doen van het geloof, 't geen hy niet, dan uit jok, of om zig te oeffenen in het uitspreeken der Arabische taal, had gedaan.) Men verhaald(e) dat een Grieks kind te Constantinopolen, gehoort hebbende de stemme der openbaare uitroepers, welke van boven van de toorens het volk tot het gebed roepen, dezelve begon na te spreeken, en met andere kinderen van zyne jaaren te roepen,(f) Alla, acbar enz.(g) ('t geen een heilig Formulier is) en dat die naroeping aan het zelve het leeven kostte. In der daad men zag wel dat het een kind was, aan 't welk zyne onnoozelheid had moeten dienen voor(h) verantwoording (by alle volkeren des weerelds.) Egter nam men het gevangen, stellende het zelve te vooren, om een van beiden te kiezen, namentlyk den Alcoran, of de dood. 't Kind verkoos het laatste, en wierd onthooft. Dit voorbeeld zou mogelyk doen gelooven, dat de Mahometaanen zeer groote dwingelanden zyn in 't stuk des Godsdiensts; dog men zoude zig bedriegen, zoo men deeze gedagten had: Want, uitgenoomen het geval waar van wy zoo even hebben gesprooken, en eenige andere, die al zoo zwaar zyn; als namentlyk, eene Musulmansche Vrouwe te na te hebben geweest(i), den voet te hebben gezet binnen Mekka, of in eene Mosquee, alhoewel in dit laatste geval men niet overal even streng is; dwingen de Mahometaanen niemand, zelfs niet hunne slaaven, om hunnen Godsdienst aan te nemen: Zelfs zyn 'er in Turkyen gansche Dorpen en Burgten, alwaar alle de inwoonders Christenen zyn: En men zegt, dat in de(k) Hoofdstad

[p. 159]

alleen meer dan zestig duizend Jooden zyn, zonder de Christenen van alle gezindheden te rekenen. Dit komt door de verdraagzaamheid, welke hunnen grooten Profeet hen heeft aanbevoolen: ‘Zoo 't God gewilt had, zegt hy,(a) alle menschen die op den Aardboodem zyn, waren geloovigen (dat is te zeggen, waren Mahometaanen.) Zult gy dan zoo uitzinnig zyn, gy armen sterveling, om door geweld de andere menschen te dwingen tot gelooven? Neen, de ziel geloofd niet, dan door den wille Gods.’ 't Is even eens, als of hy zeide.‘Indien het Gods welbehagen was geweeft, dat alle menschen in de gansche weereld eenpaariglyk overeenkwamen over alle stukken des Godsdiensts, gelyk zy overeenkomen over alle de wiskundige waarheden, zou 'er hem niets ligter zyn geweest, als hen daar van te doen hebben, die algemeene bevattinge; dog de ervarendheid leerd ons, dat God zulks niet oorbaar heeft geoordeelt, hierom heeft een ieder volle en volkome vryheid, om te volgen het licht van zyn eigen verstand; en om te gelooven, dat het waaragtig is, 't geene hem als zoodanig voorkomt. Want daar is niets ongerymder, dan de menschen te willen verpligten, om voor waar aan te neemen, 't geen hen niet als eene waarheid voorkomt. En het is eene schande voor de Christenen, aan andere Christenen, zoo als nogtans geschied, te weigeren, om deeze dierbaare vryheid te gebruiken, maar hen door hunne verkeerde manieren te noodzaaken, hunnen toevlugt te neemen tot het Ryk der Turken, alwaar zy meer rust en liefdaadigheid vinden, dan by hunne broederen zelve.(b) Den Grooten-Turk is zagtzinniger dan den Paus, en den Mufti liefdaadiger dan een Bisschop. Binnen Constantinopolen is geene Inquisitie, nog ook te Ispahan; en alle de Christenen konnen aldaar zeggen, verre af zynde van de Roomsche zendelingen:

Et duce dux nostro mitiro hostis adest. Dog na den Christenen hunne onverdraagzaamheid te hebben verweeten, moet men ook de Turken doorstryken over het martelaarschap, dat zy een arm kind deeden ondergaan, over het spreeken van eenige gewyde woorden, welke het niet verstond. Welk eene wreedheid voor eene(c) Secte, die 't voor eenen hunner grootste zet-regels houd, dat men het geweeten niet moet dwingen! Zeggen zy zelve niet, dat als wanneer hunnen Profeet aan de Koraïshiten voorlas het Kapittel van de Sterre, alwaar gesprooken word van drie Godinnen, de Duivel hem in den mond blies deeze aanstootelyke woorden: Het is geoorloofd zig te verlaaten op de voorspraake deezer Godheden? Zeekerlyk(d) was dit zeer tegen 't gevoelen van Mahomet, eenen grooten vyand deezer Goden, en deezer Godinnen. By aldien de Koraïshiten daar uit voordeel hadden willen trekken, zouden de Mahometaanen dat wel hebben konnen goedmaaken?(e) Voegen wy hier by, dat Mahomet zelf heeft gezegt,(f) dat God eenen roekeloozen Eed niet zal straffen, wanneer dezelve uit onbedagtzaamheid is gedaan, als by voorbeeld, wanneer de tonge de gedagten voorkomende, men zegt By G... dat is waaragtig! waarom dog dan zoo streng met de Christenen gehandelt, wanneer dezelve(g) onvoorzigtiglyk zeggen, 't geene zy niet behoorden te zeggen?