terug  begin  verderprepost
[p. 28]

Zelfportret

 
Voor de joden
 
 
 
Vraag niet: ‘Wat heb ik misdaan?’
 
Wat kan het ze schelen
 
Het enkele feit, dat je leeft,
 
is een blaam voor de velen.
 
 
 
Je bent zo oud en zo wijs
 
geworden in het lijden.
 
Bal nu je vuist en trek uit
 
om hartstochtelijk te strijden.
 
 
 
Want beter is het te sterven
 
met een geweer in je handen,
 
dan te leven in vrees
 
en in grote schande.
 
 
 
En ga je kapot
 
zullen anderen strijden
 
- want praten geeft geen moer -
 
voor betere tijden.

Zoiets zou ik nooit meer kunnen schrijven. Het druist helemaal in tegen wat ik mijn natuur zou willen noemen. Het past niet bij mij. En toch. Daar ligt het, de woorden zijn uit mijn pen gevloeid. Bestrijd de barbaren, hoi polloi, de velen.

De meeste verzen die in de oorlog met hartebloed zijn geschreven hebben, hoe waarachtig ook verwoord, hun zeggingskracht verloren. Gedichten vlak na de oorlog geschreven, met de dauw van de herwonnen vrijheid nog op de lippen, houden daarentegen een schone belofte in. Vrede, vrouw, vrijheid, verlangen, het is de wereld van de zachte V

[p. 29]

die gaat opbloeien nadat het geweld is gekeerd.

Als ik een schipbreukeling was geweest had ik het vers in een fles kunnen stoppen en op zee laten ronddobberen tot iemand het vond. Nu bleef het in mijn hoofd hangen totdat ik het in 1957 afstond aan Teroenga, een joods blaadje, dat in Suriname werd uitgegeven. Phili Samson, de redacteur, vroeg me wanneer ik het geschreven had en ik moet toen gezegd hebben 1943. Dat klonk plausibel, maar nu ik erover denk was dat niet meer dan een slag in de lucht. Wanneer het in mijn hoofd is opgekomen weet ik namelijk niet meer. 1942, nog voor de Wansee-conferentie, die de totale liquidatie van de joden inhield, had het even zo goed kunnen zijn.

In 1957 was ik rechter in Suriname. Eddy Bruma, advocaat, uitgesproken revolutionair, leider van de nationalistische culturele groepering Wi Egi Sani (Onze eigen dingen) had het gelezen en kwam geestdriftig naar me toe alsof hij in mij een geestverwant had ontdekt. In die ongedwongen tijd mengden rechter en advocaten zich vaak na gedane arbeid in de kamer van de griffier - mijn goede vriend Jules Welles - voor een ontspannen praatje. Andere reacties behalve die van Bruma heb ik geloof ik niet gehad.

Als ik in de oorlog omgekomen was, zou dit vers voor mijn nabestaanden enigermate tot troost hebben kunnen strekken. Nu dit niet het geval is moet ik mezelf troosten met de gedachte dat ik, die niet kan tekenen of schilderen, toen, laat ons zeggen in 1943, een poging heb gedaan om een zelfportret te schetsen. Gelijkend of niet-gelijkend, dat doet er nu niet zoveel meer toe, het is in ieder geval authentiek. Maar wat de onverschrokkenheid van de woorden betreft, neem van me aan dat ik zelfs te bang ben om in het zwembad van de duikplank in het water te springen. Ik zou het vers daarom als een schoolvoorbeeld geschreven in de aansporende wijs, de hortativus, willen classificeren.

In 1944 bevind ik me voor een opleiding bij de nica, de Netherlands-Indies Civil Affairs in Melbourne. De oorlog in Azië is nog in volle gang en het is de bedoeling dat we na de

[p. 30]

