|
|
|
| | | | | |
Het embleem als ‘genus iocosum’. Theorie en
praktijk bij Cats en Roemer Visscher
*
Karel Porteman
Deze bijdrage biedt meer vragen dan antwoorden. De vragen
betreffen de presentatie van de delectatio van het embleem voor zover
die in termen van komiciteit wordt gesteld. Een stimulans tot deze
verkenning was een bijdrage van
Barbara Bowen (1985), waarin tussen emblemen en het
genre van de ‘joke’ allerlei gemeenschappelijke trekken en
functionele interferenties worden onderkend.
1 Het artikel is
genologisch-vergelijkend van aard. Het biedt indirect steun aan de opvatting
dat het embleem niet zozeer moet worden opgevat als een streng gecodeerd of
geharnast genre, maar als een methode: een bimediale genus scribendi die
in de praktijk bijzonder soepel was. Bowen baseert zich op vroeg materiaal en
haalt vanuit de functie-omschrijvingen waarin zowel het embleem als de
‘joke’ zich profileren, een aantal overeenkomsten naar voren. De
ene is al betekenisvoller dan de andere. Beide genres - en dat klinkt wel
zéér algemeen - presenteren zich als vormen van
compilatie-literatuur in de traditie van de loci communes en situeren
zich in de sfeer van het otium. Beide relateren zich aan het genre van
de apophtegmata, dat zoals bekend, ook de ‘joke’ omvat. Ten
slotte zijn er een aantal inhoudelijke overlappingen, waaruit blijkt dat o.m.
Alciato en
De La Perrière, zoals trouwens veel latere
embleemschrijvers, komisch materiaal gebruiken. Met het oog op onze
vraagstelling biedt het artikel van Bowen niet meer dan de weinig spectaculaire
vaststelling dat beide teksttypes, het embleem en de joke, dezelfde functies
kunnen uitoefenen. Het embleem kan derhalve in zijn specifieke didaxis ook het
komische betrekken en dàt op basis van de pedagogie van de lering die
ook aangenaam moet zijn.
Men kan op dit terrein ook meer specifieke vragen stellen. Over
het utile, de moraliserende strekking van het embleem, de didactische
methodes ervan, de ideologie, bestaat, net als over de theorie en de
intertextuele inbedding, een stilaan onoverzichtelijk geworden wetenschappelijk
discours. Over het dulce, de emblematische delectatio, hoort men
veel minder. Wat was nu dat vermakelijke waarover titels en preliminaria het
steeds hebben en dat enkele auteurs, zeker in de Nederlandse
emblemataliteratuur, soms als komisch hebben voorgesteld door concreet
de aandacht te vestigen op de lachwekkende effecten van hun emblemata?
| |
1.
Intrigerend is het geval van
Jacob Cats. Als debuterend emblematicus voorzag hij
zijn
Silenus Alcibiadis, sive Proteus (Middelburg,
1618) van een Latijnse en Nederlandse voorrede, teksten die tot de
interessantste manifestaties mogen worden gerekend van de in de Nederlanden
ontstane embleembeschouwingen. Het woord theorie acht ik hier iets te sterk. Ik
kijk daarbij vooral naar de Nederlandse tekst die uitvoeriger is en specifieker
dan de Latijnse. Cats richt zich tot de lezer die ‘in jock niet al
spel en souckt’ (in lusu non merè ludrica):
| | | |

1. J. Cats, Silenus Alcibiadis, sive Proteus
(Middelburg: J. Hellenius, 1618): gegraveerde titelpagina van deel I (F.
Schillemans van A. van de Venne).
Maer soo my yemant vraeght wat EMBLEMATA in der daet zyn? dien sal
ick antwoorden, dattet zyn stomme beelden, ende nochtans sprekende: gheringhe
saken, ende niet-te-min van gewichte: belachelycke dinghen, ende nochtans niet
sonder wijsheyt (**2r).
Pronuntio Emblemata…mutas imagines esse, quae tamen
loquentur: levia videri, quae tamen pondus habeant: ridicula apparere, cum non
sint insipida (*3r).
Lusus, levitas en ridiculum:
Cats' gebruik van deze termen liegt er niet om.
