terug  begin  verderprepost
[p. 55]

Varen

‘We gaan naar Jezus!’ Deze uitroep, die een martelaar des geloofs niet zou hebben misstaan, is niet van mij. Ze is van Swildens, de tweede stuurman van de Flora, toen het schip door een granaat van een Duitse U-boot getroffen werd en in brand vloog. De Flora voer op dat moment in de Caribische zee waar het wemelde van Duitse duikboten. Amerika was nog maar pas in de oorlog, het konvooistelsel concentreerde zich voornamelijk op de Atlantische Oceaan om Engeland op de been te houden. Bovendien liep de Flora, zoals de meeste kleinere schepen van de knsm, de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij, aanzienlijk langzamer dan de Duitse duikboten.

Dim Vermeulen, afkomstig uit Brazilië waar zijn vader een landbouwbedrijf had, en ik waren de twee kanonniers op het schip. We dienden beiden als soldaat in de Prinses Irenebrigade in Wolverhampton en hadden ons opgegeven toen er vrijwilligers werden gevraagd voor kanonnier bij de koopvaardij. Het leven in het kamp Wolverhampton was, nadat de opleiding achter de rug was, weinig opwindend. Wachtlopen en nog eens wachtlopen. Het leek in die eerste tijd, eind 1941, begin 1942 of er meer officieren dan soldaten waren en het zag er naar uit dat er van een invasie op het vasteland voorlopig niets zou komen. Wij hadden het natuurlijk zo slecht nog niet, om de zoveel weken hadden we weekendverlof en konden dan naar Londen gaan, waar ik steevast in de Odeninobar mijn vrienden uit andere diensten, de Marine en de Luchtmacht, ontmoette. Het karige traktement van een soldaat - drie shilling per dag - was nooit een bezwaar, want sommigen van mijn vrienden hadden de rang van officier en ook waren er altijd wel vrouwen die er een patriottische eer in stelden om geallieerde soldaten, of het nu Hollanders, Polen of Noren waren, aan een drankje te helpen. Er heerste een

[p. 56]

opgewekte stemming, de bombardementen op Londen konden daar geen afbreuk aan doen. Iemand vertelde laat in de avond een verhaal over de soldaten, die in 1798 met Prins Willem v vanuit Scheveningen naar Engeland waren overgestoken. Ze keerden pas in 1813 of 1815, toen Napoleon goed en wel verslagen was als oude mannen in Nederland terug. Het kon ons niet deren, jong als we waren beseften we niet eens dat een aantal van ons nooit zou terugkeren.

 

Dim en ik en nog zo'n zestig anderen kregen een spoedopleiding in Liverpool. Vandaar naar New York waar we werden ingedeeld. Zeggenschap daarin hadden we niet, het was als een loterij zonder nieten, maar wel met hogere en lagere prijzen. De waardering van de prijzen hing weer van de persoon af die ze trok, The Blue Caribbean stond bij mij hoog genoteerd, de Noordelijke IJszee daarentegen ijselijk laag en waarachtig het geluk was met mij. Ik werd samen met Dim op de Flora geplaatst die op de warme zee voer. Eenmaal op het schip kwamen we erachter dat de bemanning er andere gedachten over het geluk op nahield. Zij was, zonder defaitistisch te zijn, ervan overtuigd dat we in deze wateren de duikboten niet konden ontlopen. Dat was op zichzelf geen reden tot kankeren, de ontevredenheid richtte zich meestal op de lage gevarentoeslag die de heren in Londen Jan de zeeman hadden toebedacht. Kapitein De Haan, een oud marine-officier, zag er op toe dat de Flora er piekfijn uitzag. Als zij - Flora is uiteraard vrouwelijk - dan toch ter ziele moest, dan met een tot in de puntjes verzorgd uiterlijk. Dat betekende wel dat Dim en ik telkens als het schip in een haven lag aan de slag moesten met bikken en teren en meer van dat soort huishoudelijke bezigheden.

