terug  begin  verderprepost

2. Het beschavingsoffensief

Het is inderdaad opmerkelijk hoezeer Smeken in zijn tekst de ingrediënten seks en stront suggereert, benadrukt en vooral toevoegt. Daardoor is deze dimensie veel sterker bij hem aanwezig dan in de

[p. 91]



illustratie
Margareta van Oostenrijk, uitgebeeld door Barend van Orley naar analogie van Maria Magdalena (zie de zalfpot), wordt aldus in een dwingend historisch verband geplaatst. Ex: München, Bayerische Staatsgemäldesammlungen.

[p. 92]

poppen zelf. Onder hen bevinden zich veel naakten. Zoals bekend wijst de systematische ontbloting in de beeldende kunst op het binnentreden van antieke tradities, hetgeen dan verrassend snel is doorgedrongen in het sneeuwpoppenspektakel. Die klassieke invloed op de vormgeving van de poppen bleek al eerder, aangezien Smeken hier oog voor had: de perfecte afmetingen in het postuur van Hercules, de pilaren, en vooral de pilaar met de ronde knoppen.

Het effect van al dat naakt werkte erotiserend. Koning David ziet uit het venster van zijn paleis de beeldschone sneeuwwitte (!) Bathseba, door welk aanzicht hij zeer opgewonden raakt: ‘Haer naect lijf heeft hem so verhit’ (r. 89). En niet alleen hem, want Smeken vermeldt dan dat veel mensen hun werk verzuimden door het aanschouwen van deze groep. Gewoon naakt zijn verder Adam en Eva, Cupido, Gedeon, zeer waarschijnlijk Hercules, en twee keer twee naakte kinderen (Tweelingen?), van wie het laatste stel verwikkeld is in een steekspel.

Maar Smeken gaat verder en beschrijft ook enige acties, die een scabreuze ondertoon krijgen of openlijk scabreus zijn. In een fontein lagen twee personen van sneeuw, ‘Al naect’ (r. 212), openlijk te vrijen, op zo'n genotvolle wijze dat een zot jaloers toekeek en graag had willen meespelen. Hierbij presenteert hij zeker een vertekening in de typering van de zot, door hem geil te maken. Zeer waarschijnlijk stemde de sneeuwgroep overeen met een bekende voorstelling uit de laatmiddeleeuwse prentkunst, namelijk die van minnenden in een liefdestuin bij een fontein. De daarbij voorkomende zot speelt altijd de rol van waarschuwer, die op het zotte van dat verliefde gedrag attendeert.6 Maar Smeken vertekent in zijn eigen voordeel en maakt hem betrokkene. Wonderlijk noemt hij vervolgens het vrijende stel te paard voor het huis Brandenborg aan de Koolmarkt, waarschijnlijk omdat hij de voorstelling niet herkent.

Meer scabreus worden zijn toevoegingen bij drie andere scènes. In de buurt van de Lakense Poort stond een wildeman, het mythische wezen vol haar met mensenpostuur, stammend uit een nog niet beschaafde oerwereld en veel benut aan het eind van de middeleeuwen in allerlei verbeeldingen. Hij is de belichaming van ongetemde en onbeheerste driften. Deze wildeman nu waakt over een begijn met haar ‘lollepot’ (r. 222). Naar middeleeuwse overtuiging hadden juist begijnen een permanente behoefte aan het soort driften die de wildeman in de vorm van ongekende seksuele vermogens kon aanleveren. De begijnenbeweging wekte van meet af aan grote argwaan, aangezien deze lekenvroomheid van alleenstaande vrouwen geen erkende orderegel aannam en dus hoogst verdacht moest zijn. Vooral in Brussel hadden

