Voor zover mijn herinnering reikt is dit het eerste lied na ‘Slaap kindje slaap, daar buiten loopt een schaap’ dat me is bijgebleven. Ik neem voetstoots aan dat het schaap met witte voetjes, een in Suriname niet voorkomend dier, dankzij mijn moeder zijn entree heeft gemaakt in de slaapkamer van ons huis in de Gravenstraat. En het lied van het slaapverwekkende schaap is geen individuele herinnering, ik deel het naar alle waarschijnlijkheid met duizenden kinderen in het toenmalige koninkrijk der Nederlanden, voor zover hun ouders tenminste het Nederlands machtig waren.
Met ‘Mi Granmama’ is het evenwel totaal anders gesteld.
De straatzanger Thijm, die het lied op menige straathoek van Paramaribo ten gehore bracht, was een schilderachtige lichtbruine man met een baard en een mooie kop krullend haar, die volgens eigen zeggen een onechte zoon van Willem iii was. Inderdaad bezat hij een treffende gelijkenis met deze door de bronst geplaagde vorst, maar historisch onderzoek
wijst uit dat deze nimmer - ook niet incognito - voet op Surinaamse bodem heeft gezet. Het waren zeker niet de afstammingsperikelen van de straatzanger die mij als kind moeten hebben aangesproken. Het was het lied zelve, de dichterlijke verwijzing naar het meest alledaagse en vieze dat ik maar bedenken kon, poep. Ik veronderstel dat ik in de hoogste klas van de fröbelschool van mevrouw Conradi zat toen ik Thijm voor het eerst zag optreden. Ik vermoed het daarom, omdat ik toen al over enig zakgeld beschikte om als het zo uitkwam knikkers, kleurkrijt of wat lekkers te kopen. En onder lekkers verstond ik ook een schep schaafijs met stroop, een lekkernij die je je voor een stuiver kon verschaffen in een kiosk, op straat bij het wagentje van een venter of in de buitensociëteit Het Park, waarvan mijn vader lid was. Ze zeggen wel dat geld stinkt, maar met die stuiver kocht ik voor het eerst van mijn leven een blaadje poëzie. Thijm verkocht namelijk de op een blaadje afgedrukte tekst van zijn liedjes voor 5 cent per stuk.
Ter vermijding van verklarende voetnoten gaat hierbij een kleine toelichting op het lied. Het begin ervan luidt in mijn letterlijke vertaling: ‘Mijn grootmoeder heeft een spreekwoord gekerfd: waar je werkt daar moet je ook eten’. De schaafijsman in het verloop van het lied is de man van de faecaliënwagen van de firma Nunes, die met dikke rubberen slangen de beerputten op de erven kwam ledigen.
Is het de dubbelzinnigheid die me zo heeft aangesproken waardoor ik juist dit ene lied boven alle andere heb uitgetild en bewaard? Als dat zo mocht zijn dan is dat onbewust gebeurd. Onder poëzie verstond ik de versjes die in mijn poëziealbum, opgetuigd met plakplaatjes en gedroogde bloemblaadjes, waren geschreven. Lieflijk als ze waren en wat voor een onwankelbare vriendschap ze ook in het vooruitzicht stelden, ze misten het verrassende, lekker ordinaire van Thijms lied. Ubi bene ubi patria, waar ik het goed heb daar is mijn vaderland, zal ik later in Alkmaar op het gymnasium leren, zonder dat ik daarbij de verbinding legde met de odo van Thijms grootma-
ma. Maar aan het Latijn was ik nog niet toe. Voorlopig kon ik nauwelijks mijn ongeduld bewaren tot Thijm zich aan het einde van zijn lied in een soort flauwte achterover in de armen van de hem omringende toehoorsters stortte onder het roepen van ‘hori mi, hori mi, gudugudu Thijm’ (houd me vast, houd me vast, die goeiige Thijm), een geheel eigen wijze om een voordracht af te ronden, die klaarblijkelijk geen trend onder de voordrachtskunstenaars is geworden.
Aan deze weergave van mijn eerste kennismaking met de Muze gaat iets vooraf. Vaak zat 's avonds aan de voeten van mijn kinderledikant de met de familie meegegroeide nene Caro, die mij voor het slapengaan spinverhalen vertelde en de daarbij behorende liedjes zachtjes voor zich uit zong. Haar repertoire was niet beperkt tot de streken van Broeder Spin. Haar liederenschat besloeg een veel ruimer terrein waaraan ook de erotische componenten niet ontbraken, hetgeen ik overigens pas vele jaren later ging inzien, toen al deze nu vrijwel vergeten liedjes een bron van studie voor musicologen, antropologen en linguïsten waren geworden. Toch beschouwde ik die liedjes - allemaal in het Neger-engels - niet als poëzie. Waarom niet? Ik wou dat ik het antwoord daarop wist. Kon het zijn dat het Neger-engelse taalgebruik ze in mijn ogen tot iets van lagere orde bestempelde? Nu zou ik me voor een dergelijke opvatting diep schamen, maar toen? Thijm was toch ook niet wars van het Neger-engels, integendeel, hij kruidde zijn liedjes volop met woorden en gedachten uit die leefwereld. Maar alleen al het feit dat zijn teksten gedrukt waren maakten ze in mijn ogen tot een produkt van hogere orde. Bovendien stonden zijn liedjes op zichzelf, terwijl die van nene Caro een bijprodukt waren, niet meer dan een zangerige begeleiding van de verhalen. Ik neem zonder meer aan dat ik indertijd mijn hoofd niet gebroken zal hebben over de plaats, het verdomhoekje, dat het Sranan tongo, toen nog Neger-engels geheten, in Suriname innam. Het was in die dagen de gewoonste zaak van de wereld, voor mij tenminste,
dat het Nederlands de taal was waarin je praatte, las en schreef en dat al die andere talen die in Suriname werden gesproken - behalve het Neger-engels, het Hindi, het Javaans, de Indianentalen, de Bosnegertalen - daaromheen zwengelden, zonder een eigen geldigheid te bezitten. Aan andere talen kwam een stadskind zoals ik bovendien niet toe. Die hoorden bij de markt, de districten, het binnenland, daarvan ving je hooguit een reeks onvertogen scheldwoorden en verwensingen op, die meestal een verwijzing naar je moeders schaamdeel inhielden.