opleiding naar Nieuw-Guinea gaan om ons bij de Amerikaanse troepen onder MacArthur te voegen. De stemming is goed, het idee om straks mee te mogen doen aan het ‘island-hopping’ is prikkelend, de berichten over de opmars van de troepen in Europa klinken hoopgevend. Dan komt de tijding van de val van Parijs binnen. Parijs, voor mij het symbool van Europa. Ik heb ineens het gevoel dat de bevrijding nabij is. Ik dacht van mezelf dat ik atheïst was, dat ik het geloof, voor zover ik het eens bezeten had, had afgelegd, maar nu wil ik samen met de anderen, de joden, God danken voor de overwinning. Vooral samen en te midden van de joden. Daarom ga ik voor het eerst na jaren naar de synagoge in Melbourne. Ik ben de enige Nederlandse officier in dat kerkgebouw. De dienst doet me, hoezeer ik ook mijn best doe om in de juiste stemming te geraken, niets. Wat had ik dan willen horen, de Marseillaise misschien? Het hinderlijke, afstandelijke gevoel verdwijnt niet als na de dienst een paar mensen naar me toekomen, een vriendelijk praatje maken, me uitnodigen om hen thuis te komen opzoeken. Ben ik dan jood-af? Of hebben de Japanners, met wie ik straks geconfronteerd zal worden, het vijandbeeld van de Duitsers overgenomen? Verdwijnt Hitler uit het zicht en komt Hirohito voor hem in de plaats? Onzin natuurlijk. Hirohito is een vijand van ons allen. Hitler is een vijand plus. En die plus staat voor jodenverdelger. Eerder vergeet ik mijn rechterhand dan dat ik vergeet wat hij ons heeft aangedaan. Dat ons staat voor ons-joden. In het bijzonder voor al die joodse familieleden, vrienden en kennissen die ik in Holland heb achtergelaten en van wie ik niet weet of ze nog in leven zijn. Mijn gang naar de synagoge was niet tot God gericht, het was een uiting van blijdschap en van solidariteit, daar paste eigenlijk muziek bij, een melodie zoals die van het het eind van het vasten aankondigende El Nora, de sjofar van meneer Abrahams voor mijn part.

Wie terugkijkt naar zijn verleden maakt gebruik van de flashback. Ik keer terug naar mijn schooltijd in Alkmaar op het gymnasium. Niets aan de hand. Geen antisemitisme te

[p. 31]

bekennen. Mijn Duitse lerares leent me in de vijfde klas een boek, Tohoewabohoe van Sammy Groneman. Het gaat over een pogrom in Polen. Ik lees het aandachtig en zonder er direct consequenties aan te verbinden sla ik het op in de achterkamer van mijn geheugen. Van de moderne Duitse geschiedenis onthoud ik van de Weimar-republiek de moord op de minister van Buitenlandse Zaken in 1922 vanwege het sinistere

 
Knallt ab den Walter Rathenau
 
das gottverdammte Judensau.

Hemelrijk, de rector van het gymnasium, hield op zondag-ochtend voordrachten voor de socialistische arbeiders in een zaaltje van de Harmonie en ik ging soms met hem mee. Als hij bij een lezing over de Weimar-republiek deze regels citeert gaat een golf van verontwaardiging door de zaal. Kort daarop als de tegenstem het van de reactie wint ‘Nie wieder Krieg’ knikt de zaal instemmend.

 

In het a-politieke Leiden, waar ik na Alkmaar rechten studeer en lid van het Corps ben, geniet ik met volle teugen van het vrije studentenleven. Het is 1933, het jaar waarop Hitler aan de macht is gekomen. In het groenentoneel wordt de spot met hem en met Roehm, de homoseksuele leider van de sa gedreven. Zigeunerorkesten zijn en vogue. Het orkest van Gregor Serban wordt meer dan eens laat in de nacht naar de sociëteit gehaald. Onder de studenten bevinden zich studenten die heel wat van ze hebben opgestoken. Een van hen - ik noem opzettelijk zijn naam niet, omdat hij na de nederlaag van Duitsland als Gauleiter ergens in de Baltische staten zelfmoord heeft gepleegd, - speelt niet alleen, hij zingt er ook bij: taquinez, taquinez, taquinez les juifs. Het is de melodie van het toen populaire Schwarze Augen waarop we vroeger wegzwijmelden. Niemand doet hem wat, niemand roept hem tot de orde. Ik ook niet. Het keurmerk van Leiden is tolerantie. In Frankrijk is het volksfront van Léon Blum aan de macht. Ik

[p. 32]

studeer in Parijs een paar maanden vergelijkend Frans-Engels recht en maak de beroeringen mee die de Spaanse burger-oorlog er teweeg brengt. Guernica. Het Duitse gevaar tekent zich meer en meer af. Alsof er niets aan de hand is gaat ons gerieflijk leventje gewoon door. Ondanks het verontrustende nieuws, de komst van vluchtelingen, de crisis.

