terug  begin  verderprepost
[p. 222]

VII. Genot en levenslust

1. Genieten voor de dood

Van der Noots drukpers heeft ook verstrooiende intenties. Dit aspect dreigt door de gevarieerde betekenisverlening aan zijn produkten, de sneeuwpoppentekst in het bijzonder, in de verdrukking te komen. Natuurlijk behoort het vermaak ook tot de betekenissen daarvan, niet alleen bij de literaire teksten maar evengoed bij de instructiewerken, van rekenboekje tot de gezondheidsvoorschriften. De lezer (luisteraar) mag eveneens genieten en lachen om wat hij aantreft, sterker nog, hij wordt daartoe geregeld aangespoord en uitgedaagd. Deze opgewekte levenslust lijkt op het eerste gezicht scherp in tegenspraak met de evenzeer door Van der Noot beleden wereldverzaking als levensstijl, en zeker met het beschavingsoffensief voor zover dit de nadruk legt op het beheersen en onderdrukken van aardse prikkelingen.

De ogenschijnlijke tegenstelling in het mijden en het genieten van de aardse schepping is niet zomaar te verklaren. We treffen deze aan in het fonds van één drukker, in het werk van één auteur, en als wonderlijke paradox in de cultuur van de gezeten burgerij in het algemeen aan het eind van de middeleeuwen. In teksten als Die .vij. [zeven] getiden (omstreeks 1507) en Savonarola's Contemplacie (omstreeks 1516) doemt nog het volkomen traditionele beeld op van de wereldverzaking, met de aarde als exclusief domein van de duivel. Wat is deze meer dan een dal van tranen, een put waarin de mens na de zondeval getuimeld is en die hij niet kan verlaten ‘overmits de drie vianden die u stadelick aenvechten, dat es die duvel, die werelt ende u vleesch’.

Ook de zeer gewilde en door de drukpers verspreide stervensdidactiek in de vorm van de zogenaamde artes moriendi in de moedertaal getuigt onverkort van de eeuwige verblijding, die het stervensuur brengt als verlossing uit het ballingsoord der aarde. In Een scone leeringe om salich te sterven van 1500 wordt elk verlangen om langer op aarde te leven zelfs als duivelse ingeving bestempeld, ‘want elc mensche

[p. 223]



illustratie
Titelpagina van een ars moriendi in de volkstaal, gedrukt te Delft rond 1500. Ex: 's-Gravenhage kb.

[p. 224]

hoept ende meent wel langer te leven ende noch niet te sterven, 't welc sonder twifel geschiet bi ingeven des duvels’.1

Nu is deze wereldverzaking niet eenvoudig een nabloei - zo men wil, nasleep - van vroegmiddeleeuws erfgoed dat maar moeizaam wou verdwijnen. Er is juist sprake van een uitvoerige herleving en restauratie van deze levenshouding vanaf de late middeleeuwen tot ver in de zestiende eeuw toe. Deze moet niet verward worden (al zijn er

illustratie
Houtsnede met geïdealiseerde Maximiliaan van Oostenrijk uit zijn quasi-biografie Weiszkunig (1514), zich bekwamend in het boogschieten. Ex: Wenen, Österreichische Nationalbibliothek.

[p. 225]

aanrakingspunten) met de spectaculaire voorstellingen van macabere dodendansen, rammelende geraamten en halfontvleesde lijken in woord, beeld, straattheater en grafmonumenten. Daar horen ook de allerweerzinwekkendste duivels bij en de groeiende stroom (de drukpers!) van ooggetuigenverslagen van de hellepijnen uit de visioenen van weergekeerde bezoekers. Deze afschrikwekkende uitbeeldingen en getuigenissen van dood en duivel dienen eerder opgevat te worden als uitingen van levenslust, beter gezegd levenswil, door van de dood een afschuwelijke vijand te maken. Verklaringen voor dit lugubere verzet worden vooral gevonden in gedachten over decadentie en finde-siècle, zo treffend door Huizinga onder woorden gebracht, verbonden met de algemene crisis die West-Europa vanaf de veertiende eeuw trof en die begeleid werd door rampen van pest en oorlog.2

Maar wereldverzaking en stervensverlangen leggen toch een ander accent. Men blijft immers afstand nemen van de aarde en al het aardse, en begroet de dood als verlossing. En, zoals gezegd, deze eeuwenoude houding wint rond 1500 evenzeer aan populariteit, vooral door de ruim verspreide stervensleren. Als verklaring daarvoor kan evengoed de genoemde crisis van de late middeleeuwen gelden, die ook wel getypeerd is als voedster van een algemeen pessimisme dat het doodsverlangen zou bevorderen. Maar meer nog komt het beschavingsoffensief in aanmerking. Het hoofdaccent daarin ligt immers op het beheersen en temmen van de zinnen, die zich door de aarde laten dirigeren. Daardoor kan men de onverwachte escapades van het lot, de liefde en de dood weerstaan. Vooral de weer opgepoetste, stoïsche houding tegenover de dood als onvermijdelijke clausule in het bij de geboorte gesloten levenscontract komt in aanmerking voor de bevordering van een wereldverzakende houding in het algemeen.

