terug  begin  verderprepost
[p. 66]

Creool

In 1943, terwijl het oorlogsbedrijf nog in volle gang was, gebeurde er iets dat er ogenschijnlijk niets mee te maken had. Meneer Waller, boer Thomas in de wandeling, een oud koffieplanter, had in Paramaribo een Suriname-avond georganiseerd, die uitsluitend voor Surinamers toegankelijk was. Zoiets aparts, exclusiefs, had bij mijn weten in Suriname nog nooit plaatsgevonden. De buitensociëteit Het Park, de geliefde ontmoetingsplaats van de beter gesitueerden, zou op die bewuste avond haar terrein afschermen en alleen Surinamers toelaten. Restte de vraag, Surinamers, wie zijn dat? Om die vraag te beantwoorden dook het eenhoofdig Waller-comité niet in moeilijke antropologische of etnische begripsomschrijvingen, maar liet het aan ieder over om zelf uit te maken of hij/zij er al dan niet toe behoorde. Ik herinner mij die avond nog goed. Op het terrein stonden talrijke tenten waar van alles te doen en te krijgen was, terwijl op de dansvloer een onvermoeibare band voor een opgewekte calypsostemming zorgde. De bezoekers van de fancy-fair, want dat was het, moesten wel diep in hun zak tasten, want achter al dit opgeruimde gedoe school de werkelijke diep-serieuze bedoeling van het Waller-initiatief. De opbrengst van de avond zou dienen om de Surinamer terug te brengen naar de landbouw, die hij na de afschaffing van de slavernij de rug had toegekeerd.

Suriname, de kolonie waarmee volgens Colijn niets mee te beginnen was en waar niets te halen viel, was door de oorlog als het ware uit een diepe slaap ontwaakt. Amerikaanse troepen en een detachement van de Prinses Irenebrigade uit Engeland waren er gelegerd om de voor de oorlog vitale bauxietmijnen te beschermen, waardoor de bedrijvigheid was toegenomen. De op 7 december 1942 uitgezonden radiorede van Koningin Wilhelmina, die voor alle drie koloniën een nieuwe rechtsorde inhield, waarin zij de eigen aangele-

[p. 67]

genheden zelfstandig zouden verzorgen, had iets wakker geroepen dat voordien alleen nog maar in de harten van enkelingen sluimerde. Wat dat betreft was er een hemelsbreed verschil tussen het benarde, door de Japanners bezette Nederlands Oost-Indië, waarvoor de toespraak toch hoofdzakelijk bedoeld was en de West-Indische koloniën. In deze sfeer paste de oproep van Waller wonderwel.

Het was geen Monroe-achtige doctrine die hij verkondigde, het was niet vijandig gericht tegen de niet-Surinamers, het was wel een eerste opwelling van nationalisme om de landskinderen te doen inzien wie en wat zij waren en ze een stimulans te geven om vooruit te komen en niet bij de pakken neer te zitten. ‘Ferme jongens, stoere knapen, foei hoe suffend staat gij daar’, het ons bekende lied uit Kun je nog zingen, zing dan mee mocht dan niet op de Surinamers slaan, het was Waller uit het hart gegrepen. Terug naar het land, hard werken en ploeteren in de landbouw, de aanwezigen op het tuinfeest, voor zeker negentig procent stadsbewoners, die er niet aan dachten het in hun ogen comfortabele leventje in en rondom Paramaribo op te geven, stemden er volmondig mee in en droegen naar vermogen royaal het hunne daartoe bij.