Mijn musische vorming, als ik dat zo noemen mag, zou verder worden bepaald door de zangles die ik op de Hendrikschool kreeg. Eens per week zongen we klassikaal de liedjes uit Kun je nog zingen, zing dan mee. Een latere generatie behept met nationalistische gevoelens zal zich ergeren aan deze vorm van brainwashing. ‘Waar de blanke top der duinen schittert in de zonnegloed’ kan ik nu nog foutloos zingen, tot en met het van vaderlandsliefde druipende ‘Ik heb u lief mijn Nederland’, dat tot tweemaal toe langgerekt diende te worden herhaald. Vreemd te bedenken dat de versregels meer passen bij mijn huidige bezadigde leefwijze tijdens de vakanties in het duinlandschap van Groet (N.H.), dan bij mijn schooljaren in Paramaribo. Onder de leerlingen van de drie Mulo scholen die Suriname rijk was, de openbare Hendrik, de katholieke Paulus en de Graaf van Zinsendorfschool was er van enig verzet tegen deze vorm van zangcultuur niets te merken. Er bestond eerder enige naijver in het zo foutloos mogelijk reproduceren van het Nederlandse model, waarbij de Paulus, geleid door de fraters, het hoogst scoorde.
Van meer persoonlijke aard is de bijdrage aan mijn musische vorming van mijn lichtelijk gestoorde tante Becca, de ongetrouwde zuster van mijn moeder, die na de dood van mijn grootvader, in ons gezin was opgenomen. ‘Adieu, ma belle France, adieu pour toujours’, het lied dat Marie Antoinette zingt wanneer zij op een open kar naar het schavot wordt gevoerd, was een van haar lievelingsliedjes, dat francofiele gevoelens bij me opriep, zonder dat ik het drama dat
achter de woorden schuilging ook maar enigszins bevroedde. Het repertoire van tante Becca was inhoudelijk wat ruimer dan dat van nene Caro, die het lezen niet machtig was, en beperkte zich niet tot de import uit Europa. Het liefst zat ze op een hobbelstoel in de achterkamer, die op het erf uitkeek en drukte wat in haar omging op haar manier in liedvorm uit. Er werd op de lange duur weinig aandacht aan haar zingen besteed, het was een constante achtergrondmuziek die niemand stoorde. Gefascineerd als ik was door tante Becca's afwijkend uiterlijk en gedrag ben ik misschien wel de enige persoon uit ons huisgezin die het allemaal in zich heeft opgenomen, waarna het, woorden en melodie, bewust of onbewust, in het geheugen is opgeslagen. Zoals deze, een couplet van een lobi-singi, een liefdeslied, dat nog uit de slaventijd dateert.
Dat het een lobi-singi was wist ik toen natuurlijk niet. Ik neem aan dat ik ‘wan switi so’ heb gehouden voor zo'n zuigzoete lekkernij, zoals A-san, de Chinees op de hoek, die in grote stopflessen op de toonbank had staan. (A-san was de Chinese winkelier die de in Suriname gesproken talen nog niet machtig was en mij in zijn onbeholpen manier van praten ‘mooi boi foe dada’ noemde, wat zoveel betekent als mooi jongetje om da da tegen te zeggen. Het mooie jongetje kreeg af en toe buiten
weten van zijn moeder zo'n snoepje uit een van de stopflessen.) Het repertoire van mijn moeder stak pover af tegen dat van tante Becca. Een van haar liedjes, ze had er niet zoveel, was
Dit lied moet een van de schlagers uit de operette de Sneeuwkoningin zijn geweest, die heel lang geleden, in ieder geval vóór mijn geboorte, in Paramaribo is opgevoerd. Uit die tijd stammen vermoedelijk ook de edelweissen van karet, die ik in mijn jeugd de al wat oudere dames als broche zag dragen. Guy de Maupassant kan vanuit den hoge tevreden glimlachen, zijn ‘bleke bloempjes der gletsjers’ hebben in het zonovergoten Paramaribo een alles behalve bleke verblijfplaats gevonden.
Was er dan op de Hendrikschool geen ruimte voor poëzie? Niet veel. In een van de leesboeken stond een gedicht van een grootvader die zijn kleinzoon een horloge laat zien waarop de jongen uitroept: ‘Ach grootvader, geef het mij,’ daarbij doelend op de ophanden zijnde dood van de grootvader. Hetvers eindigt voor zover ik het mij herinner met de aandoenlijke regels:
Het leesboek waar dit gedicht in stond moet een ruime en duurzame verspreiding hebben gehad, want onlangs wist Zita Smit-Moreno, een een aantal jaren jongere vriendin uit Curaçao, mij te verzekeren dat dit gedicht haar in haar schooltijd tot tranen toe ontroerd had.