Omdat de Flora niet in konvooi voer en we zelden een ander schip zagen overviel ons, mij althans, het gevoel van Alleen op de Wereld. Ik had dat gevoel al eerder leren kennen toen ik na uit bezet Nederland ontsnapt te zijn in mijn eentje dwars door Rusland reisde op weg naar Japan. Het zou mij in het

[p. 57]

verdere verloop van de oorlog nog vaker overkomen en misschien heeft het wel niets met de oorlog te maken, maar is het gewoon een deel van mijn habitus of mijn innerlijk gesteldheid. Net zo min als ik gezelschap om me heen voortdurend kan verdragen, net zo min ben ik bestand tegen een lang aanhoudend gevoel van alleen zijn. Op de Flora uitte zich de onrust in een door de omstandigheden bepaalde vorm. Het kon gebeuren dat je op een nacht besloot niet in je hut te gaan slapen en dan maar een matras en een kussen naar het dek sjouwde. En de volgende nacht, die in niets verschilde van de vorige, sliep je weer rustig in je eigen bed. Het had meer te maken met het samengaan van de zekerheid en de onzekerheid waarin we leefden, de zekerheid dat de confrontatie met de U-boot elk ogenblik kon gebeuren, de onzekerheid van het wanneer. Niemand zei er wat van als ze mij met het matras zagen sjouwen, ik vroeg ook niets als ik een ander datzelfde op een ander tijdstip zag doen. Eén keer bij stormachtig weer ter hoogte van San Domingo, terwijl het schip gevaarlijk heen en weer schommelde en een wervelstorm in aantocht was kwam er een Amerikaanse destroyer langszij en riep ons via een scheepstoeter toe: ‘Submarine in vicinity, get out of this area as quick as possible, good luck brother.’ Het geluk - hoe vaak heb ik het woord geluk niet al gebruikt - was met ons, we kwamen behouden in Port au Prince, de hoofdstad van Haïti aan, waar we een paar dagen bleven liggen om sisal te laden. Dat laden verliep nogal traag, de havenarbeiders, elders een breed geschouderd, gespierd soort mannen, zagen er belabberd mager en uitgemergeld uit en van opschieten was geen sprake. Er bleef genoeg tijd over om 's avonds te passagieren, maar onze excursies strekten zich niet verder uit dan tot de dichtstbijzijnde bars annex hoerenkasten. De meisjes uit het aangrenzende San Domingo bleken vanwege hun lichtere huidskleur de voorkeur van de klanten - wat waren wij anders? - te genieten.

 

Ik kocht, leesgraag als ik ben, een krantje en las dat de

[p. 58]

President in een rede tot de volksvertegenwoordiging zijn bezorgdheid over de toestand van zijn land had uitgesproken: ‘les cheveux gris du coeur’. Daar bleef het niet bij. Op een avond kwam de agent van de maatschappij, een Haïtiaan, aan boord. Ik zat aan dek en maakte kennis. De hofmeester, Lodewijks, een belezen man, voegde zich bij ons en zorgde voor een verrukkelijke rumpunch, rum de Barbancourt. Een mens vergeet namen, gezichten en wat niet al, maar deze rumpunch is me bijgebleven als een dierbaar souvenir uit die doodarme republiek. Ons gesprek ging niet over de oorlog, niet over de economie, de agent had het over de literatuur, er vloeiden namen over en weer, bekende en onbekende. Waar heb ik tijdens de oorlog ooit zo'n gesprek gehad? Nergens, geloof ik. Ik meen ergens gelezen te hebben dat de vlieger en schrijver Saint Exupéry eens een avond op het eiland Réunion moest doorbrengen en daar toen tot zijn verbazing met een groep inheemsen kennis maakte, die tot en met op de hoogte waren van de Franse literatuur. Dat was nog in volle vredestijd en het kan een uitgelezen gezelschap zijn geweest. In dit geval was het iets unieks. De agent kwam om wat zaken te bespreken, bleef aan dek even uitblazen, we kwamen in gesprek en zie daar, het grijs dat het hart van de president omfloerste was geweken.

Ik heb mij toen niet de vraag gesteld of liefde voor het boek ook niet een vorm van escapisme kan zijn. Gelukkig maar, als ik dat gedaan zou hebben zou ik er waarschijnlijk niet uit zijn gekomen. Zelfs nu nog, zoveel jaren later, kan ik daar geen afdoend antwoord op geven. Sedert zo'n eminent criticus als Edmund Wilson Conrads' The Heart of Darkness and Kafka's Metamorphosis in zekere zin tot de Tales of Horror rekent, waarbij de Horror niet van buiten in spookgedaante op ons af komt maar in onszelf zetelt, is mijn onzekerheid in dit opzicht toegenomen. Zoals een ander van tuinieren houdt lees ik voor mijn plezier. Als ik iets zal missen als ik er straks niet meer ben - gesteld dat ik in The Void iets zou kunnen missen, - dan zijn het wel mijn boeken, zowel mijn lievelingsboeken,

