Igor Cornelissen haalt in zijn boek Speurtocht naar de (auto)biografie een Chinees spreekwoord aan dat volgens hem alle schrijvers van autobiografieën en memoires zich eigen moeten maken, wanneer ze tenminste op een minimum aan waarheidsgetrouwheid aanspraak willen maken: ‘De bleekste inkt is sterker dan het sterkste geheugen.’ Ik moet op zijn gezag aannemen dat deze kernspreuk uit China afkomstig is en dan misschien wel een paar duizend jaar oud. Hoe het ook zij, ik ben bereid en in de gelegenheid om als proefkonijn voor deze bondige stelling te dienen. Laat mij vooropstellen dat ik nooit een dagboek heb bijgehouden. Welke bezwaren men ook tegen dagboekaantekeningen kan aanvoeren - de humeurigheid een mens eigen staat een getrouwe weergave van het gebeuren vaak in de weg - ze leveren in ieder geval een indicatie op van wat zich op een bepaalde dag rondom een persoon heeft afgespeeld en van zijn reactie daarop. In mijn gevoel ontbreekt dus dit hulpmiddel, deze onmisbare steunpilaar voor de schrijvers van autobiografieën. Daarnaast spelen brieven van en aan de betrokken persoon een belangrijke rol. Ook in dit opzicht schiet ik tekort. Als jongetje van veertien jaar ben ik vanuit Suriname naar Holland gezonden en mijn briefwisseling heeft zich tot mijn afstuderen beperkt tot de brieven aan en van mijn ouders in Suriname. Toen ik na de dood van mijn vader in 1954 zijn bureau opruimde trof ik in een la een groot aantal van mijn brieven aan. Ik kan nu niet meer verklaren wat mij toen bezield heeft, maar in plaats van die voor mijn nageslacht te bewaren heb ik ze op de grote hoop rommel en afval gegooid. Alvorens dit te doen - en ik moet erbij zeggen dat ik het, o, wat stom, ten zeerste betreur - heb ik wel in die stapel gegrasduind op zoek naar die ene brief, waarvan ik zeker wist dat die ertussen moest liggen. En jawel hoor, daar kwam hij tevoorschijn, een stuk dikker dan de
andere op papier met een onmiskenbaar Japans logo. Het is de eerste brief die ik na mijn ontsnapping uit bezet Nederland naar huis heb geschreven en hij geeft nog heet van de naald mijn denkpatroon en wedervaren weer vanaf het moment dat Holland op 10 mei 1940 in oorlog geraakte. De brief is gedateerd 12-2-1941 en is geschreven op het schip de Yamata Maru dat van Yokohama naar San Francisco voer. Het ging mij om het bezit van de brief en ternauwernood om de inhoud. Het was net een geboortebewijs, een papier waar je niet naar kijkt, dat je ergens wegbergt en dat je toch niet kunt missen. Nu ik dit hoofdstuk aan het schrijven ben heb ik de brief uit de enveloppe gehaald en lees hem met verbaasde ogen; ik heb hem in handen gehad, dat wel, heb hem goed opgeborgen, dat ook, maar echt gelezen, in me opgenomen, dat geloof ik niet. Ik lees de brief nu en frons de wenkbrauwen, sommige passages komen me te ongeloofwaardig, te pathetisch voor, ik zou de briefschrijver zelfs hier en daar tot de orde willen roepen, op de vingers tikken. En tegelijkertijd weet ik heel zeker, zo moet het geweest zijn, zo heb ik het toen aangevoeld, in die roes, in die onwerkelijke, dat wil zeggen de werkelijkheid vanuit een bepaald perspectief bekeken, sfeer heb ik geleefd.