Lusus, een begrip dat in het literair jargon van die tijd op elke vorm
van oneigenlijk spreken en poëtisch vernuft slaat
2, vertolkt hij als ‘jock’ of ‘iocus’:
emblemata lijken op het eerste gezicht lachwekkend (ridicula). Dit
komisch uitgangspunt wordt bevestigd in Cats' toelichting bij de titelprent
(afb. 1). Die bevat onderaan twee emblemen over zijn emblemen. Links, boven het
motto Meliora latent staat een gesloten apothekerspot afgebeeld die aan
de buitenkant alleen wat beuselingen van bloemekens, sottekens ende
diegelijcke visevasen vertoont tot vermaeck alleen vanden
voor-by-gaenden man (soo 't schijnt) daer henen gestelt,. Binnenin heeft
hij echter goede ende heylsame geneescruyden te bieden (***r). Deze
lachwekkende pot komt ook al ter sprake in het voorwoord van
Rabelais'
Gargantua, waar hij synoniem staat voor de
bedrieglijke Silenus-dozen die Cats tot de titel van zijn eerste bundel
inspireerden:
Silènes estoient jadis petites boites, telles que voyons de
présent ès bouticques des apothecaires, pinctes au dessus de
figures joyeuses et frivoles, comme de harpies, satyres, oysons bridéz,
lièvres cornuz, canes bastées, boucqs volans, cerfz limonniers,
et aultres | | | | telles pinctures contrefaictes à plaisir pour
exciter le monde à rire (quel fut Silène, maistre du bon
Bacchus).
3

2. P.C. Hooft, Emblemata Amatoria (Amsterdam: W.
Lansz, 1611&, embl. XXX.
Cats' sottekens en visevasen zijn dus
kennelijk komische grotesken en via het citaat van
Rabelais blijkt ten overvloede dat ook de
spreekwoordelijke, Erasmiaanse titel van de bundel naar het ridiculum
verwijst. De interpretatie van deze titel laat Cats evenwel aan de kenners
over.
4 Zelfs naar
Erasmus verwijst hij niet.
Deze voorstelling van zaken varieert de pedagogische toop van de
verzoete pil, het worm-cruyt met suycker (**4v) (Horatius,
Sat., I,1,25): onder de Nederlandse voorrede
staat trouwens het eveneens Horatiaanse Misce stultitiam consiliis
brevem (Carm., 4,12,27) als een besluitend motto
afgedrukt. Op deze wijze zijn we over de functionaliteit van het komische in de
zinnebeelden voldoende ingelicht. Maar ook over de aard ervan valt een en ander
vast te stellen.
Cats' omschrijving van de emblemata als belachelijke dingen is
natuurlijk geen absolute uitspraak. Zij hangt uiteraard nauw samen met het feit
dat het vertrekpunt van de bundel een serie liefdesemblemen is die, zoals
iedereen weet, in tweede en derde instantie zedelijk-maatschappelijk en
religieus worden omgeduid. Het komisch vertrekpunt van Silenus vormen de
mallicheden der jonckheyt (**2v), de sotheden der jeught (ib.),
de belachelijcke Minne-beelden (**4r): zij zijn de gecx-maren ende
kacker-lacken (***3v) van het listig pedagogisch project. Hier valt m.i.
meer te beluisteren dan een morele afwijzing van de ‘bespottelijke’
erotiek die enkel als lokmiddel wordt aangewend. De voorrede is ook een
indirecte bevestiging van de vaak verwaarloosde humoristische aard van de
Nederlandse liefdesemblematiek. Wij si- | | | | tueren

3. C. de Bie, Faems weer-galm der Neder-duytsche
Poësie (Mechelen: J. Jaye, 1670), p. 38.
die zonder moeite in
de wereld van de lusus, waarvan het concetto een van de meest
gewaardeerde realisaties was. Toch zijn Jocus en Risus vanouds de
gezellen van de liefde. Volgens
Horatius is Jocus de broer en de speelmaat van
Amor (Carm., I,2,34). Het slotembleem van
P.C. Hoofts
Emblemata amatoria heeft deze relatie
welsprekend in beeld gebracht (afb. 2).