Waarom ik deze gedenkwaardige avond, die tot de prehistorie van het Surinaamse nationalisme moet worden gerekend, hier weer oprakel spruit voort uit het feit dat ik door de afgebakende omschrijving van het soort bezoekers voor het eerst scherp geconfronteerd werd met het begrip identiteit. Totnogtoe was dat voor mij een betrekkelijk vormeloos begrip geweest, dat ik in de jaren die ik buiten Suriname verbleef min of meer met nostalgie in verband bracht, een soort Zuid-Zuid-Westgevoel, een voortdurende latente verbondenheid met Suriname. Ik had nooit het gevoel van ‘het een of het ander’. Nu werd ineens van mij een keuze verwacht. Beschouwde ik mij, niet alleen door geboorte, maar ook in de geest als Surinamer, dan behoorde ik deel te nemen aan het feest, zo niet, dan diende ik mij er verre van te houden. Ik ben erheengegaan, mijn keuze was niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. (Ik

[p. 68]

volgde toen na het zinken van de Flora in Suriname een officiersopleiding.)

 

Hoe plausibel klinkt het allemaal. En toch is het beeld dat ik zojuist heb geschetst en dat ik tot voor kort voor onomstotelijk waar heb gehouden gedeeltelijk onjuist. Gedeeltelijk. Want het offerfeest van de heer Waller heeft ongetwijfeld plaatsgehad. Maar bij de weergave van de opzet, de doelstelling van deze fancy-fair is een fout geslopen die ik in mijn herinnering heb weggemoffeld en die eerst nu, nu ik enig graafwerk in het verleden heb verricht, aan het licht treedt. Waller, zo blijkt mij nu, had het recht op toegang tot zijn besloten avond niet tot Surinamers beperkt, het was nog veel beperkter van opzet, veel exclusiever. Het waren uitsluitend de creolen die hij op het oog had, de passieve, lamlendige creolen die het erbij hadden laten zitten, terwijl de hindoestanen, die pas later na de afschaffing van de slavernij als contractarbeiders waren aangevoerd, zich tot een dynamische groep hadden ontwikkeld, die op velerlei gebied, maar vooral in de landbouw, de creolen had overvleugeld. Voor Waller stond de remedie tegen deze onzalige gang van zaken al bij voorbaat vast. Onder goede, maar vooral harde leiding moesten de creolen weer aan de slag en als oud-planter kwam de landbouw daarvoor het eerst in aanmerking. De opbrengst van de avond zou bestemd worden om een geschikt terrein te verwerven en een aantal creoolse jonge mannen die de handen uit de mouwen wilden steken bij elkaar te brengen om de grond te bewerken. Het was een zuiver creoolse aangelegenheid, het ging om niets minder dan om de risorgimento van het creoolse volksdeel. Juist daarom moesten zijzelf en niet anderen het geld voor dit doel bij elkaar brengen, daarom mochten alleen creolen meedoen aan het Waller-festijn. Voor Surinamers van hindoestaanse, Chinese of Javaanse afkomst gold Verboden Toegang.

Hoe komt het, vraag ik me nu af, dat ik deze gang van zaken, deze apartheid avant la lettre, vergeten was? Dat ik de herinnering aan die avond heb behouden, maar dan zodanig

[p. 69]

gekleurd, om niet te zeggen vervalst, dat ik haar als uitgangspunt heb genomen voor de ontdekking van mijn identiteit als Surinamer. Bij enig nadenken had ik toch moeten beseffen dat de hindoestanen en Javanen bij uitstek landbouwers waren en dat voor hen de aansporingen van boer Thomas volstrekt overbodig, ja zelfs onzinnig moeten hebben geklonken. Het ging Waller heus niet om versterking van enig politiek bewustzijn dat na de oorlog zou uitmonden in autonomie en baas in eigen huis. Niets van dat alles stond hem voor ogen, het is mijn interpretatie geworden, ik heb het zoeklicht op de vraag ‘Wie ben ik’ laten vallen op een gebeurtenis die wel heeft plaatsgevonden, maar waarvan ik het decor, de achtergrond, zodanig heb verschoven dat de deelnemers iets anders uitbeeldden dan waarmee ze in werkelijkheid bezig waren. Maar daar komt nog iets anders bij. Dit voorval is daarom zo levendig in mijn herinnering gebleven, omdat ik door het bijwonen van het feest me openlijk heb geïdentificeerd en geëtiketteerd als creool, zonder gehinderd te worden door de gedachte dat het nog maar de vraag was of ik als jood en blanke me tot die groep zou mogen rekenen. Creolen, wie zijn dat?