[p. 59]

die ik in een kast dicht bij mijn bed heb staan, als de boeken die nog geschreven zullen worden en zich daar dan een plaats moeten veroveren. Waaruit blijkt dat mijn onthechting nog altijd haar volle wasdom niet heeft bereikt en mijn inhaligheid in dit opzicht tot over het graf heenreikt. Al dit soort overwegingen speelden natuurlijk tijdens mijn aanwezigheid op de Flora geen enkele rol. In het hiernamaals geloofde ik niet, met het geloofsartikel ‘De doden zullen eens weder herleven’ had ik afgedaan, de aantrekkelijkheid van het boeddhisme met een schier eindeloos voortrollende reïncarnatie had nog geen vat op mij. Een achteraffe reconstructie van toenmalig denken en voelen is na meer dan vijftig jaar een hachelijke onderneming. Als ik ervan uitga dat de drang tot overleven een van de machtigste drijfveren in het bestaan is, en als ik er dan de bereidheid om je in te zetten met de gerede kans om je leven erbij in te schieten aan toevoeg, dan is het zo'n beetje in een notedop samengevat. Voor de een zal dat samengaan van twee uitersten ongetwijfeld minder vanzelfsprekend zijn uitgevallen dan voor de ander, het kwam er toch op neer dat we met z'n allen in hetzelfde schuitje, de Flora, zaten.

Overdrijf ik? Ik meen van niet. In de eerste helft van 1942 zijn er alleen al op de route van de Amerikaanse Oostkust een 200 schepen verloren gegaan, waarvan sommigen met man en muis. Het Caribisch zeegebied was zonder afweermaatregelen een waar jachtterrein voor de U-boten. In mei en juni zijn ruim honderd schepen tot zinken gebracht. Eerst na juli toen er konvooibescherming werd geboden verbeterde de toestand aanmerkelijk en gingen er bijna geen schepen meer op deze route verloren. Als ik een enkele maal terugdacht aan die armzalige nachten dat ik met Rob en Kees op onze vlucht in een bootje op Het Kanaal zwalkte voelde ik me, hoe onwaarschijnlijk dat ook mag klinken, mateloos voldaan. Wat me toen niet gelukt was, wat bijna was uitgelopen op een onvermijdelijke en nutteloze ondergang waarin je je maar had te schikken, had ik toch voor elkaar gekregen. Het beant-

[p. 60]

woordde aan mijn eergevoel, niet tegenover anderen, maar tegenover mezelf, om mee te kunnen doen aan de oorlog die nog gewonnen moest worden. Ik had de vernedering willen ontvluchten - de gedachte aan Auschwitz en wat daarmee samenhing was toen nog niet eens geboren, - de ontluistering van een ingeboren maar in toom gehouden trots, dat begreep ik nu, waarmee ik de wereld om me heen totnogtoe had bekeken. Waar deze gesteldheid op berustte mag Joost weten, de natuurlijke eenvoud van mijn moeder, die zonder dat zij daar erg in had van haar uitging, heeft mij altijd als lichtend voorbeeld voor ogen gestaan, zonder dat ik in de verste verte dat ideaal heb benaderd. Het had allemaal denk ik iets met elkaar te maken, angst om dood te gaan en het op de koop toe nemen dat je kon sneuvelen waren niet langer elkaar uitsluitende begrippen. Het een overlapte het ander, verschoof telkens, was nooit helemaal weg. Omdat je er niet voortdurend bij stilstond leek het soms erop of doodgaan naar eigen believen van dag tot dag uitgesteld kon worden. Er was trouwens aan boord van zo'n klein schip als de Flora geen aalmoezenier die je aan je hoofd zeurde met de grote levensvragen, hij zou ze trouwens niet eens behoeven te stellen, want wat zou hij ons meer kunnen meegeven dan Good luck, brother. Kan het zijn dat ik als jood dat allemaal sterker aanvoelde dan een ander, die met dat soort problemen niet op dezelfde manier als ik geconfronteerd werd? Ik weet het niet, misschien zinspeelde mijn vriend Appie, in opleiding voor piloot, daarop toen hij me schreef dat hij begreep waarom ik dienst genomen had op de koopvaardij. Dat was echt iets voor hem, vliegeniers keken op de langzaam voortploeterende schepen vanuit de hoogte meewarig neer, terwijl de zeevarenden op hun beurt hun hart vasthielden voor de gevaren die de vliegers te wachten stonden.