5
De musa iocosa, die van de liefde én de scherts, laat
zich niet altijd even makkelijk kennen. De herkenbaarheid van
Cats' humor voor de moderne onderzoeker valt soms mee,
maar vaak ook niet. Juist omdat ons veel ontgaat, zijn we geneigd de komische
aspecten van deze emblemen historisch te onderschatten. Cats' beklemtoning van
het ridiculum is tegen de achtergrond van de toenmalige opvattingen
allerminst ongeloofwaardig, al is er voor ons het lachen al lang niet meer
bij.
Historisch receptie-onderzoek lijkt op dit vlak nauwelijks mogelijk.
Er zijn geen sporen van een komische receptie van Silenus. Lofdichters
en epigonen beklemtonen uiteraard veeleer het utile, de moraliserende
effecten van de emblemen. Men zou zich, geïnspireerd door het artikel van
Bowen, bijvoorbeeld kunnen afvragen of emblemen zijn opgenomen in de
contemporaine moppenverzamelingen. Een fraaie aanleiding hiertoe vormen de nu
in een moderne uitgave beschikbare
Anecdota sive historiae jocosae van de Haagse
advocaat
Aernout van Overbeke (1632-1674), in zijn tijd een
succesvol komisch dichter en prozaïst. Hij verzamelde in hs. niet minder
dan 2440 moppen, komische anekdotes en apophtegmata.
6 Bijzonder inte- | | | | ressant

4. J. Cats, Spiegel van den ouden ende nieuwen
tijdt ('s-Gravenhage: I. Burchoorn, 1632), I, p. 46, embl.
XVI.
is het privé-karakter
van de verzameling. De verhaaltjes worden vaak in de onmiddellijke omgeving van
de auteur-verzamelaar gesitueerd en er is - in tegenstelling tot veel gedrukte
collecties - geen sprake van moralisatie: alleen de lach telt.
Van Overbeke heeft nauwelijks een dozijn emblemen of
impresen opgetekend, maar ze zijn er. Het eerste, nr. 4 van de collectie,
betreft zelfs een soort privé-liefdesembleem:
Frelle Thrace van Brederode hadde op haer signet laeten snijden,
een cupido zittende schrijelings op twee handen, de trouwe uytbeeldende in de
ope lucht ende recht boven een zee rondtsom stondt: ‘Si la fois manque
l'amour perira’.
Maar met dit ene voorbeeld dat het komisch karakter van het genre
(of zijn komische mogelijkheden indien het verwijst naar det twijfelachtige
reputatie van de dame in kwestie) bevestigt, laat Van Overbeke ons aan ons lot
over. De andere nummers zijn eigenlijk moppen over emblemen en impresen:
ze betreffen grappige woordspelingen of drijven de spot met lieden die met het
genre niet kunnen omgaan of het verkeerd lezen.
7 Uit deze anekdoten blijkt dan veeleer het elitair en
vernuftig karakter van het genre: het is sociaal-distinctief, mede omdat
onbeschaafden er verkeerd en lachwekkend mee omgaan.
Ten slotte wil ik nog wijzen op een tweetal andere aspecten van
Cats' beroep op het ridiculum. Dat het hier
uiteindelijk gaat om een pedagogische manoeuvre, leidt ertoe dat Cats aan de
komiciteit van zijn emblemen geen eigenwaarde toekent. Van de klassieke,
medisch-psychologische functies die steeds weer aan de komische literatuur
worden toegeschreven - het verdrijven van de melancholie en de recreatio
vitae -, is hier geen sprake. In de emblematiek dient het komische direct
de stichting en in de preliminaria van embleemboeken zal men zulke
diëtetische beschouwingen niet vaak aantreffen.
8 Wel is er aandacht voor
de vindingrijkheid van het gepleegde bedrog (fraus), maar dan als een
didactische techniek die zelfs uitgesproken bijbelse grondslagen heeft.