Als ik nu de inhoud van de brief vergelijk met de spontane, ongedwongen verhalen die ik in 1982 aan Jos de Roo heb verteld, waarbij ik op zijn verzoek geen gebruik maakte van brieven, boeken, documenten en dergelijke - hij beschouwde de gesprekken als ‘oral history’ - dan valt het me op dat niet zozeer de feiten, maar de kleur en de sfeer eromheen zijn gaan verschillen. De briefschrijver is ongeremd, laat zich gaan, is impetuoso, de latere verteller heeft die hartstocht achter zich gelaten, is milder geworden, molto moderato.
ik U de blijde mededeling doen dat we Honolulu naderen. Stel U voor, de vervuilde kok-matroos van twee maanden geleden maakt nu een luxe bootreis van Yokohama naar San Francisco. En dan is er iets waaromtrent ik niet heb willen telegraferen, ik heb besloten als gewoon soldaat dienst te nemen. Er staat op het ogenblik zoveel op het spel en we zijn verplicht alles te doen om het Duitse gevaar te keren. Als u wist wat een huichelachtige schoften het zijn, als je tot de overtuiging komt dat er geen erger woord in de wereld bestaat dan het woord Duitser, dan ben je blij dat je in de gelegenheid bent om eigenhandig mee te werken aan hun ondergang.
(Ja, de Chinees van het spreekwoord heeft gelijk. Zulke taal zou ik met de beste wil van de wereld niet meer kunnen en durven opschrijven. Maar het is onloochenbaar mijn handschrift, de bleke inkt heeft mijn gedachten uit die tijd voorgoed vastgelegd.)
De brief bevat dan berichten over familieleden en kennissen van mijn ouders, die ik in Holland had achtergelaten.
Dan vervolgt ze:
Ik kan u ook vertellen van mijn eerste ontsnapping in de nacht van de capitulatie met een klein bootje vanuit Scheveningen. Hoe ik daar een Engelsman en een Rotterdamse arbeider ontmoette en we besloten in zee te steken in de vaste overtuiging dat we wel opgepikt zouden worden. Een klein open bootje, eigenlijk een vlet van een verlaten patrouillevaartuig met een buitenboordmotor en wat benzine. Vijf dagen hebben we op open zee rondgezworven met een half brood en een emmer water voor ons drieën. Het is zo ellendig geweest, zo absoluut ellendig, die uitputting en de hopeloosheid. En dan de kou die 's nachts kwam opzetten en je koortsig maakte, zodat je alleen maar dood wilde zijn, dood en rusten ergens onder in het water omdat je niet meer wist wat je doen moest. Het is te beroerd om het U te vertellen, als zo'n dag weer
voorbijging zonder dat we schepen zagen, hoe we vergeefs salvo's in de lucht afschoten om de aandacht van Engelse vliegtuigen te trekken of op zeemeeuwen mikten om in gods naam iets te eten te hebben en langzaam word je gek, werkelijk gek, ik hoorde mijn naam roepen, vanuit de zee kwam Pa zijn stem en hij riep me ernstig en dringend ‘Hugo, Hugo.’ Dat maakte me bang omdat ik het niet begreep, maar ik antwoordde, ‘ja, ja, ik kom’ en dan keken mijn makkers op en vroegen: ‘Wat heb je?’ En toch gaven we het niet op, we wilden leven ondanks alles, om die Duitsers betaald te zetten voor alles was ze over ons en over de wereld gebracht hebben. Soms huilde een van ons, niet eens om zichzelf, maar omdat je het eenvoudig niet verkroppen kon dat al het mooie dat je in je leven gehad hebt door die ellendelingen kapotgemaakt was. En 's nachts als het water woelig werd en de kou ons van onder tot boven deed rillen, dan was er altijd een van ons die de boot met zijn kop op de golven hield, omdat we anders zouden omslaan. Ik zal het nooit meer kunnen vergeten dat op een nacht toen het water vrij ruw was de arbeider uit Rotterdam - Kees Schouten is zijn naam - me wakker stompte, me een riem in de handen duwde en niets anders zei dan ‘trekken’. En als ik wilde ophouden omdat ik niet meer kon, dan zag ik zijn kleine gedrongen gestalte als een soort supermens, nee, als een soort woeste god, voorovergebogen, aan niets anders denkend dan aan die tegenbeweging die hij maken moest om de boot op te houden, zo verbeten, zo koppig, dat terwijl je huilde van moeheid je niet kon ophouden totdat het morgen werd en kalmer.