[p. 93]

de begijnen een slechte naam. Ze waren betrokken geraakt bij een ketterproces tegen een sekte aldaar van de beweging van de Vrije Geest. Daarbij kwamen praktijken aan het licht van adamitisme (paradijselijke dus zondeloze vrije liefde). Een groep geestelijken en een enkele stadsbestuurder zouden dan hun Eva's hebben gevonden in het begijnhof, vandaar dat de leider van de sekte zijn zondige geloof en praktijken ook in het openbaar moet afzweren in hun midden. Nu staat er dan zo'n beluste begijn van sneeuw bij de Lakense Poort, zeker niet toevallig op die plaats want vlak daarbij ligt het begijnhof, geheten Den Wijngaerd. Ze houdt haar ‘lollepot’ gereed, letterlijk een vuurpot maar vaak - niet alleen hier - gebruikt als metafoor voor vagina, immers de enige vuurpot die de wildeman op waarde weet te schatten en dan ook graag wil bewaken.7

Er valt hier niet goed uit te maken of deze implicaties inderdaad in de geboetseerde sneeuw aanwezig waren. Bij de beschrijving van Aristoteles en Phyllis is echter evident dat het Smeken is die de scabreuze toevoeging maakt. Dit paar is vanaf de hoge middeleeuwen steeds vaker afgebeeld in de vorm van (of op) gebruiksvoorwerpen, miniaturen, houtsneden, prenten en tapijten. Ze vormen het model bij uitstek voor wat de verdwazingen der liefde zelfs bij de wijste mensen vermogen aan te richten. Zoals steeds zit Phyllis op de rug van Aristoteles, die ze berijdt als een paard: ‘Haren quoniam brack hem al de leden’ (r. 268). Dat woord quoniam komt meer voor, waarschijnlijk op te vatten als komisch eufemisme voor achterste, door middel van verbastering van het Latijnse conam of conamen (steun of zit). Maar de uitbreiding van het gebruik tot vagina is evenzeer aanwezig, en die past hier beter omdat het breken van zijn leden nu niet alleen geschiedt in materiële zin (door haar gewicht) maar ook in moreel opzicht.8

De kroon wordt echter gespannen door de relatief uitgebreide beschrijving van de zich etalerende vrouw in het Rozendal, langs de stadsmuur. Deze lokatie geeft al aan dat we hier in de hoerenbuurt zijn, en dat de weelderige vrouw - ‘groot vet wijf, al naect’ (r. 318) - een prostituée is. Ze had enorme billen (‘achterwangen’), prachtig gevormde borsten, terwijl er een hond tussen haar benen zat. Haar geslachtsdeel was bedekt met een roos, maar het ‘doosje’ onder die roos heeft menigeen al zijn zilverwerk doen verliezen! De komische eufemismen die Smeken gebruikt behoren tot het procédé van de raadselcultuur. De lezer wordt nadrukkelijk uitgedaagd om mee te doen aan zijn spel; ‘dat ghij 't smaect’ voegt hij aan deze passage toe: voor de goede verstaander.

Wat is de betekenis van deze relatief sterk aanwezige erotiek in de

[p. 94]

sneeuwpoppen, en de aandikking daarvan in meer scabreuze richting door Jan Smeken? Allereerst ligt het voor de hand om te denken aan compensaties voor de toenemende repressie van seks. Deze vormen een vast onderdeel van de stedelijke omkeringsfeesten, en zelfs van het stedelijk feestgebeuren in het algemeen. De blijde inkomsten grijpen ook graag naar naaktscènes uit het genoemde voorraadmagazijn, van het Oordeel van Paris tot aan David en Bathseba. Maar de meer agressieve en scabreuze hantering van seks hoort bij de vastenavondviering. Sebastian Franck poogt in zijn Welt-Buch van 1534 (ook in het Nederlands vertaald) een allesomvattende beschrijving te geven van dit feest. En daarbij noemt hij tot drie keer toe als voornaamste kenmerk de schaamteloze naaktloperij over straat.9

Naakt en erotiek komen in het kader van een in de stad voortschrijdend beschavingsproces onder druk te staan. Die beweging vloeit voort uit het steeds algemener gehuldigde ideaal van de onderdrukking en beheersing van driften en emoties, waardoor een groeiende elite zich wenst te onderscheiden. De toenemende afkeer van alles wat aards heet en door de natuur geregeerd wordt, komt steeds meer naar voren in de stedelijke samenleving aan het eind van de middeleeuwen. En naakt toont een vleselijke natuurlijkheid, die de zinnen onbeheersbaar maakt. Erasmus' manierenboekje voor de opgroeiende jeugd uit 1530 bestempelt de afkeer van het impulsief natuurlijke als beschaafd:

Men behoort in de slaepcamer stille te zijn, gheen rumoer te maken, ende schaemte te hebben, noch ontdecken eenich lidt dat van natueren behoort bedeckt te zijn.