9 Men kan bezwaarlijk beweren dat het plezier aan het | | | |

5. J. Cats, Spiegel, I, p. 15, embl. XV: Es
musz ein ieder ein par narren schuhen vertretten.
vinden van diepere betekenissen - de admiratio als effect van
de novitas - aparte belangstelling krijgt. Anderzijds laat
Cats zijn embleemomschrijving meteen vergezeld gaan van
de vaststelling dat deze ‘manier van schrijven’ beschikt over de
verholen cracht van behendighe bestraffinge der innerlycker gebreken, maar
dan zonder schamperheyt, ende alleenlyck int gemeen daer heenen geset
(**2v). Het gaat hier om een overbekende topos ter verdediging van het
satirische.
10 In
de bondiger Latijnse voorrede is hij vreemd genoeg achterwege gebleven. De idee
om de emblemen ook als een vorm van satire te lezen, waarin de ondeugd wordt
bespot en de deugd geprezen, lijkt aantrekkelijk. Cats lacht inderdaad
nogal wat menselijke gedragingen uit. De delectatio van
Silenus impliceert naast de lusus van het
oneigenlijke spreken via platen - het specifieke amusement van het genre - en
het ridiculum van het liefdesembleem, eveneens de hekelende lach,
getemperd door het Ciceroniaanse turpido sine dolore.
11 Voor de emblematicus is de
veelzijdige musa jocosa evenwel geen idool, maar een dienares: een
manusje-van-alles, hét instrument van de pedagogische list.
| |
2.
Satirische ioco-seria kan men welhaast op elke plank van de
Bibliotheca Emblematica Neerlandica vinden. In alle gedaanten. Helemaal in het
teken van de gispende lach staan bijvoorbeeld bundels als het Erasmiaanse
Theatrum stultorum of het
Tooneel der Sotten (1669) van de Brusselse
Augustijn Jan de Leenheer
12 of het succesvolle
Deugden-Spoor van de Friese geneesheer
Pieter Baardt, dat via
Johannes Flittner's
Nebulo nebulonum (1620) aansluit bij
Murner's
Schelmenzunft.
13 Opvallend veel
embleemboeken, profane en geestelijke, zijn met narren bevolkt of zetten, om
het met een titel van
Cornelis de Bie te zeggen, de wereld een sots-cap
op
14 (afb. 3). Hier ligt
stof voor interessant onderzoek.
Een kleine schatkist van narrenemblemen is de in de zeventiende eeuw
zeer geliefde
Spiegel vanden ouden ende nieuwen tijdt (Den Haag
1632) van (weer)
Cats.
15 Het boek getuigt van de humanistische
belangstelling voor het spreekwoord. De uitwerking is evenwel door en door
Catsiaans. De vaak komische spreuken en gezeg- | | | | den

6. J. Cats, Spiegel, III, p. 12, embl.
V.
zijn tot emblemen
omgevormd en gerangschikt volgens de levensfasen: zij behandelen levensgebieden
als de opvoeding, de liefde, huiselijke zaken, het burgerlijk leven in de
maatschappij, staten, ambten, bestuurszaken en ten slotte het christelijk
leven. Adriaen van de Vennes platen beogen onmiskenbaar grappigheid. De bundel
vertoont een soort visuele komiciteit die bijwijlen zelfs voor geen schuin
mopje terugschrikt. Een Spaans spreekwoord over de onverenigbaarheid van liefde
en arbeid ( El fuego y el amor, no dizen ve te a tu labor - Liefde en
vuur zetten niet aan tot werken) wordt in beeld gebracht door een meisje dat
haar intieme zone bij het haardvuur warm houdt (afb. 4):
Het is een selsaem dingh, het luchtje van de kolen
Dat kruypt my door het lijf, en doet mijn sinnen dolen.
Als in een soeten droom: ô krachtigh lolle-vier,
Al moet ick elders zijn, noch blijf ick efter hier.
Ook de specifieke narrenemblemen ontlenen in
Spiegel hun komische werking vooral aan de
platen. Veelal is de geliefkoosde formule een visueel
‘overstatement’ in een realistische setting: men moet een paar
narrenschoenen verslijten eer men wijs wordt (afb. 5), wijze lieden (ver)dragen
de zotten (afb. 6), twee zotten kunnen niet tegelijk dezelfde ezel berijden
(afb. 7), een zot moet je nooit op een ei zetten (afb. 8); alleen een gek vecht
tegen de drek (afb. 9); steek nooit je vinger in de mond van een dwaas (afb.