Onze boot strandt tenslotte bij Nieuwpoort, België, en vandaar kom ik, na een mislukte poging om via Duinkerken, waar de evacuatie van de Engelse troepen in volle gang is, Engeland te bereiken, naar Holland terug. Na een paar maanden maak ik dan via Delfzijl als kok-matroos op een kustvaarder de reis naar Finland, dros van het schip, en spoor dwars door het onmetelijke Rusland met de Transsiberische naar Wladiwostok. Vandaar met de boot naar Japan, dat dan nog niet in
oorlog is, Tokio, het leed is geleden, op een luxe schip op weg naar Amerika. Dat is in het kort het verloop van mijn vlucht die me in maart 1941 in Canada bij het Nederlandse legioen zal brengen. In een volgend hoofdstuk kom ik op die reis terug, wat mij nu bezighoudt is de discrepantie als je dat zo noemen mag tussen het verslag van de mislukte vlucht in mijn brief en mijn mondelinge weergave daarvan, 45 jaar later, aan Jos de Roo.
Wij voeren op de gis richting Engeland, maar na een uur of zestien varen was de benzine op. Toen begon het dobberen, dat vier dagen duurde. We hadden roeiriemen waar we ons op de golven mee staande konden houden, maar de verduvelde kou 's nachts viel niet mee. We beseften dat we op zee zouden kreperen. We probeerden het gevoel van wanhoop te bestrijden: we hadden dit toch echt zelf gewild, niemand had ons ertoe aangezet.
Het verschil in toon is duidelijk en toch heeft dit volgens mij niets met de waarheidsgetrouwheid waarop Cornelissen doelde te maken. Het verslag in de brief is direct, emotioneel. In het verhaal aan De Roo is de hitte er van af, komen geen tranen, geen waterlanders meer voor. De held van het verhaal is een koelbloedig personage, niet een huilebalk.
Er bestaat nog een derde versie van deze mislukte vlucht. Een meer literaire, die onder de titel ‘Interview’ haar plaats vond in het tijdschrift New Found Land waarvan Hans Faverey - ik kende zijn vader in Suriname - een der redacteuren was. (Tweede Jaargang, nr 3/1982)
Het was ongeveer half vier in de ochtend toen we de haven van Scheveningen uit roeiden. We wuifden. Het was net of de arm van de Pier heel lang terugwuifde. Ik weet zeker dat we alle drie huilden.
Kees had zijn fiets in de sloep meegenomen. Hij nam een hele boel plaats in beslag.
‘Gooi dat ding in zee,’ zei Rob.
‘Blijf jij met je poten ervan af. Ik zal hem in Engeland nodig hebben.’
We waren ervan overtuigd dat het Kanaal krioelde van Engelse schepen, die ons straks wel zouden oppikken. ‘Brittania rules the waves’, herhaalde ik tot vervelens toe.
‘Wat betekent dat?’ vroeg Rob. Rob was een Engelsman, die geen woord Engels kende. Zijn Nederlandse moeder was jaren geleden van haar Engelse man gescheiden en Rob was door zijn moeder, die het niet breed had, in Nederland opgevoed. Hij werkte in de keuken van een groot restaurant en zag er spierwit en ongezond uit, alsof hij nooit in de buitenlucht kwam. Dit was een uitje voor hem. Hij wilde bij de raf in dienst. Niet als kok. Als boordschutter.
Na vier dagen dobberen op zee was het eigenlijk wel bekeken. We zouden het niet halen. 's Nachts was het erbarmelijk koud en dan kropen we rillend bij elkaar op zoek naar een beetje warmte. Als de golven kwamen opzetten schepte de sloep water. Soms leek het erop dat hij zou omslaan.
‘Als u toen was doodgegaan, was de hele vlucht toch nutteloos geweest?’