 

Het was op een van die heldere maanovergoten nachten die je op de Caribische zee hebt toen de Flora beschoten werd. Verrukkelijk als zulke nachten zijn leverden ze voor de sche-

[p. 61]

pelingen het grootst mogelijke gevaar op: het silhouet van het schip was door geen verduistering aan het zicht te onttrekken. Dim had me net afgelost, maar ik was op het platform waar het kanon was opgesteld wat blijven hangen om van de avondlucht te genieten. Plotseling zagen we een lichtflits, we richtten het kanon en het leek wel of de wederzijdse granaten elkaar passeerden voor ze neerkwamen. De granaat van de U-boot sloeg meteen in. De machinekamer was getroffen, het schip kwam stil te liggen en vloog in brand. Van de andere kant werd er nu ook op ons geschoten. We hadden de indruk dat we ons tussen twee duikboten bevonden en bleven terugschieten, maar konden, omdat we geen lichtspoorammunitie hadden, niet uitmaken waar onze granaten precies neervielen. We meenden heel even op het water een blauwe steekvlam gezien te hebben, maar hadden geen idee wat dat kon zijn. Toen de Flora gevaarlijk begon te hellen besloot de kapitein dat het tijd was om in de reddingsboten te gaan. Een van de twee boten was zwaar beschadigd en met een propvolle reddingsboot voeren we op de kust af. De dodelijk getroffen eerste machinist stierf al rochelend in de boot. Voor we weg voeren zagen we op een veilige afstand om niet meegezogen te worden de Flora langzaam kapseizen, zich nog eenmaal flauwtjes oprichten en toen in het water verdwijnen. Van kapitein De Haan kregen Dim en ik een getuigschrift. (z.o.z.)

 

Vooral het criterium ‘uitstekend’ deed me goed. Het bracht me terug naar mijn schooltijd in Paramaribo. In de rapporten van de Hendrikschool stond links boven in de hoek de betekenis van de cijfers aangegeven: 8 was goed, 9 was zeer goed, 10 was uitstekend. Van herplaatsing is het niet gekomen. Ik werd weer in het leger opgenomen en kreeg in Suriname een. officiersopleiding.

In 1986 verschijnt het indrukwekkende standaardwerk van de historicus K.W.L. Bezemer Geschiedenis van de Nederlandse Koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog. Hij heeft als enige in Nederland de archieven van de Britse Admirality, waar zich

[p. 62]



illustratie

de journalen van de Duitse U-boten bevinden, mogen raadplegen. Uit het logboek van de U-159en de scheepsverklaring van kapitein De Haan heeft Bezemer de werkelijke toedracht van het verloren gaan van de Flora kunnen reconstrueren.

 

‘De Flora (1417 ton) was op 4 juni, onder kapitein A. de Haan, met een lading stukgoederen uit “een Amerikaanse haven” naar Curaçao vertrokken. De bemanning telde 31 koppen en er waren 6 passagiers aan boord. De 13de juni trof men twee reddingsboten met schipbreukelingen aan, die werden opge-

[p. 63]

pikt. Zij waren afkomstig van drie vernietigde schepen en bevonden zich vier dagen op zee. In verband met de toestand van deze mensen en het tekort aan drinkwater op zijn eigen schip, besloot kapitein De Haan zijn route te wijzigen en de geredden naar Cristobal te brengen. De volgende dag werden zij daar afgeleverd en na nog enige lading te hebben ingenomen ging het door naar Curaçao.

In de vooravond van 17 juni, om 20.15 uur, kreeg de kapitein op de brug telefoon van de kanonnier dat hij een flauw licht zag over bakboord. Vlak daarna hoorde De Haan een schot, dat aan bakboord in de midscheeps bleek te zijn ingeslagen. Onmiddellijk hard stuurboord uitdraaiend gaf de kapitein, die zich niet direct gewonnen wilde geven, order het vuren te beantwoorden. Wij zullen hieronder zien hoe de tegenstander daardoor aanvankelijk in moeilijkheden kwam, helaas blijkbaar zonder dat men zich dit op de Flora voldoende realiseerde. Reeds spoedig volgden er nieuwe inslagen; de bakboordsboot werd zwaar beschadigd, het licht ging uit, de machine stopte, het stuurgerei geraakte onklaar en er ontstond brand. Het was een groot wonder dat slechts een der opvarenden, de 3de machinist, B. van Voorthuisen, ernstig getroffen was en wel direct door het eerste schot. Het schip werd nu verlaten met de stuurboordsmotorsloep, waarin een groot deel van de bemanning had plaats genomen. Op enige afstand werden de verdere gebeurtenissen afgewacht; men zag de Flora ondergaan. Even daarna verscheen een onderzeeboot, die “om enige bijzonderheden vroeg” en vervolgens verdween. Teruggaande naar de plaats des onheils werd de vol water staande bakboordsboot gevonden met de overige bemanningsleden, die werden overgenomen. Vervolgens ging het op de kust van Colombia af, slechts een 12 mijl verwijderd. De volgende nacht kon men landen en wel in het plaatsje La Pajaro, niet ver van de grotere kuststad Rio Hacha. Met de eigen sloep en twee assisterende gouvernementsboten ging het door naar Rio Hacha, waar de schipbreukelingen gastvrij en liefderijk werden ontvangen. Helaas was Van Voorthuisen