Naakt hoort bij primitivisme, zoals dat nog steeds voorkomt bij onbeschaafden elders. Een Brusselse kroniek meldt onder het jaar 1506, dat de koning van Portugal een groot eiland in ‘Indiën’ heeft ontdekt, ‘ende waeren die luyden in 't selve eylandt al naeckt gaende’. En dat is het enige wat er over die inboorlingen wordt verteld.10

Dit offensief uit zich in de stad op allerlei manieren. Zo is er rond 1500 een algemene beweging tegen de plaatselijke badstoven, een in de middeleeuwen zeer gewaardeerd instituut waarvan elke stad er menigeen kende. Het baden had een sterk sociaal karakter dat zeer erotisch was gekleurd, zelfs in die mate dat een typering van nette bordelen meer op zijn plaats is, hoezeer men daarbij ook rondplensde, at en muziek maakte. Deze gewapende badcultuur is een bijzonderheid van de grote Brabantse en Vlaamse steden. De Portugese koopman Pero Tafur weet blijkens zijn reisverslag uit de jaren 1435-1439 niet wat hij

[p. 95]

ziet in Brugge. Hij is stomverbaasd over de seksuele uitspattingen van keurige burgers in de Waterhalle, een van de plaatselijke badstoven. Op strikte belofte van het respecteren van hun incognito staan vrouwen daar alles toe aan mannen, terwijl iedereen zich even gemakkelijk daarheen begeeft als zou het om gezamenlijk kerkbezoek gaan. Vooral welgestelden en de intelligentsia bezochten deze eroscentra, die niet zelden de weelde van hofvermaak probeerden te imiteren. Maar het badhuis is ook een intellectueel trefcentrum - zonder dat daarbij van de bestaande attracties afstand werd gedaan - onder humanisten, ongetwijfeld naar klassiek voorbeeld. Daarom kan Erasmus zo'n decor kiezen voor een van zijn colloquia over het huwelijk, nagevolgd in De Stove van de Brusselse rederijker Jan van den Dale, geschreven vóór 1522. Maar ondanks de populariteit van deze badstoven in de betere kringen krijgt de oprukkende schaamtecultuur toch de overhand, zodat van stadswege in de loop van de vijftiende eeuw steeds meer bedrijfsbeperkingen en sluitingen worden gelast.11

Bij deze beweging horen ook de kuisingen, die aangebracht worden in de instructiewerken die Thomas van der Noot in serie produceert voor zijn stadgenoten. Zo'n werk is Tregement der ghesontheyt van 1514, een praktische gezondheidsleer vol dieet- en gedragsadviezen, direct vertaald uit het Latijn door Thomas zelf. Maar hij selecteert daarbij wel. De technieken ter voorkoming van zwangerschap en abortusmethoden laat hij weg, en dat is eerder een teken van het nieuwe ‘fatsoen’ dan van de veel oudere kerkelijke moraal. Dat wordt vooral duidelijk wanneer hij passages schrapt die niets met kerkelijke standpunten te maken hebben. Zo voert hij het begrip ‘fatsoen’ ook expliciet als reden aan, wanneer hij niet verder wenst in te gaan op de eetbaarheid van varkenstestikels: ‘Ende ic soude hier noch breeder af scriven, maer ick laet om de eerbaerheyt.’12