‘Ja, dat wel, maar dat speelde geen enkele rol. We hadden gedaan wat we hadden willen doen en als doodgaan daar nu de consequentie van was, dan moesten we dat maar op de koop toe nemen. We konden niet terug en we wilden ook niet terug. We hadden afscheid genomen toen de duinenrij bij het opkomen van de zon langzaam uit het gezicht verdween. Ik kende Rob en Kees niet en we hebben nooit intiem met elkaar gesproken. Ook over doodgaan hebben we niet gepraat. Het was bezig zich te voltrekken en er was zelfs een zekere rangorde zichtbaar. Rob, teringlijder en daarenboven onappetijtelijk zeeziek, zou het eerst gaan, dan ik, de verwende mediocere, en dan Kees, klein, gedrongen, oersterk. Op zijn Gazelle zou hij de hemelpoort binnenrijden en ons op zijn bagagedrager meenemen.’
‘Nu wilt u blijkbaar niet meer doodgaan?’
‘Heb ik dat dan gezegd?’
‘Nou ja, u hebt gezegd dat er een hemelsbreed verschil is tussen toen en nu.’
‘Ik heb het u, ben ik bang, toch niet duidelijk kunnen maken. Ik las ergens in de krant een interview met een Japans zakenman. De man vertelde dat hij zich op zijn twintigste samen met zijn vrienden had opgegeven als kamikazepiloot om zich als een levende torpedo op de Amerikaanse invasievloot te storten. Hij had het hele voorgeschreven ritueel tot in de puntjes gevolgd, haar en nagels afgeknipt en naar zijn ouders gestuurd ter bijzetting in het huisaltaar en zelfs zijn doodshaiku al geschreven. Een groot aantal van zijn vrienden was hem reeds voorgegaan en nu wachtte hij reikhalzend op zijn beurt. De capitulatie knakte plotseling al die opgevoerde spanning af. Een journaliste vroeg hem of hij er geen spijt van had, dat hij nog leefde. Nee, zei hij, hij genoot oprecht van het zakenleven, van het uitgaan met zakenvrienden, van zijn Honda, van de geisha's, van zijn familie.’
‘Wat wilt u daarmee zeggen?’
‘Ik herken iets van die zakenman in me. Als het moet dan moet het, maar verder, geen denken aan.’
‘Bedoelt u dat u nu niet meer aan de dood denkt?’
‘Nee, dat bedoel ik niet. Ik denk daar dagelijks aan. “Vive memor leti fugit hora”, staat op de Waagtoren in Alkmaar geschreven. De vvv gaat er kennelijk vanuit, dat de duizenden toeristen, die des vrijdags naar de kaasmarkt stromen, zich daardoor niet laten afschrikken. Leef gedachtig aan de dood, het uur vliedt. Ik ben in Alkmaar op het gymnasium van Hemelrijk geweest. Ik kon het dus zonder hulp van buiten vertalen. En het paste wonderwel bij mijn kleine wereldbeeld, dat ook nog door de kwatrijnen van Omar Khayyam en de cpn-leuze “fascisme is oorlog” werd gevoed. Ik leef dus met de dood zonder er wakker van te liggen. Ik heb de dood soms zelfs nodig als prikkel om me uit een bepaalde sleur los te rukken. Dan ga ik bijvoorbeeld naar Nepal en trek drie weken met dragers en sherpa om de Annapurna. De sherpa wijst me, als het wolkendek openscheurt, op een hoge besneeuwde top, nog
ontoegankelijker dan de andere, en vertelt me dat geen bergbeklimmer daar ooit mag komen, omdat daar de goden wonen. Straks denk ik dan, straks.
Op mijn Gazelle.’
Wat moet ik hier nog aan toevoegen?
De tranen zijn tot een minimum teruggebracht. De Gazelle heeft een symboolfunctie in de opslagplaats van mijn geheugen ingenomen. Ik beschouw dat als een grote zeldzaamheid, een niet overdraagbaar symbool, lekker alleen voor mij. Iets tussen stervensbereidheid en ‘Lebensbejahung’ in. Daar kun je heel oud mee worden. Dat zie je aan mij.