10) en om een goed barbier te worden, moet je de baard scheren van een ijdele
zot (afb. 11) (in dit laatste geval is de nar herkenbaar door de zotskap die
over de rug van de kappersstoel hangt). In Spiegel worden veel
spreekwoorden zeer bewust op een komische wijze
‘geëmblematiseerd’. Ze verschijnen als lachwekkende visuele
vertolkingen van ernstige en behartenswaardige zaken. Met betrekking tot de
gegeven voorbeelden zijn dat: levenservaring en opvoeding, wijsheid en geduld,
ambitie, geschiktheid voor ambten, voorzichtigheid met vijanden, discretie en
de leerrijkheid van moeilijke situaties. Hier geldt duidelijk het
‘ridicula apparent emblemata, cum non sint insipida’. Hoewel hij
Spiegel heeft inge- | | | | leid

7. J. Cats, Spiegel, III, p. 18, embl.
VII.
8. J. Cats, Spiegel, III, p. 32, embl.
XII.
met een doorwrochte uiteenzetting
over het spreekwoord, zijn natuur en uitwerking, rept
Cats met geen woord over de komische mogelijkheden van het
spreekwoordembleem. Wie deze mogelijkheden wel expliciet ter sprake brengt, is
Pieter Roemer Visscher. Dat doet hij in de opdracht van
zijn
Sinnepoppen (Amsterdam 1614).
16
| |
3.
Over de komiciteit van de
Sinnepoppen bestaan weinig twijfels, ook al is
die nooit voorwerp geweest van een wetenschappelijke benadering. Deze bijzonder
‘smakelijke en oer-Hollandse bundel’ - ik resumeer met deze woorden
de evaluatie van de Sinnepoppen in de Nederlandse
literatuurgeschiedschrijving - stond de laatste jaren | | | |

9. J. Cats, Spiegel, III, p. 51, embl.
XVIII.
10. J. Cats, Spiegel, III, p. 69, zonder
nummer.
centraal in
de discussies omtrent het emblematisch realisme, de embleemtypologie, de
technieken van de emblematische fundering van gedragsnormen, de problematiek
van de sociocontext (i.c. de economie), haast alle op gang gebracht door
B.F. Scholz.
17 Ik zou bij dezen ook aandacht voor
de satirisch-komische kant van het boek willen vragen. Die helpt veel verklaren
van de idiosyncratische wijze waarop
Visscher met het embleem omgaat. De bedenking van
L. Brummel, die in 1949 de eerste en tot nog toe enige
wetenschappelijke editie van
Sinnepoppen bezorgde, dat de bundel ‘niet
in satirieke, doch in lerende en beschouwende vorm’ zou spreken, is op
zijn minst misleidend te noemen.
18 In dit bestek beperk
ik mij tot de manier waarop Visscher zijn emblemen in- en uitleidt.
In de opdracht vraagt de auteur aandacht voor de
kluchtigheydt van de Poppen en | | | |

11. J. Cats, Spiegel, III, p. 11, embl.
XXXV.
12. J. de Leenheer, Theatrum stultorum …
Toneel der sotten (Brussel: M. van Bossuyt, 1669), titelblad.
| | | |

13. Roemer Visscher, Sinnepoppen (Amsterdam: W.
Iansz, 1614). Ed. L. Brummel ('s-Gravenhage: M. Nijhoff, 1949), p.
184.
dat in tegenstelling tot de simpelheyd van de glosen. Over de
betekenis van deze bescheidenheidsformule is er geen uitsluitsel.
Kluchtigheydt betekent in het zeventiende-eeuwse Nederlands, in
tegenstelling tot het moderne taalgebruik, niet alleen lachwekkendheid. Het
woord kan evenzeer verwijzen naar vernuftigheid, in de zin van lusus,
met de bijbetekenis van bedrieglijkheid. Ook het begrip
‘gepastheid’ sluit daarbij aan.
19 Zeer
waarschijnlijk valt Visschers verzoek gelijk te stellen met een compliment voor
de tekenaar/graveur. Dergelijke attenties voor de manus ingeniosa van de
artiest zijn in de preliminaria van embleemboeken pasmunt.