Dat nieuwe fatsoen, zo muf en belegen geworden in de negentiende eeuw, getuigt juist van een aanstekelijk elan in het hele fonds van Thomas van der Noot. Het gaat om iets waarlijk nieuws, namelijk een in burgerkringen ontwikkeld gevoel voor wat eerbaar is en wat niet. Niet hof of klooster bepalen hoe het hoort, maar de burger zelf geeft nu aan wat wel en niet deugt in de omgangsvormen van het dagelijks leven. Wie deze code leert en respecteert is eerbaar, wie dat niet doet of kan is een vileyn, een dorper, plattelander, kortom iemand die buiten het gepacificeerde, met muren afgesloten en dus geciviliseerde gebied thuishoort, van wie er dan helaas nog zovelen binnen de stad aanwezig zijn. Het is de bijzondere taak van de drukker-uitgever om deze code aan te brengen, te verduidelijken, te verspreiden en te respecteren. Dat

[p. 96]



illustratie
Het badhuis of de ‘stove’ als stedelijk lustoord, naar de houtsnede van Albrecht Dürer van omstreeks 1496. Ex: New York, Metropolitan Museum of Art.

[p. 97]

legt Thomas met zoveel woorden uit in zijn octrooiaanvraag bij de Raad van Brabant in 1512. In die geest handelt hij ook steeds in de praktijk, zoals in het nawoord dat hijzelf toevoegt aan een zwangerschapsinstructie voor aanstaande moeders, de Roseghaert van den bevruchten vrouwen uit 1516. Het boekje mag niet in de verkeerde handen terechtkomen van ‘vileynen’, die de eerbaarheid niet zullen respecteren maar zich geil willen verlustigen aan deze praktische wetenswaardigheden - met illustraties - over het vrouwelijk lichaam.13

Bovenal blijkt de toenemende repressie van naakt en erotiek uit de stroom van maatregelen die de stad neemt om (vermeende) excessen op dit terrein te beteugelen. Onzedelijkheid wordt een opmerkelijk punt van aandacht. Vanaf de vijftiende eeuw vindt men incidenten gemeld op het gebied van de zeden in de strafrechtspraak en in kronieken, die voorheen nooit aan de orde kwamen. Daarvoor zijn twee verklaringen te geven, die beide echter op hetzelfde verschijnsel wijzen. Enerzijds kunnen zulke incidenten ook al vroeger zijn voorgekomen, zonder dat iemand daaraan bijzondere aandacht schonk. Anderzijds kunnen zij juist nieuw zijn, in de zin van ontladingen die door de toenemende druk voor sommigen onvermijdelijk worden. Hoe dan ook, in 1430-1431 treedt het gerecht streng op tegen een exhibitionist, die in de kerk zijn ‘manlicheyt’ toonde aan getrouwde en ongetrouwde vrouwen, juist toen de hostie werd opgeheven. Hij moet enige dagen te schande staan, om daarna voor twaalf jaar uit Brabant verbannen te worden. Dat hij zijn euvele daad uitgerekend in de kerk pleegt, heeft geen andere betekenis dan dat de kerk een van de weinige plaatsen is in de middeleeuwen, waar vrouwen alleen en in zekere concentratie zijn aan te treffen. Maar daar kijken ze meestal devoot naar beneden, behalve wanneer de hostie geheven wordt, zodat dit het uitgelezen moment was voor de man om toe te schieten.14

In de stedelijke ordonnanties te Brussel beginnen al vanaf 1360 de verbodsbepalingen toe te nemen tegen overspel en het geven van gelegenheid daartoe. Bovendien worden ook hier de badstoven een steeds groter punt van zorg. Er wordt bepaald dat men er niet de nacht mag doorbrengen en er ook niet slapend mag worden aangetroffen. In 1429 doet het stadsbestuur een wilde slag in de lucht om de slechte zeden te onderdrukken. Mensen met een losbandig gedrag worden uitgesloten van openbare ambten en overspeligen verliezen hun rechtszekerheid. En in 1439 komt er dan een gericht beleid tegen gelegenheid geven aan openlijk overspeligen, die ongehinderd hun gang blijken te kunnen gaan in allerlei huurpanden. In de loop van de vijftiende eeuw is er ook steeds meer nachtelijke onrust rond de stoven.

