terug  begin  verderprepost
[p. 112]

Arthur Honegger

Pacific 231

Arthur Honegger, auteur van Le roi David, van Judith, van tal van goede werken voor kamermuziek, toont zich in dit mouvement symphonique van zijn beste, romantisch-impressionistische, zijde. ‘Modern’ is het stuk eigenlijk evenmin als Les préludes van Liszt, Till Eulenspiegel van Strauss, of Aan mijn vaderland van Bernard Zweers. Dat wil hier zeggen: modern van geest. Van klank is Pacific natuurlijk anders, zeggen wij: actueler, dan Strauss' of Liszts verdichtselen. Maar de eerste vraag is altijd die naar de psyche van een kunstwerk, dat wil zeggen: van de schepper. En Honeggers geest is die van de romantische impressionist.

‘J'ai toujours aimé passionnément les locomotives,’ zegt hij ergens. ‘Het zijn levende wezens voor mij en ik houd van ze, comme d' autres aiment les femmes ou les chevaux’...

De retorica van deze mededeling is niet bijzonder gelukkig en wij mogen vrezen, dat sommige van Honeggers vrouwelijke kennissen hem nadien hebben laten blijken, dat zij niet wensten te concurreren met mechanische of animale tractoren.

Maar de wijzeren onder die kennissen zullen zijn lyrische ontboezeming gelezen hebben met een glimlach en zij zullen de opmerking gemaakt hebben, dat Schumanns Davidsbund, Berlioz' Feux et tonnerres, Wagners exageraties, zogoed als E.Th.A. Hoffmans Tolle Schnickschnack, nog voortleven in onze dagen, gepersonifieerd in een jong en talentrijk musicus.

Wat wij een station verder, enigermate meer in de toekomst, nog met deze machine zullen moeten doen, is een andere vraag. Zij zal tamelijk snel verouderd zijn.

[p. 113]

Pacific is het muzikale portret van een locomotief, ‘pour trains lourds de grande vitesse’, zoals het apparaat, hedendaagse brontosaurus, daar staat; ‘pour aboutir enfin à l'état lyrique, au pathétique du train de 300 tonnes, lancé en pleine nuit à 120 k.m. à l'heure’...

Dit reisgidsenproza is beter dan het vorige citaat. Maar de mentaliteit, die een in muziek te uiten lyrische stemming ontleent aan het pathos van een verkeersmanifestatie - al is die trein nu ook driehonderd ton zwaar en al rijden wij nu ook volle honderdtwintig kilometer -, deze mentaliteit is volstrekt romantisch.

Reeds bij de eerste Amsterdamse proefrit bleek, hoezeer deze machine ‘pour trains lourds de grande vitesse’ van een vorige-eeuws type is. Over honderd jaar zal men haar in het rariteitenkabinet kunnen bewonderen, naast een opgezette mammoet en in de onmiddellijke nabuurschap van een authentieke toeslede. En men zal glimlachen over die dwaze voorouders, wier componisten de wonderlijke tovermacht der muziek gebruikten voor hun kinderlijke spelen; die zich verbeeldden, dat zij door middel van klankenreeksen locomotieven konden uittekenen, of ‘Gläser Bier in Tönen suggestiv deutlich machen’, of bergtoeren en beschuit-met-muisjes in de hersenkronkels hunner toehoorders zouden oproepen. Onbegrijpelijk is deze fase natuurlijk niet. Vóór de elektrische trams reden, voor iedereen kon meepraten over stopcontacten, bajonetfittings en kortsluiting, heeft men immers jarenlang met Leidse flessen en stukjes vlierpit gespeeld?

Het vermakelijke van dit soort programmamuziek is, dat Pacific 231 precies evengoed ‘Lever du jour’ kon heten, of ‘De lawine’, of ‘Groeiend ongemak’. Het stuk bestaat uit een progressief crescendo, tweehonderdzeventien maten lang, duur ruim vijf minuten, en drukt alles uit wat een crescendo zoal uitdrukken kan. Het begint impressionistisch: bekkentremolo's en flageolet-seconden: men kan zich als kinderen ermee

[p. 114]

vermaken. Wij zien quasi de stoom uit de veiligheidskleppen komen en het plezierig-metrische tweeslagje, dat de oude h.s.m.-machines haast in karikatuur vertoonden, duikt hier elke twee maten op. Dit is knap impressionistisch werk, van hetzelfde infame ras overigens als de koeklokken uit de Alpensymfonie en het schapengeblaat uit Don Quijote. Dan komt het gevaarte in beweging en dan zit er niet veel constructie of evenwicht meer in; en naarmate er meer forte's komen, verwijderen wij ons verder van het station van vertrek, van de muziek. Het had evengoed tien minuten kunnen duren, als twintig seconden, als vierentwintig uur. En alle verdere verschijnselen: de orkestbezetting, het onophoudelijk kwadratische van de metriek, het gehalte der melodiek, onttrekken zich aan onze belangstelling. Het bleek een zeer goedklinkende partituur, het werk van een musicus, die het schrijven voor orkest verstaat; maar het werd geen kunstwerk. Het was al démodé voor het voltooid werd. Het werd een niet: de auteur wedde op de verkeerde locomotief.

Een componist heeft niets aan de premissen welke Honegger onder zijn Pacific-conceptie plaatste. Een muziekstuk bestaat slechts van binnen uit, ter wille van de muziek zelve, ter wille van zichzelf. De primaire impressie, de kiemcel, om met d'Indy te spreken, kan juist zo uitgroeien als zijzelf dat wil - maar met een locomotief had het dan al in de tweede maat niets meer te maken. Honegger heeft dat zelf wel gevoeld, toen hij schreef, dat hij niet het geraas van de machine wilde imiteren (dat zou ook geen portuur zijn geweest!), maar ‘la traduction d'une impression visuelle et d'uné jouissance physique par une construction musicale’. En het enige wat men hem te verwijten zou hebben, is, dat Pacific 231 geen muzikale constructie werd. Dat is helaas afdoende.

Op ditzelfde concert werden twee van de nocturnes van Debussy uitgevoerd. Dit bleken voor Honegger gevaarlijke belendingen: vergeleken met Nuages en Fêtes is Pacific kinderspel.

[p. 115]

Ten eerste en ten voornaamste: psychisch. De beide nocturnes van Debussy zijn toverformules, die de diepste waarheden in ons wakker roepen, bezweringen, die de beesten onzes geestes temmen kunnen, die onze hoofden vol klank toveren en ons tijdsbegrip doen verstromen. Pacific is niet meer dan een aardige afbeelding, een bewegende prent, als gij wilt.

Maar ten andere: muzikaal. De klank van Debussy is nog volkomen nieuw, zo nieuw als die van Berlioz, of van Haydn - als van elk groot genie. Na de eerste blazende flageoletten op tremolos en contrabastrillers, komt er in de hele Pacific niet één nieuw of zelfs maar persoonlijk accent meer.

En dit ten slotte is onherstelbaar: Debussy's nocturnes zijn van 1898, Pacific is van 1923. In die kwart eeuw zijn wij niet vooruitgegaan - wij zijn zelfs niet blijven staan. Wij zijn achteruitgestormd, de nacht in, met 120 km per uur...

 

1926

prepostterug  begin  verder