Toch is het onjuist de beschavingsbeweging samen met dat algemenere afstand nemen van de aarde te plaatsen tegenover de evenzeer prikkelende levenslust. Er is eerder een dialectisch verband tussen beide. Het temmen van de zinnen en het onderdrukken van de emoties leiden tot een afwending van het aardse, die zowel tot een stervensverlangen kan uitgroeien maar evenzeer de drijfveer kan worden van de wil om gezonder te leven, oud te worden en beheerst te genieten. Het lijkt wel alsof iemand als Maximiliaan van Oostenrijk (1459-1519) zijn leven lang al deze ambities en emoties afwerkt. Levenslust adverteerde hij uitbundig in zijn quasi-autobiografieën Theuerdanck en Weiszkunig, bij wier samenstelling hij betrokken was. Maar de dood trad hij minstens zo spectaculair tegemoet. Testamentair legde hij vast dat hij niet gebalsemd wilde worden,

[p. 226]

maer dat men in synen camer soude vinden eene kiste van eijckenhoudt, in de welke hy wilde begraven worden, dat men in de selve soude vinden eenen groven doeck van canefas, om syn lichaem in te naeyen ende een deel levendighe kalck, om syne oogen, ooren, ende mondt mede te stoppen. Dese kiste met de geseyde gereedtschap hadde hij wel drij jaeren te voren overal met hem doen vaeren, in een ijseren koffer gesloten, van hetwelke hij selfs des sleutel bewaerde, doende alle avonden 't selve in syn slaepkamer brengen, als synen grootsten schat.3

De positieve levensleer draagt Thomas van der Noot eveneens uit, zoals in de gretig afgenomen schaapherderskalenders waarin de expert bij uitstek op het terrein van de natuurkennis (de herder) uitlegt, hoe je de volmaakte en door God bedoelde leeftijd van tweeënzeventig jaar kunt halen. Deze beweging wordt nog versterkt door een filosofie uit een geheel andere hoek. Volgt het neostoïcisme de door Cicero, Seneca en Boethius uitgezette lijnen in de middeleeuwen, dan laat een tegenbeweging zich leiden door Augustinus' leer. Daarin vindt lichamelijkheid ook erkenning in positieve zin. Affecten en emoties zijn niet zozeer even gevaarvolle als willekeurige impulsen van een tot zonden geneigd lichaam als wel exponenten van een gunstig te waarderen energie, die regelrecht uit het hart komt. Deze hoort bij de mens en mag met recht natuurlijk heten. En op grond hiervan is er dan de erkenning van vreugde, plezier maken en zelfs van een zeker (want natuurlijk) genot bij de seksuele omgang.4

Over genieten en levenslust gaat verder dit hoofdstuk. Plezier spat af van allerlei stedelijke manifestaties en het bijbehorende tekstmateriaal. De betekenis daarvan blijft ook onderbelicht, omdat vermaak en humor zo nadrukkelijk gefunctionaliseerd zijn in de late middeleeuwen. Door lachen kan men leren, vermaak is de honing die boodschappen aangenaam naar binnen doet glijden, men kan met humor de zwaarmoedige en bedreigende melancholie verdrijven, en ten slotte fungeert humor nog eens als wapen om te denigreren en vijanden te treffen. Humor en verstrooiing zitten echter niet alleen in Smekens komische procédé van grollige vertekeningen en absurde animaties op de besproken wijzen. Het sneeuwpoppenfeest is op zichzelf en misschien wel allereerst een ongekende en verrassende bron van vermaak. In dat opzicht behoort het ook tot de ijspret, zoals die in allerlei vorm uit de middeleeuwen gerapporteerd wordt. Daarom hoeven we de door Smeken gemelde sneeuwgroep van ‘twee naecte kinderen, stekende om prijs’ (r. 260) niet meteen met de uitdrijvingsrituelen en

[p. 227]

toernooienkoorts in de vastenavondperiode te verbinden, al is zo'n verband er in de verte wel. Maar steekspelen op het ijs - te voet op elkaar afstormend, op de schaats of getrokken in sleetjes - deden zich altijd voor in competitieverband, ook gemeld in dezelfde strenge winter van 1511 te Gent, te midden van allerlei ander ijsvermaak.5