20 Andere termen uit de opdracht komen veel duidelijker
suggereren dat de
Sinnepoppen komische pretenties bezitten.
Mag Visschers bewering dat de bundel niet voor leckere tongen
ofte dertele kiessche ooren….geschottelt is weer passen in de topiek
van de bescheidenheid, zij verwijst tevens naar het rond taalgebruik (verder in
de tekst: de platte Hollandtsche tonge) van de Democritische satire. Een
term als schottelen kan bovendien de zogenaamde narrenschotel of de
lanx satura connoteren: een schaal met vruchten die de nar aan het
publiek aanbiedt (vgl. afb. 12).
21 Nog duidelijker in dit verband is de plaat die Visscher hors texte
aan zijn bundel toevoegt (afb. 13). Onder het opschrift Quaeso (Ik bid
u) kijkt een figuur, voorzien van een marot met ezelsoren, door zijn vingers de
toeschouwer lachend aan. De laatste sinnepop, die dus onmiddellijk aan dit
plaatje voorafgaat, toont een man die zijn hart uitspuwt onder het motto
Daer hebdy 't al (afb. 14). Zij varieert de zeispreuk Daer hebdy 't
al zei de Bagijn en zij spoog het hart uit haar lijf.
22 Het
embleem fungeert als een bescheiden adieu aan de lezer: zoals | | | |

14. Roemer Visscher, Sinnepoppen, Ed. Brummel,
p. 183.
van
een bankroetier die niets meer bezit, niets meer kan worden gevergd, mag nu ook
van de auteur niets meer worden verwacht. Dàt plaatst
Visscher aan het eind van wat hij zijn
Reckeninghe noemt. Het klinkt haast als een ‘afrekening’. De
pop suggereert in elk geval ook het hart dat de satiricus op de tong draagt;
zij stelt bovendien de auteur expliciet in de bundel aanwezig.
23 In de
Sinnepoppen liggen de kenmerken van de komische
satire voor het grijpen:
the free use of conversational language, the frequent intrusion of
its author's personality, its predilection for wit, humour, and irony, great
vividness and concreteness of description (…), an improvisatory tone,
topical subjects, and the general intention of improving society by exposing
its vices and follies.
24
In dit verband wil ik ook wijzen op het bijwijlen nogal agressief
taalgebruik in de Sinnepoppen. Invectieven zijn er beslist niet van de
lucht. Dat zij vaak betrekking hebben op het gemis aan burgerlijk-economische
deugden, maakt mede de onbetwistbare zeventiende-eeuwse Amsterdamse charme van
de bundel uit. In het geding zijn vooral de verspil- en de hebzucht, de pronk-
en machtszucht.
Zo'n agressief-komische schrijfwijze, die wij nog veel explicieter
in het leuke
Theatrum Stultorum van
Jan de Leenheer aantreffen, heeft men terecht in verband
gebracht met het taalgebruik van de stoïcijnse moralistiek én van
de Oudheid én van het Lipsiaanse humanisme. Cicero's befaamde
Stultorum plena sunt omnia stamt uit een brief
waarin de Romein de radicaliteit van de woordkeuze bij de Stoïcijnen
behandelt.
25 Het zou in elk geval de moeite waard
zijn eens na te gaan in welke mate de Sinnepoppen een
satirisch-lachwekkende vertolking zijn van de levenswaarden die de ethische
renaissancisten uit Visschers kring,
Coornhert en
Spiegel, zo ernstig aan de man wisten te brengen. Het op
zijn minst direct te noemen taalgebruik van Visscher is de verbale pendant van
de opvallende, concrete herkenbaar- | | | | heid van de picturae. In het
zogenaamde ‘realisme’ van de
Sinnepoppen is de methodiek van de satire aan het
werk.
Achter het etiket van de saaie, repetitieve didactiek, dat de
evaluerende literatuurgeschiedschrijving vaak op het embleemgenre heeft
gekleefd, schuilt niet zelden een grappige wereld vol lusus en res
jocosae.
|
*Nederlandstalige bewerking van een lezing,
gehouden op de Third International Emblem Conference, Pittsburgh 16-19
aug. 1993.
