Face au mur


auteur: Filip de Pillecyn


bron: Filip de Pillecyn, Face au Mur. De Clauwaert, Leuven 1979


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

De ter dood veroordeelden

De herfst komt aan. Soms slaat een geel blad tegen de ruiten. Ik zit drie jaar. Drie jaar met twaalf uren bezoek per jaar achter glas en tralies. Dat eerste bezoek is de pijnlijkste herinnering van jaren die rijk zijn aan bitterheid: toen ik mijn vrouw weerzag in het troebele licht van de bezoekcel, en wij beiden niet wisten hoe beginnen.

De meeste mensen die ik sedert een hele tijd niet meer gezien heb, zijn veel ouder geworden. De cel vreet het merg uit lichaam en ziel. Het te uitsluitend leven op zichzelf, de aanhoudende introspectie waartoe gij gedwongen zijt, knaagt aan uw gemoed en zorgen waartegen gij onmachtig staat verteren uw hart. En gij weet dat buiten dat niemand een woord gelooft van de schone leuzen die uit de mond der hypocrieten klinken. De meesten hier hebben het geloof in de mens verloren; daarmee houdt alles op.

Soms zie ik de lange stoet der ter dood veroordeelden naar de ‘préau’ gaan. Menigeen onder hen is mij goed bekend. En stuk voor stuk zijn de mannen, wier gezicht mij vertrouwd is, eerlijke mensen. Zij wachten tussen dood en

[p. 139]

leven, maar hun stap is vast en hun gelaat gesloten. Zo is het ook met hen die naar de executiepaal gaan. Er zijn er die maanden, jaren zelfs worden gehouden met de bedreiging van het executiepeloton als bestendige aanwezigheid. Er zijn er die zo meer dan twee jaar hebben gezeten. Iedere dag, tussen vijf en zes 's avonds, luisteren zij naar elke stap die door de gang naar hun cel toekomt. Dat is de tijd waarop het gerechtelijk en het geestelijk gezag, broederlijk verenigd, de uitverkorene van de dood komt zeggen dat hij morgen, bij het krieken van de dag, zal worden neergeschoten. Die tijd tussen vijf en zeven komt elke dag weer, en in een jaar zijn drie honderd vijf en zestig dagen. Was uw handen, Pilatus.

Het gebeurt dat men mensen in de onwetendheid laat van het feit dat zij gegracieerd zijn. Een Limburger hier moest drie en twintig maand wachten alvorens hem zijn genade werd bekend. Een andere werd in november 1948 begenadigd; dat werd hem medegedeeld in Juni 1949. ‘Toe te laten dat een ter dood veroordeelde maanden of jarenlang niets hoort van de bevestiging van het vonnis en in de ondraaglijke angst en geestelijke kwelling leven moet, niet te weten of de volgende dag niet zijn laatste op aarde zal zijn, is karakteristiek voor het sadisme van het Naziregime. Indien er ooit iets als een misdaad tegen de menselijkheid moet worden beschouwd, dan wel een dergelijke handelwijze’. Aldus het vonnis van Nuerenberg.

In hun overgrote meerderheid zijn de gefusilleerden van deze repressie als mannen gevallen. Velen hebben, in een laatsten ademtocht, de belijdenis afgelegd van dat waarvoor ze hebben gestreden en waarvoor ze gestorven zijn. De oude, gebrekkelijke Borms heeft de nacht die zijn terechtstelling voorafging, rustig geslapen, is met opgewekt gemoed naar de griffie gegaan waar hij zijn afstand van het leven ondertekende en kalm en stout blikkend in de geweerlopen, heeft hij geroepen dat het galmde: Dietsland, houzee!

Als het waar is dat men niet liegen kan in het aanschijn van de dood, dan moet men ook aannemen dat de overgrote

[p. 140]

meerderheid van die mensen geloofden in de zaak waarvoor zij werden neergeschoten. En wie sterft voor de zaak waarin hij gelooft, is een eerlijk mens.

Er zijn, onder deze ter dood veroordeelden, mannen die meedoen aan de zang- en muziekafdeling, die lezingen houden voor de radio van de gevangenis. Zij kunnen tijdens de repetitie geroepen worden om hun doodvonnis te horen voorlezen. En toch onderscheidt hen geen zwaarmoedigheid van hun kameraden. Maar ik werd koud toen ik op een avond een ten dood gewijde met volle overgave: ‘Dans une prison’ van Verlaine hoorde zingen.

Hun reacties, bij het vernemen van het vonnis, zijn bij de meesten een ogenblik van verstarring. Dan verlaten de twee lotgenoten die met hen het leven deelden, de cel. Zij zullen geen bevriend gezicht meer zien. Kalm stappen zij de executiepaal tegemoet.