[p. 64]

inmiddels overleden. Hij werd plechtig ter aarde besteld in Rio Hacha. Kort daarna vertrokken allen naar de Colombiaanse hoofdstad Barranquilla; hier werd op 22 juni de scheepsverklaring afgelegd voor de Nederlandse consul.

De Flora was vernietigd door de U-159, op 15 mei onder luitenant-ter-zee 1ste klasse Witte uit Lorient naar het Caribische-zeegebied vertrokken. In de namiddag van de 17de verkende Witte niet ver van de kust van Colombia een schip, dat hij besloot 's avonds met zijn 3,7 cm-kanon aan te vallen. Om 20.15 vuurde hij, van 800 m, zijn eerste granaat af; het was meteen een treffer. De onderzeebootcommandant beschrijft in zijn journaal hoe het getroffen schip direct scherp afdraaide en het vuur beantwoordde. “Dat is vervelender, vooral op deze kleine afstand. Ook ik draai nu, met volle vaart, eerst af.” Het doel bleef doorvuren en reeds spoedig liepen het schip en de U-159, maar nu op grotere afstand, naast elkaar op. Na enkele minuten boekte het beschoten schip van zijn kant een voltreffer op de tegenstander (“ein glücklicher 10,5 Treffer ins achtere Deckshaus”) Witte dacht dat het schip, door de rook van de op de U-159 ontstane brand, niet meer zuiver kon schieten. Daarom wilde hij het niet opgeven, hoewel het schip “schon verdammt gut eingeschossen” was, maar nu steeds miste. Toen er brand uitbrak op de Flora (Witte wist niet dat het om dat schip ging) was de strijd beslist. Men zag hoe boten werden gestreken; spoedig stond het schip in lichtelaaie en ik geef bevel het vuren te staken - het stoomschip kentert brandend over stuurboord - ik ga naar een reddingsboot (het is een motorreddingsboot) en hoor van de tamelijk stuurse inzittenden als naam Flomar, van 5551 ton.’

Aldus Wittes ktb, dat we deels letterlijk aanhaalden. Ook nu werd de naam van het door de U-boot vernietigde schip niet goed verstaan. Flora werd Flomar, een Amerikaans schip van inderdaad 5551 ton - natuurlijk aanzienlijk meer dan de 1417 ton van de Flora. Op 13 juli was de U-159 terug in Lorient.

[p. 65]

Dit relaas brengt meer dan veertig jaar later twee feiten aan het licht. Het eerste en meest glorieuze is dat wij met ons kleine 3-inch kanon wel degelijk een voltreffer op de U-boot hebben geplaatst en wel zodanig dat hij terug moest naar zijn thuishaven in Duitsland en geen verder onheil kon aanrichten in de Caribische wateren. En hiermee was onze waarneming van de blauwe steekvlam die als ongeloofwaardig ter zijde was geschoven gerehabiliteerd.

Het tweede opmerkelijke is dat wij er altijd vanuit zijn gegaan dat twee duikboten ons schip beschoten hadden, terwijl nu blijkt dat de U-159 om de Flora heen gevaren heeft. Het doet me denken aan de titel van een boek van de Russische filosoof Leo Sjestov Crisis der Zekerheden. (Niet aan de inhoud van het boek, al kan het geen kwaad om eraan herinnerd te worden ‘dat als God verboden had pruimen of peren te eten en Adam Hem daarin ongehoorzaam was geweest, de gevolgen dezelfde geweest zouden zijn.’) Hoezeer een mens blakend van waarheidsliefde kan dwalen blijkt uit het feit dat ik nog maar een paar jaren voor het uitkomen van het boek van Bezemer aan Jos de Roo het een en ander over het zinken van de Flora had verteld en het toen nog had over twee duikboten. Over de blauwe steekvlam, die toen al jaren naar het rijk der fabelen was verwezen, heb ik toen niet eens meer durven reppen.

prepostterug  begin  verder