[p. 98]

Een algemene maatregel van de stedelijke overheid bestaat uit het aanwijzen van eroszones, ten einde meer greep te krijgen op de prostitutie. Dergelijke buurten worden dan bij voorkeur rond de wallen gesitueerd. Wijst op zulke acties ook het leegstaande bordeel met de veelzeggende naam 't Hinneken, midden in de stad en in 1518-1519 opgekocht door een armenhuis? Hoeren werden als zodanig niet vervolgd, krachtens een al sinds Augustinus gehuldigd standpunt dat dit noodzakelijke kwaad (mits zoveel mogelijk gecontroleerd) toegestaan moest worden, anders infecteerde het de gehele maatschappij:

Hoeren in de stad lijken op riolen in het paleis. Gooit gij die eruit, dan stinkt het hele paleis.

Niettemin werden hun arbeidsmogelijkheden sterk ingeperkt, niet alleen door zones in te stellen, maar ook door zowel klanten als pooiers scherper aan te pakken. Vooral geestelijken en getrouwde mannen moeten het ontgelden wanneer zij zich in het openbaar bezondigen.15

Tegen heimelijk overspel bestaat geen vervolgingsbeleid. Maar zo gauw het openbaar wordt, schiet het gerecht toe. Moeten we niet aan een wanhoopsdaad denken, wanneer een monnik uit het Rooklooster bij Brussel onder het jaar 1445 in zijn kroniek noteert: ‘Ende eene vrouwe die kint droech, van loste, clam boven bij Sinte Michiel op den torre’? Het vrouwe geeft aan dat het om een gehuwde vrouw uit de betere kringen gaat, die op de toren van het stadhuis geklommen is waar een beeld van de aartsengel Michael staat. En dat het om de vrucht van overspel gaat, signaleert de monnik door de toevoeging ‘van loste’, dus: door wellust. Voor dergelijk overspel wordt een getrouwde vrouw in 1507-1508 bestraft met het hangen in de mand, een speciaal Brusselse schoffering in het openbaar die een merkwaardige verwantschap vertoont met een voorbeeld uit de literatuur. In het volksboek van Vergilius, omstreeks 1525 gedrukt naar oudere voorbeelden, moet de hoofdfiguur voor iedereen te kijk hangen in een mand, waarmee hij heimelijk in de vertrekken van een door hem felbegeerd meisje meende te zullen belanden. Maar uit wraak laat ze hem halverwege stoppen, hetgeen niet alleen in de toegevoegde houtsnede is vereeuwigd, maar ook in vele andere en eerdere verbeeldingen. In datzelfde jaar komen overigens twee mannen in de mand, omdat ze aan partnerruil hebben gedaan: ‘twee gesellen die malcanderen huer wijf gelevert hadden om bij te slapen, in de mande gehangen’. En kort daarna, in de tweede helft van 1508, wordt zekere Peter de Visch veroordeeld ‘die oick befaemt was van dat hy een vrouwe onderwegen

[p. 99]

Vilvoerden oneerlyck aengetast hadde’. Ongetwijfeld is het ook ongewenst seksueel vertier, dat een ‘huis van correctie’ doet stichten in 1506 voor jonge meisjes die een misstap hadden begaan en hier hun boetvaardigheid kunnen tonen. Ze worden Repentienen genoemd, en voor bescherming hebben zij als patrones Maria Magdalena, de zondares. Duidelijker kan het niet.16