Toch blijft deze tweeslachtige houding een intrigerend verschijnsel. Enerzijds is er de sterke associatie van natuur (dus ook kou) met angst, kwellingen en duivelse verleidingen, anderzijds wordt dezelfde natuur uitgebuit voor een genotzoekerij die niet zelden in pure lustbeleving overgaat. Nu had de wetenschap uitgemaakt dat de voorwaarden voor dergelijk genot en welbevinden juist in de winter en tijdens kou zeer gunstig waren. De gezaghebbende encyclopedie uit de dertiende eeuw van Bartholomeus Anglicus, in het Nederlands vertaald als de Proprieteyten der dinghen en gedrukt in 1485, laat weten dat hevige kou het effect had dat de lichaamsporiën werden gedicht. Daardoor ontwikkelde zich dan een gesloten circulatie van de lichaamsdampen, die voor verwarming zorgde. Vandaar dat men veel moest eten en drinken, waar het lichaam ook om vroeg zodat men steeds flink trek had: ‘In desen uren of tiden sal men dicwijle eten, want die hetten [hitte] is binnen starc ende so behoeft een mensch veel voetzels.’

De eerder besproken kalenderbeelden zijn met die medische visie in overeenstemming. De drie wintermaanden laten altijd een etende man zien bij het vuur dan wel een compleet banketterend gezelschap, dat het er goed van neemt. Vaste onderdelen zijn ook het aanleggen van voorraden (voedsel, brandstof) en de slacht. Zulke beelden komen echter niet alleen voort uit medisch-astrologische overtuigingen, maar legitimeren ook wat men graag deed in wintertijd. Het plattelandsleven ligt tussen oogsten en zaaien grotendeels stil, de duisternis maakt de werkdag kort te zamen met de veelvuldig belemmerende weersomstandigheden. Daarom zijn, niet toevallig, de feestdagen in deze tijd dik gezaaid.6

Bartholomeus vermeldt één negatief punt. Door de gesloten poriën kunnen de kwade vochten evenmin het lichaam verlaten, raken verhit en gaan rotten waardoor menige ziekte kan ontstaan. Maar in deze opvatting staat hij opvallend alleen. Tscep vol wonders, een prachtboek op groot formaat met veel houtsneden gedrukt door Thomas van der Noot in 1514 (en wegens gebleken succes herdrukt), is een praktische levensleer op medisch-astrologische basis. Een aparte paragraaf is ingeruimd voor het aanbevolen gedrag in de winter: warm kleden; wild en gevogelte eten, want het lichaam heeft brandstof nodig vanwege de binnen blijvende hitte; eet en drink goed ‘want 't is den ghesonsten tijt

[p. 228]



illustratie
Titelpagina van de praktische levensleer Tscep vol wonders, gedrukt door Thomas van der Noot in 1514. Ex: 's-Gravenhage kb.

[p. 229]



illustratie
Titelpagina van Thuys der fortuynen naar de ed. 1531, een vermakelijk horoscoopboek. Ex: 's-Gravenhage kb.

[p. 230]



illustratie
Afwijkend kalenderbeeld bij de maand februari in de Nederlandse uitgaven van de schaapherderskalenders, naar de ed. 1520 bij Adriaan van Bergen te Antwerpen. Ex: Keulen, Universitäts- und Stadtbibliothek.

van den yare, ende die mensche en sal in den winter in geenderhande siecten vallen’. Maar je moet natuurlijk wel uitkijken voor overdaad, want dat is een risico van deze tijd.

In datzelfde jaar drukt Thomas nog zo'n boek, Tregement der ghesontheyt, op zichzelf een aanwijzing hoezeer een burgerlijk publiek om dergelijke zelfhulp in materiële zaken vroeg: ‘In den winter wort selden iemand sieck dan bi groote inconvenienten oft bi quaet regement.’ En dan wederom de aansporing om goed te eten en te drinken. Thuys der fortuynen - een vermakelijk horoscoopboek, vol rijmpjes, prachtig geïllustreerd en ingericht als gezelschapsspel, vanaf 1518 steeds weer herdrukt - bevat eveneens praktische tips, in de vorm van bekende kapittels als: ‘Hoe men hem regeeren sal in den winter.’ En steeds wordt hetzelfde geadviseerd. Het manifeste plezier bij uitbundig eten en drinken in groepsverband, dat zo aanstekelijk uit de kalenderbeelden naar voren komt, wordt dus gelegitimeerd door de wetenschap.

