begin  verderprepost
[p. 5]
 
En ik hijs de vlag
 
en ik strijk de vlag
 
en hijs de vlag
 
en strijk de vlag
 
en ik woeker met
 
haar kleuren
 
 
 
Bernardo Ashetu: Yanacuna
[p. 9]

Ter Inleiding

Om het niet te mooi te maken en niet af te glijden naar een literaire verbeeldingswereld, die het verst verwijderd verleden, de kindertijd, gewoonlijk pleegt op te doffen, doe ik iets wat ik eigenlijk niet behoor te doen. Ik ga te rade bij een reeks vraaggesprekken die Jos de Roo van de Wereldomroep in 1982 met mij heeft gevoerd en op de bandrecorder heeft opgenomen. Dat was nog voor de aandrift om te gaan schrijven mij had bevangen. De verwoording van wat toen bij mij bovenkwam is loslippig, onvolledig, niet doordacht en ongeordend. Ze is, hoe kan het ook anders, beslist geen kindertaal, maar probeert wel vanuit een afstand van meer dan zestig jaar iets van het kinderlijk bewustzijn zoals mij dat is bijgebleven te benaderen. Hoewel ik niet van plan ben deze autobiografie in chronologische volgorde te schrijven - ik volg liever de alineaire zwenkingen van mijn geest - acht ik het toch nodig mij bij de aanvang van dit geschrift op deze manier aan de lezer voor te stellen. Daarbij ga ik niet zover terug als Ingmar Bergman in zijn autobiografie Laterna Magica heeft gedaan, waarvan de eerste zin luidt: ‘Bij mijn geboorte in juli 1918 had moeder de Spaanse griep, zodat ik er niet al te best aan toe was en daarom kreeg ik een nooddoop in het ziekenhuis.’ Ik daarentegen herinner me totaal niets van dat eerste begin; het resultaat van de besnijdenis op mijn achtste dag is tot op de dag van vandaag waarneembaar en onvervreemdbaar, niet het gebeuren zelf. Hoe anders is dat bij Bergman, hij herinnert zich ‘de stank van mijn excrementen en urine, mijn natte schrijnende kleren, het zachte schijnsel van de nachtlamp, de deur naar een aangrenzend vertrek, die op een kier stond, de diepe ademhaling van mijn kindermeisje, zachte voetstappen, fluisterende mensen, de zonnereflexen in de waterkaraf.’ Ik heb er de grootste bewondering voor, maar moet er niet aan denken wat we allemaal te lezen zullen krijgen als zijn

[p. 10]

voorbeeld navolging vindt. Toen Jos de Roo mij vroeg om terug te denken is ons gesprek aldus begonnen:

 

Vertellen over mijn jeugd? Dan moet ik wel heel diep teruggraven, want ik ben op 28 november 1913 geboren. Maar dat herinner ik mij natuurlijk niet, dat is een feit dat ik later te weten ben gekomen.

 

De Roo: Als je aan je vroegste jeugd terugdenkt, wat komt er dan eerst: geuren, geluiden, reuk, kleuren?

 

Geuren, ja, daar denk je eigenlijk niet over na, maar wat heb je op zo'n erf? Advocatenbomen, manjebomen, birambi, je had wat groenten, tajawiri en je had bloemen. Mijn moeder maakte een onderscheid tussen ouderwetse en gewone bloemen. Bepaalde bloemen noemde ze ouderwetse. Waarom weet ik niet, misschien omdat je die maar zelden zag. Ja, die bloemen hadden natuurlijk allemaal wel geuren. Maar om nou te zeggen dat geuren mijn diepste herinneringen inhouden. De Gravenstraat waar we woonden is nu helemaal geasfalteerd, vroeger was hij vol met flamboyants, acacia's noemden wij ze, want flamboyant zeiden we niet. Met al die grote wortels, het is misschien moeilijk voor het verkeer, maar ze waren eigenlijk prachtig en het ruiste, want die acacia's hebben van die bonen, die sloegen tegen elkaar aan 's middags als de wind woei. Het is niet alleen geur, je ziet het samen, het valt samen, want het is het zachte geluid, het is de geur en het is de kleur. Ik denk dat het bij mij geen verschil maakt, ik kan die indeling niet maken.