Er zijn sterke aanwijzingen dat de toenemende druk op vrijelijk te beleven liefde en erotiek (al dan niet gehuwd) in toenemende mate leidt tot neigingen om compensatie te zoeken in overspel, bigamie en ander fantasierijk gedrag. Dat is waar te nemen vanaf het einde van de middeleeuwen in alle grote steden van de Zuidelijke Nederlanden. Een aanwijzing voor het heimelijk zoeken van seksueel genot wordt eveneens gevormd door de talrijke technieken om zwangerschap te voorkomen, die in de vijftiende eeuw beginnen te circuleren in de stad. En ten slotte wijst het Adamitisme van de Broeders en Zusters van de Vrije Geest op toenemende nood. Zoals gezegd kwam zo'n beweging ook voor in Brussel, waar er bovendien contacten zouden zijn met de plaatselijke begijnen. Een positieve benadering van genotvolle seks behoort tot de centrale leerstellingen van deze voor de kerk zo ketterse gemeenschap.17

6Zie Vignau Wilberg-Schuurman 1983, 5-6 + afbeeldingen.
7De processtukken zijn uitgegeven door Frédéricq 1899-1902, I, 266-279. Zie verder: Lerner 1972, 157-163, 190-195; De Waha 1975, 5-28; Janssens 1984. Zie de afbeelding van het immense begijnhof Den Wijngaerd op de kaart van De Tailly uit 1640: hierover Lebeer 1948-1955. Voor lollepot zie Smeken ed. 1946a, 27 (commentaar bij r. 222) + verwijzing. Over de wildeman zie Vandenbroeck 1987, 7-39.
8Het beroemde paar wordt uitvoerig besproken in de tentoonstellingscatalogi: Felheid 1985, nr. 54; Heks 1985; Vrouwen 1988. Voor quoniam verg. commentaar op r. 268 in Smeken ed. 1946a, 51.
9Seksgrappen als onderdeel van de raadselcultuur bespreekt Catholy 1966, 41-44; zie ook noot 1 en noot 5. Franck 1562, fol. 111 recto (de Duitse ed. is van 1534).
10Het voortschrijdende beschavingsproces is magistraal in beeld gebracht door N.J. Elias (1980; eerste druk: 1939); voor introducties op zijn werk zie Blok 1977 en Goudsblom 1982. Bruikbaarheid van zijn werk en houdbaarheid van zijn visies zijn thans onderworpen aan kritische discussies; van belang is Blok 1981, m.n. 27 en 30, die het accent legt op de beschavingsbewegingen in de gepacificeerde stad aan het eind van de middeleeuwen; Pleij 1984a poogt een eerste indruk te geven van de rol van de rederijkers bij zo'n stedelijk beschavingsproces, dat zeker in de beginfase (veertiende eeuw) de trekken van een offensief vertoont. Bewust is in dit boek gekozen voor de term beschavingsoffensief als van toepassing op die stedelijke beschavingsbewegingen; gewoonlijk hanteert men deze pas met betrekking tot het rationaliserings- en centraliseringsproces, dat vanaf de zestiende eeuw in het kader van de staatsvorming zou optreden: verg. Mitzman 1986, conform de centrale thesen in Muchembled 1978 en Volkscultuur 1986 volgens welke in de tweede helft van de zestiende eeuw als het ware de strijd gestreden is tussen volkscultuur en elitecultuur, ten voordele van de laatste: de volkscultuur is dan definitief onderdrukt dan wel geofficialiseerd in geheel West-Europa. Naar mijn mening kan het begrip beschavingsoffensief zinvol toegepast worden op de eerste systematische beschavingsgolf onder de burgerij van de Brabantse en Vlaamse steden in de veertiende eeuw, die na de regulering van het geweldmonopolie binnen de stadsmuren elitevorming vertonen door culturele uitingen, gedragsvormen en de onderdrukking van de plaatselijke volkscultuur: zie verder infra hfdst. IV. Het citaat komt uit de Nederlandse bewerking (ed. 1587) van Erasmus' manierenboekje: Van Vloten 1864, 360; de opmerking over de naakte inboorlingen in Brussel kb, hs. 14.896-14.898, fol. 55 recto.
11Over de stedelijke badcultuur zie: Van den Dale ed. 1944, 27-49, 143-175, waarin ook informatie over Erasmus' tekst; Tafur ed. 1926, 200; verg. Le Goff 1987a, 444; Van Oostrom 1987, 123: Graaf Albrecht van Beieren en zijn zoon, de latere Willem V, bezoeken regelmatig de stoven in Den Haag; opmerkelijk is steeds dat men voor bad- en uitgaansleven zo graag de stad gebruikt vanuit het hof, waar op zichzelf een genotcultuur zeker niet ontbrak evenmin als de mogelijkheden om zelf een badhuis te bouwen; maar het gaat kennelijk om iets anders: de stad is in principe een genotcentrum, culminerend in instituties als het badhuis, waar de betere standen letterlijk hun kleren afwerpen om in zekere anonimiteit van het leven en elkaar te genieten; dit roept eerder gedachten op aan de functie van de stad in de Romeinse tijd (verg. Veyne 1987, 158, 241) dan aan de twintigste-eeuwse sauna; nota bene dat Tafur, als Portugees koopman een duidelijke buitenstaander, in deze zin naar het Brugse badgebeuren kijkt: gedekt door anonimiteit bespringen de meest aanzienlijke personen elkaar hier met vreugde. Maar ook de Brusselse stoven waren internationaal vermaard, wanneer de reactie van Eustache Deschamps rond 1400 maatgevend mag zijn als hij de mooie meisjes en badstoven van Brussel met weemoed herdenkt (Deschamps ed. 1874-1903, IV, 6-7):
 