[p. 231]

Sterker nog, het wordt regelrecht aanbevolen als gewenst gedrag in de winter.7

1De gesignaleerde tegenstelling wordt ook opgemerkt door Vandenbroeck 1987, 18-19, die haar onoplosbaar acht. Getyden ed. 1942; Contemplacie (circa 1516), fol. [a2]verso. Leeringe ed. 1985, 65: in de inleiding bij de editie ook uitvoerig over deze zo populaire tekstsoort aan het eind van de middeleeuwen; daarover ook Lips 1986.
2De herleving van de vroegmiddeleeuwse verzakingsgedachten van het aardse blijkt uit tal van teksten, die weer in de meest lugubere termen de waardeloosheid van leven en lichaam op aarde schilderen. Rond 1500 bewerkte de Oudenaardse rederijker Andries van der Meulen de beroemde tekst van paus Innocentius III uit de twaalfde eeuw, Van der ketyvigheyt der menschelicker naturen, voor het eerst gedrukt in 1543; daarin passages als:
 
(uit bomen bloeien vruchten en bloemen)
 
Ende uut ons menschen groeyt zoo wy weten
 
El [anders] niet dan vlooyen, luzen, en neten.
 
Zij [de bomen] sturten ons olye, balsum en wynen,
 
Wy van ons, stront, slijc ende orynen [urine].
 
Zy gheven ons lucht, zeer zoet van roken [reuk],
 
Wy onmenschelicken stanc in 't smoken.

Verg. Le Goff 1987a, 443. Over de afschrikwekkende doodsvoorstellingen en de dood als vijand bovenal het beroemde hoofdstuk XI in Huizinga 1952, ‘Het beeld van den dood’; verder Ariès 1977; Dieckhoff 1978, 73, 77-78; verg. ook Visioenen 1986.
3Brussel kb, hs. 17.119, p. 177; ook in de Cronike van Brabant 1530, fol. r2 verso-[r3]recto.
4Thomas brengt in 1511 voor het eerst een Nederlandse bewerking van de Calendrier des bergers op de markt; helaas is daarvan geen exemplaar bewaard gebleven, maar de tekst werd steeds weer herdrukt, tot in de zeventiende eeuw: nk 0717; zie Kalengier (1514/1515?), fol. [a1]verso; verg. Dal 1980; Pleij 1982, 47. Over lichamelijkheid in positieve zin: Lacy 1978; Deckers 1971. Deze natuurlijke lichamelijkheid blijft in de betere milieus evenzeer onomwonden uitgedrukt. Zo vergelijkt Georges Chastellain de warme verhoudingen tussen de gebroeders Croy en de Franse dauphin aan het Bourgondische hof met ‘trois testes en un sac toujours ensemble’: Prevenier 1983, 267. Dat de vrijmoedige hantering van de mannelijke geslachtsdelen Chastellain niet per abuis uit de pen schiet mag blijken uit een curieuze passage van een ooggetuige uit de Oorloghen ed. 1957, aangehaald bij Prevenier 1983, 198; voor de continuïteit van de dynastie was het van het grootste belang dat Maria van Bourgondiës eersteling in 1478 een jongen zou zijn; dat was ook zo - Filips de Schone - maar sympathisanten van de Franse koning zaaiden daaromtrent twijfel; na de doop te Brugge begon het volk daardoor te morren en Maria werd gedwongen om de jongen ‘al naect’ te tonen, daarbij ‘sijn cullekens in haer hand’ nemende: ‘Dije ghemeente siende dat een sone was, waren uutermaten blijde.’ Even vrijmoedig in dit verband is het door Hans Baldung Grien uitgebeelde gedrag van Anna, Jezus' grootmoeder, die met zijn kleine geslachtje speelt terwijl hij kraaiend op zijn moeders schoot ligt: Bernhard 1978, 305. Een Brusselse kroniek uit de zestiende eeuw noteert ten slotte in 1513 hagelstenen ‘soe groot als herteballen’; Brussel kb, hs. 14.896-14.898, fol. 57 verso.
5Over de verstrooiende intenties van laatmiddeleeuwse literatuur in het algemeen zie: Schmitz 1972; Olson 1982; Pleij 1985a. Over het Gentse steekspel: Van Vaernewijck 1619, fol. 126 recto kol. a (eerste ed. 1568).
6Proprieteyten 1485, fol. [u6]verso-[u7]recto. Zie infra 73-83.
7Proprieteyten 1485, fol. [u7]recto; Tscep 1514, fol. fi recto kol. a; Tregement 1514, fol. ii verso kol. a-b; Thuys 1531 (eerste ed. 1518), fol. [g4]recto-verso.
prepostterug  begin  verder