1Barbara Bowen,
‘Two Literary Genres: The Emblem and the
Joke’. In: The Journal of Medieval and Renaissance
Studies, 15 (1985), p. 29-35.
2Heinz-Günther Schmitz,
Physiologie des Scherzes. Bedeutung und
Rechtfertigung der Ars Jocandi im 16. Jahrhundert. Hildesheim, New York, 1972,
p. 56-57.
3François Rabelais,
Gargantua. Première édition
critique faite sur l' editio princeps. Texte établi par Ruth Calder.
Avec introduction, commentaires, tables et glossaire par M.A. Screech.
Préface par V. L. Saulnier (Genève: Droz, 1970), p. 9-10. Over
deze befaamde proloog: J.D.P. Warners, ‘Gewoon, hoog en diep
lezen’. In: Spiegel der Letteren, 11 (1969), inz. p. 196-201; Id.,
‘Al sietmen de luy, men kentse daarom niet’, Ibidem, 14
(1972), p. 113-131; Raymond C. La Charité, ‘Lecteurs et lectures
dans le prologue du Gargantua’. In: Jean Céard, Jean-Claude
Margolin (ed.), Rabelais en son demi-millénaire. Genève,
1988, p. 285-292.
4Later zal Cats deze titel vereenvoudigen tot
Proteus ofte Minne-beelden verandert in
Sinne-beelden.
5Heinz Schlaffer,
Musa iocosa. Gattungspoetik und
Gattungsgeschichte der erotischen Dichtung in Deutschland. Stuttgart, 1971, p.
132-133; H.-G. Schmitz, o.c., p. 272; Karel Porteman (ed.),
P.C. Hooft. Emblemata amatoria. Leiden 1983,
p. 201.
6Arnout van Overbeke,
Anecdota sive historiae jocosae. Een
zeventiende-eeuwse verzameling moppen en anekdotes. Uitgegeven door Rudolf
Dekker en Herman Rodenburg met medewerking van Harm Jan van Rees. Amsterdam,
1991.
7Bijvoorbeeld: 368, 395, 435, 1341, 1734, 1748,
1769, 1911.
8Over de diëtetische functies van
humoristische literatuur, zie H.-G. Schmitz's fundamentele hoofdstukken over de
fysiologie van de ‘joke’, p. 91-183.
9***2v-***4v. Cats' nadrukkelijk bijbelse
fundering van het embleem is uiteraard zeer betekenisvol in een calvinistische
context. Hij reageert tegen hen die emblemen beschouwen als “nieuwe
vonden, ende als gheen exempel hebbende in de heylighe Schrift”
(***2v).
10H.-G. Schmitz, o.c., p. 83.
11H.-G. Schmitz, o.c., p. 60; P. Lauwers,
‘Marcus Tullius Cicero over de lach’. In:
Hermeneus, 45 (1973-74), p. 195-204.
12Over De Leenheer: N.C.H.M. Vermeulen,
Jan de Leenheer. Moralisator en humanist.
Nijmegen, 1964 en Karel Porteman, ‘Een Leuvense almanak uit 1793
en het Theatrum Stultorum van Jan de Leenheer’. In:
Volkskunde, 85 (1984), p. 246-252.
13Over de connectie Murner-Flittner, zie:
Günther Hess,
Deutsch-lateinische Narrenzunft. München,
1971, p. 369-375 en passim. Een bijzonder interessante bijdrage tot de studie
van de Brant-traditie biedt Ilja M. Veldman, ‘Leerzame dwaasheid.
De invloed van het Sotten schip (1548) op zottenvoorstellingen van
Maarten van Heemskerck en Willem Thibaut’. In: Nederlands
Kunsthistorisch Jaarboek, 37 (1986), p. 139-150.
14Faems Weergalm der Neder-duytsche
Poësie (…) vrijmoedelijck voor-gestelt op de domme waensucht des
wereldts, ghenoempt, Werelts Sots-Cap vol zedige Moraliteyten en
Sinne-Beelden. Mechelen, Jan Jaye, 1670.