Rudolf van Lier vermeldt in zijn in 1949 uitgekomen standaardwerk Samenleving in een grensgebied dat in Suriname tot in de twintigste eeuw allen (ook het vee) die er werden geboren creools werden genoemd. ‘Door de aanwezigheid van een grote immigrantenbevolking uit Azië kreeg het woord echter een nieuwe betekenis: het werd hoofdzakelijk gebruikt om de groep aan te duiden die uit kleurlingen en negers bestaat, waardoor het mogelijk wordt deze te onderscheiden van de afstammelingen van de immigranten. Tot deze groep kan ook een in Suriname geboren kind van blanke ouders behoren, indien het zichzelf daartoe rekent en door de overige creolen als zodanig wordt geaccepteerd.’ Ik heb er toentertijd niet bij stilgestaan. Als Joséphine de Beauharnais en Jean Rhys tot de creolen worden gerekend, waarom ik dan niet.

Het deed mij een innerlijk genoegen om tot die groep te

[p. 70]

behoren en eerlijk gezegd beleef ik dat ondanks mijn Nederlanderschap en mijn dertigjarig verblijf buiten Suriname nog altijd zo. Ik heb door de manipulatie van het geheugen het feest van Waller misbruikt om er iets anders, ruimers van te maken dan het bekrompene dat het in werkelijkheid was, ik heb het omgebouwd tot iets dat eerder de raciale tegenstellingen in het land zou overbruggen dan verscherpen, maar dat neemt niet weg dat ik indertijd spontaan gehoor heb gegeven aan Wallers trompetgeschal. Ik heb mij toen niet afgevraagd hoe de andere buitengesloten bevolkingsgroepen tegen het Waller-initiatief aangekeken hebben. Hebben ze het als een affront aangevoeld of gedacht ‘het zal me een zorg zijn’? Het is mogelijk dat de Hollandse allochtonen, die in die dagen nog altijd de toon aangaven, zich de ogen hebben uitgewreven: ‘Wat moet dat nou?’ maar bepaald ongerust over de strekking van die avond zullen ze zeker niet geweest zijn, omdat Suriname in oorlogstijd pal achter de geallieerden, Nederland en Oranje, is blijven staan. Creool of niet-creool, het was geen onderwerp waar ik me in mijn studententijd mee had beziggehouden. Wie van het handjevol portiers, zeelieden, muzikanten en semi-artsen (afkomstig van de Medische school in Paramaribo) brak zich op een enkeling na vóór de oorlog het hoofd over dergelijke haarkloverijen? Als studentpoëet in Leiden had ik een vers getiteld ‘Creolina’ in de Virtus gepubliceerd, maar veel verder dan het betreuren dat er geen ‘zwaar bedwelmend mooie creoolsen’ in dat stadsdeel te vinden waren reikte mijn gedachtengoed niet.

Ik zal niet voor de verleiding bezwijken om te gaan mijmeren over de wispelturigheid of de onbetrouwbaarheid van het geheugen en het zou bovendien afbreuk doen aan de deugdelijkheid van mijn memoires. Dat hebben anderen, meer bevoegden, al eerder lang voor mij gedaan. Ik bevind mij in de bijzondere positie, dat ik aan de hand van het door de heer Waller zelf geschreven en in 1965 uitgekomen boekje Surinaamse herinneringen van boer Thomas kon verifiëren wat zich rondom die bewuste avond heeft voorgedaan. (Ik ga er daar-