Ik ontwaak langzaam, veel te langzaam uit mijn zelfverkozen lethargie en schrijf aan meneer Zwanenberg, een groot-industrieel - Organon - uit Oss, die een comité heeft gevormd dat zich over de joodse vluchtelingen ontfermt, dat Suriname plaats en landbouwgrond voor zeker 5000 van hen biedt. Er komt geen follow-up. Had ik ook niet verwacht. Als het mooi weer is maak ik zwaaiend met mijn wandelstok een wandeling naar de uitspanning Allemansgeest. ‘Profiteur d'Hollande’ zeg ik lachend tegen een vriend. Het is waar, ik ben van Holland gaan houden, ben me er thuis gaan voelen, sta open voor de cultuur. De dichters zijn mijn dichters geworden, ik deel de lasten en aversies van mijn vrienden. In Alkmaar waar ik in de kost was bij een leraarsgezin voelde ik mij benepen en begrensd, koesterde een hevig verlangen naar het warme, in de zin van het hartelijke, mij omarmende Suriname, nu blijf ik eraan terugdenken, maar de afstand is groter geworden, Holland heeft zich tussen Suriname en mij geschoven. Als Holland na vier dagen capituleert huil ik met alle anderen mee, het komt niet bij me op om wie dan ook te verwijten dat we in de illusie van onaantastbare neutraliteit hadden geleefd en daarin waren blijven geloven, toen het ene land na het andere werd aangevallen en bezweek en het begrip neutraliteit ragdun was geworden.

Maar voor het zover is heeft zich in Duitsland een drama voltrokken waarvan ik tot in Leiden de schokken voel. De Kristallnacht van 8 op 9 november 1938. Wat ik die nacht heb uitgespookt weet ik niet meer, ik weet wel dat toen ik in de vroege morgen thuiskwam - doorgeroeid heet dat in het Leidse jargon - en de krantekoppen zag, ik meteen wist: nu is het ernst. Wat ik al die tijd had kunnen weten maar niet ten

[p. 33]

volle tot mij had willen laten doordringen stond me plotseling pal voor de geest. Het besef dat er van buitenaf een stempel op je gedrukt wordt, dat zijn afdruk op je achterlaat, of je het wilt of niet. Ik was te trots, te koppig, te eigengereid om toe te geven aan gevoelens van vrees, zwakte, ontreddering, wel ging ik ervan uit dat ik anderen die daarbuiten stonden niet ermee mocht belasten. Dat koppige, eigenzinnige gevoel bracht me ertoe om naar een vriendin - ik beschouwde haar min of meer als mijn meisje - die in Genève op een pensionaat zat, te reizen om haar te zeggen dat we om die reden aan onze verhouding - een band die die naam nog in geen velden of wegen verdiende - beter een eind konden maken. Een paar maanden later is deze opwelling al weer voorbij, maar dan blijkt mijn toch al niet te hechte plaats in haar hart door een ander te zijn ingenomen. Het meisje in kwestie, nog altijd een goede vriendin, herinnert zich bij navraag niet dat we in Genève zulke diepgaande gesprekken hebben gevoerd. Ze moeten dus minder diep geweest zijn dan ik dacht dat ze waren. En wat diepte betreft, ik had kennelijk in die tijd nog niet door dat Liefde met een grote L zich niet door zulke onzinnigheden laat wegvlakken.

Meer nog dan alle kranteberichten gaf het boek van Rauschning Die Revolution des Nihilismus bij mij de doorslag. Dit was geen storm die over zou waaien, appeasement zou niet baten. En toch was er die avond in september 1938, toen Chamberlain wuivend met een door Hitler ondertekend papiertje uit München terugkwam en de wereld Peace in our time beloofde, een uitgelaten kroegjool op sociëteit Minerva. Dat was geen uitzondering. In de meeste hoofdsteden werd uitbundig feest gevierd. Niemand scheen zich er meer om te bekommeren dat een deel van Tsjechoslowakije smadelijk aan Hitler was verkwanseld. ‘Lieber Lord, mach uns frei, von der Tjechoslowakei,’ hadden de Sudetenduitsers in spreekkoor geroepen toen Lord Runciman als waarnemer er poolshoogte kwam nemen en nu was het dan zover. En wat deed jij toen? Je had toch beter kunnen weten. Zo iemand mij dat zou vragen zou ik

[p. 34]

alleen kunnen zeggen: Ik was geen uitzondering, ik heb op die avond geen verstek laten gaan.

prepostterug  begin  verder