15H. Smilde,
Jacob Cats in Dordrecht. Groningen-Batavia,
1938, p. 138-183; Domien ten Berge,
De hooggeleerde en zoetvloeiende dichter Jacob
Cats. Den Haag, 1979, p. 106-111, 236-237. Een reprint van de
eerste uitgave verscheen in 1968 (Amsterdam, Facsimile Uitgaven Nederland) met
een inleiding door H.H. Zwager.
16Moderne editie door L. Brummel,
Sinnepoppen van Roemer Visscher. Den Haag,
1949.
17Een selectie: ‘Semantik oder
Ontologie’. In: Deutsche Vierteljahrschrift für
Literaturwissenschaft und Geistesgeschichte, 53 (1979), p. 362-377;
‘Didaktische Funktion und Textkonstitution im Emblem’. In:
Jahrbuch für Internationale Germanistik, 13 (1982), 2, p. 10-35;
‘Overwegingen bij de tekstsoort embleem en bij het genre van
Roemer Visschers Sinnepoppen’. In: Vorm en funktie in
tekst en taal. Bundel opstellen verschenen ter gelegenheid van de
voltooiing van het honderdste deel van het Tijdschrift voor Nederlandse
Taal- en Letterkunde. Leiden, 1984, p. 73-106. ‘Magister Artis
Venter: Rationalisierung der Lebenspraxis in den Sinnepoppen (1614)
Pieter Roemer Visschers’. In: W. Bruckner, P. Blickle, D. Breuer
(ed.), Literatur und Volk im 17. Jahrhundert; Probleme populärer
Kultur im Deutschland. Wiesbaden, 1985, p. 401-423; ‘De
economische sector in Roemer Visschers Sinnepoppen’. In:
De Zeventiende Eeuw, 6 (1990), p. 17-26; ‘Marginalia bij
het boek der natuur’. In: Feit en Fictie, 1 (1993) 2, p.
51-74; een kritische noot biedt Karel Porteman, ‘De nationale
benadering van het emblema. Roemer Visscher en Jan Luyken’. In:
Helga Hipp (ed.), Niederlandistik und Germanistik. Tangenten und
Schnittpunkte. Festschrift für Gerhard Worgt zum 65. Geburtstag.
Frankfurt a.M., etc., 1992, 179-196.
18Brummel,
Sinnepoppen, XVI.
19Woordenboek der Nederlandsche Taal,
VIII, 2,2. 's-Gravenhage, Leiden, 1936, 4402-. Op deze kwestie wordt uitgebreid
ingegaan in het op 2 juni 1995 aan de Universiteit van Amsterdam verdedigde
proefschrift van R. van Stipriaan, Leugens en vermaak. Boccaccio's novellen
in de kluchtcultuur van de Nederlandse renaissance, 230 e.v.
20Cf. de Ovidiaanse titel van het eerste
Nederlandse liefdesembleemboek: D. Heinsius'
Quaeris quid sit amor, quid amare, cupidinis er quid
castra sequi? Chartam hanc inspice, doctus eris, haec tibi delicias hortumque
ostendit amorum: Inspice: sculptori est ingeniosa manus (Amsterdam,
H. de Buck, 1601).
21Vermeulen, Jan de Leenheer, p.
106.
22P.J. Harrebomée, Spreekwoordenboek
der Nederlandsche Taal. Utrecht 1858-1870, II, p. 27; III
( Bijlagen), p. 113-114. Volgens een mop in Van Overbekes collectie
bestaat het verschil tussen wijzen en zotten in het feit dat de wijzen hun tong
in het hart houden en de zotten hun hart op de tong (nr. 1913).
23Joachim Suchomski, ‘Der
satirische Autor als Narr unter Narren. Zur Rezeption des ersten Kapitels von
Sebastian Brants Narrenschiff’. In: Deutsche
Vierteljahrsschrift für Literaturwissenschaft und Geistesgeschichte,
52 (1978), p. 400-429.
24G. Highet,
The Classical Tradition. Greek and Roman Influences on
Western Literature. London, etc., 1967, p. 305.
25Epistulae ad familiares, Lib. IX, XII, 4;
Vermeulen, o.c., p. 102-104.
|
|