Brusselle adieu, ou les bains sont jolyz,
 
Les estuves, les fillettes plaisans;
 
Adieu beauté, leesse et tous deliz,
 
Chanter, dancer et tous esbatemens.

Voor de beweging tegen de stoven aan het eind van de middeleeuwen: Vanhemelryck 1981, 131-132; Goudsblom 1977, 295 noot; Shahar 1986, 189; een wel heel directe getuigenis daarvan geeft Erasmus in zijn colloquium Diversoria, over de herbergen in Duitsland (voor het eerst gedrukt in 1523); daarin laat hij iemand zeggen: ‘Goed, maar een vijfentwintig jaar geleden was bij de Brabanders niets meer in zwang dan de publieke badstoven: nu zijn ze overal opgeruimd.’ Overigens wordt daarbij als reden de vrees opgegeven voor besmetting, in het bijzonder met geslachtsziekten: Erasmus ed. 1961, 76; verg. id. ed. 1965, 147-152.
12Tregement 1514, cap. 89; verg. voor het Latijnse voorbeeld: Magninus 1482, boek III, cap. 17 = fol. [n5]verso; zie verder Elaut 1963-1964, 85-86.
13Roseghaert 1516, fol. [n6]recto.
14Vanhemelryck 1981, 149.
15Resp.: Willems 1843b, 297, 304, 307-308; Godding 1953, nrs. 72, 83; Vanhemelryck 1981, 131-132, 145; Shahar 1986, 184-189. Het bericht over 't Hinneken bij Frankignoulle 1935, 113, nr. 435.
16Resp.: Piot 1879, 41; Vanhemelryck 1981, 155, 158: verg. Virgilius ed. 1950; Bonenfant 1942-1943, 256; Brussel kb, hs. 17.119 (laat-achttiende-eeuws), onder de jaren 1506 en 1511. Met dergelijke repressies kan ook de stichting van een opvangcentrum (beter: isolatiecentrum) voor geslachtszieken in verband gebracht worden; de ‘ziekte van Napels’ (Gallische dan wel Spaanse ziekte) wordt vanaf 1495 onderkend in de Nederlanden: in 1506 sticht Marc Steenberg, deken van de Sint Goedele, het centrum, onder bescherming van Maria Magdalena in de Korte Ridderstraat: Henne 1845, 1, 318; of gaat het hier om hetzelfde instituut van de Repentienen, aangezien stichter, straat en patrones identiek zijn, alsook in zekere zin de doelgroep?
17Zie noot 7; verg. nog Lexikon 1977 vlg., III, kol. 1638-1639; Dieckhoff 1978, 89-90; en voor de Noordelijke Nederlanden van deze tijd: Van Moolenbroek 1986.
prepostterug  begin  verder