 

De Roo: Hoe was je ouderlijk huis, kun je je daar nog iets van herinneren?

 

Ja, natuurlijk kan ik me dat herinneren, want ik ben er geboren, en ben er gebleven tot ik op mijn veertiende jaar naar Holland ben gegaan. Maar goed, je vraagt me dus: Hoe

[p. 11]

was mijn ouderlijk huis? Groot en ook wel een beetje geheimzinnig. Wij woonden op de eerste verdieping, beneden was verhuurd, daar woonden onder anderen dokter Van Leesten, een tandarts, en later de heer Rens, een leraar Engels en ten slotte woonde er mijn grootvader, Bennie Morpurgo. Hij was vroeger districtscommissaris van Saramacca en ik bewonderde hem geweldig. Voor hij bij ons kwam wonen, woonde hij op de hoek van de Oranjestraat en de Gravenstraat, waar nu het parket, het ministerie van Justitie is. Zijn vrouw was gestorven en hij hield er een aantal dieren op na die hij exporteerde naar alle mogelijke dierentuinen. Dus daar op dat grote erf van hem had je luiaards en apen en slangen en alle mogelijke soorten beesten, miereneters herinner ik me ook heel goed en vooral veel apen. Die grootvader van mij was een heel bijzondere man. Hij had een enorme eruditie. 's Middags, bijvoorbeeld, tijdens zijn middagslaap, dan lag hij in zo'n Indiaanse hangmat, maar als hij wakker werd had hij altijd een Frans tijdschrift bij de hand, La petite Illustration, daar was hij erg op gesteld en dan las hij Franse toneelstukken. Hij was heel anders dan de andere mensen die ik kende, die deden dergelijke dingen niet. Die lazen de kranten, De Banier van de Waarheid en Recht van P.A. May of De West van Meneer Kraan, de voorganger van David Findlay, of De Surinamer van de Wijngaardes, of af en toe het weekblad De Periscoop van meneer Azijnman, waar alle mogelijke historische dingen in stonden, ook van de gebroeders Penard over de Indianen. Maar mijn grootvader had een andere allure, die verbreedde dat veld.

 

De Roo: Terugkomend op het ouderlijk huis. Je hebt nu die benedenetage en de achtereenvolgende bewoners beschreven. Hoeveel kamers had jullie woonafdeling?

 

Nou, er was een enorme slaapkamer, daar sliepen mijn vader en moeder. En toen we heel klein waren sliepen mijn broer Raymond en ik in dezelfde slaapkamer. Er was een eetkamer

[p. 12]

en een ontvangstkamer, die noemden we de zaal en dan was er ook nog een zaal waar nooit iemand kwam. Dat was een soort sierkamer zou je kunnen zeggen. Daar werden wat mooie spullen opgeslagen. Er stonden twee kolossale schommelstoelen, dat waren van die onbegrijpelijke meubelstukken die nergens voor dienden en waar je echt niet op kon schommelen. De gewone schommelstoelen stonden in de eetkamer. We hadden geen groot balkon, wel een prettig balkon. Luchtig, in de vooravond schoof mijn moeder, ze hield niet zo van uitgaan, naar het balkon toe en dan luisterden we naar de grammofoonplaten die de bisschop, die vlak tegenover ons woonde, draaide. De bisschop heette Van Roosmalen en die was een groot liefhebber van klassieke muziek. Wij genoten zonder zelf platen te hebben op die manier met hem mee. De bisschop gaf ons bovendien van alles aan. De klok, op een of andere wijze hadden we een klok die nooit goed liep, en mijn moeder keek altijd naar de lichten van de bisschop. Wanneer het licht in de kapel aanging dan wist ze precies: O, zo laat is het. En zo leefden we naar elkaar toe.

 

De Roo: Terug naar grootvader Morpurgo met wie je wel grote affiniteit had. Wat is concreet de eerste herinnering die nog in je gedachten zit?

 

Dan ben ik in de Eerste Wereldoorlog. Daar weet ik natuurlijk niets van, ik was veel te klein. Maar ineens kwamen er berichten en foto's en prenten van een enorme hongersnood in Rusland, 1917 begin 1918, allemaal plaatjes van kinderen met van die opgezwollen buiken. Nou, toen was er in Suriname een hulpactie en die actie bestond eruit dat we postzegels gingen verzamelen. We gingen postzegels dus overal rechts en links ophalen, iedereen werd gevraagd: ‘Heb je nog wat?’ en de laden gingen open en van brieven werden ze afgescheurd en dan herinner ik me dat ik 's avonds onder leiding van mijn grootvader aan tafel zat met een grote kom met water, dan werden de postzegels van de enveloppen geweekt

[p. 13]

en stuk bij stuk gedaan in de kleine zakjes van vioolsnaren, dus Engeland bij Engeland, Frankrijk bij Frankrijk, Brits-Guyana bij Brits-Guyana.

 

Dat vraaggesprek is een hele tijd doorgegaan en een deel daarvan is in een ietwat bewerkte en verkorte vorm in het boek Oost en West en Nederland van Jos de Roo terecht gekomen. Dat was wel nodig ook, want om de aantrekkelijkheid van de uitzending voor de luisteraar in Suriname te verhogen had De Roo me gevraagd om zover mijn geheugen reikte zoveel mogelijk namen van Surinaamse personen en dingen te noemen. Daar had hij niets exotisch mee voor, integendeel, het was eerder om het vraaggesprek in te krimpen tot een intiem onderonsje. Het is niet mijn bedoeling om bij het schrijven van dit egodocument mij ten tweeden male aan zo'n vraaggesprek te onderwerpen. Hoe dan ook, de Ik, de schrijver, converseert met de Ik, het lijdend voorwerp, en die laatstgenoemde onthult tegenover de eerstgenoemde wat hem zoal in zijn leven heeft beziggehouden. Er is, zegt P. Spigt in zijn boek Het ontstaan van de autobiografie in Nederland ‘een schrijvende Ik en een beschreven Ik, moeizaam aan elkaar overgeleverd.’ Dat doet me denken aan Paul van Ostayens gedicht van Rodica en Dodica waren aan elkaar gebonden en inderdaad er zit wel wat in. Het is vertellen en graven tegelijkertijd, de diepte van het graafwerk hangt van de persoonlijkheid van de auteur af. De een is introvert, de ander exhibitionist, weer een ander daartussenin. Ik voor mij voel niets voor een openbare biecht, een aflaat behoef ik niet. Als het zo mocht zijn dat de meeste autobiografieën ter zelfrechtvaardiging zijn geschreven dan gaat dat voor mij niet op. Zelfrechtvaardiging voor en tegenover wie? Voor God? Mijn diepste geloof is mijn ongeloof. Dat ik een vage religiositeit eropna houd, die nauwelijks meer is dan het zoeken naar wat meerwaarde in dit leven, kun je met de beste wil van de wereld geen godsbesef noemen. En als geen god er aan te pas komt, wie dan wel. Vrouw, kinderen, vrienden, vijanden, ze zullen voor zover ze

[p. 14]

in mij belang stellen, wel een beeld van mij hebben gevormd, ongeacht wat ik in dit geschrift naar voren zal brengen. Intieme details van mijn persoonlijk leven komen er niet in voor, het is in de verste verte geen familiealbum. Zelfs legendarische verhalen over familieleden die ik niet of nauwelijks heb gekend zal ik met spijt in het hart eruit laten als ze geen directe betrekking tot mijn leven hebben gehad. Omdat ik de meeste van mijn verhalen gemakshalve in de ik-vorm heb geschreven dien ik erop te wijzen dat de ik in dit boek geen andere is dan die bij de Burgerlijke Stand, de Belastingdienst en het Burgerlijk Pensioenfonds staat geregistreerd.

prepost  begin  verder