[p. 71]

bij van uit dat het herinneringsvermogen van boer Thomas in de tussenliggende 22 jaar niet zodanig was afgezwakt dat hij de door hem aangebrachte scheidslijnen van die avond een ander tintje heeft gegeven.) Want wat ik hier tussen haakjes als een mogelijkheid veronderstel is bij mij in ieder geval gebeurd. Of je het afzwakking, verdoezeling, verdringing of legitimering zou willen noemen, vaststaat dat ik nu, met mijn neus op de feiten gedrukt, de door Waller gevolgde methode om een op zich zelf respectabel doel ‘Terug naar het land’ te bereiken beschamend vind. Daarom voor mij geen ‘Speak, Memory’. Het is veeleer ‘Thank you, Memory’, jij hebt mij jarenlang het gevoel van een lichte gêne bespaard, die ik anders bij het terugdenken aan die avond moeilijk van mij af had kunnen schudden. Als daad van eenvoudige rechtvaardigheid tegenover de nagedachtenis van de heer Waller past het mij om erop te wijzen dat, zo al iemand blaam treft, Waller dat met alle bezoekers en medewerkers van die avond deelt.

Er bestaat een leerstuk over de passieve medeplichtigheid dat in het begin van deze eeuw door het Hof van Justitie in Suriname is ontwikkeld en sindsdien algemeen erkende jurisprudentie is geworden. Het Hof kreeg de vraag voorgelegd of de bewakers van een aantal zakken koffie op een schuit medeschuldig waren aan de diefstal van de zakken door, terwijl ze van de voorgenomen diefstal op de hoogte waren, net te doen alsof zij sliepen toen de dieven hun slag sloegen. De bewakers meenden vrijuit te gaan omdat zij immers niet aan de diefstal zelf hadden meegedaan. Schuldig, vanwege hun passieve medeplichtigheid aan de diefstal, luidde het vonnis. Daders en medeplichtigen zijn even strafbaar. Als ik dit oordeel van het Hof op de feestavond in Het Park toepas, dan betekent dit dat wij allen, de heer Waller, de bezoekers en alle overige medewerkers in gelijke mate schuldig zouden zijn, zo er al van enige schuld sprake is. De geest van boer Thomas ruste in vrede.

[p. 72]

Ter noodzakelijke aanvulling.

De schrijver Jo van de Walle, toentertijd regerings-voorlichtingsambtenaar, rept in zijn in 1975 uitgekomen boek Een oog boven Paramaribo, dat over de oorlogsjaren in Suriname handelt, met geen woord over dit opmerkelijke festijn, misschien omdat hij tot een groep behoorde die op die avond buiten de poort zou worden gehouden. Wel heeft hij de heer Waller in Paramaribo ontmoet en daar in zijn boek verslag van gedaan. Het sluit tot op zekere hoogte aan bij mijn weergave van Wallers gedachtengang, maar gooit er nog een niet zo aardig schepje bovenop. Ik citeer: Waller waardeerde de hard werkende hindoestaanse en Javaanse boertjes best. ‘Maar,’ zei hij ‘het land Suriname, is van ons. Van de Surinamers. Surinamers zijn mensen van hier. Zij zijn creolen, ingeborenen, ingezetenen. Het woord creool betekent niet neger,’ vervolgde hij, ‘het betekent van hier. Een koe die bij ons een kalf krijgt, krijgt een creools kalfje. Dat is een kalf van hier, snap je!’

‘Als een hindoestaanse een kindje krijgt,’ vroeg ik bescheiden, ‘is dat dan geen creooltje?’ Hij keek me met zijn donkere, glanzende ogen verbijsterd aan en schudde het hoofd over zoveel onbegrip. Toen hij schokschouderend wegliep, kreeg ik de indruk dat er in Suriname een klassenstrijd gaande was, tussen stad en land.

Ik heb altijd gerede twijfel over de gevatheid van schrijvers bij de weergave van een gesprek dat tientallen jaren geleden gevoerd is. Dat neemt niet weg dat het niet bepaald onschuldig beeld dat Van de Walle hiermee oproept, en daar gaat het om, trefzeker is.

Hoe heerlijk argeloos bezong de straatzanger Thijm in mijn jongensjaren het huwelijk, de idylle, tussen een hindoestaanse heer en een creoolse dame. Het moet toen een opzienbarende gebeurtenis zijn geweest en Thijm heeft, onder de indruk van dit gebeuren, het klaargespeeld om drie in Suriname gesproken talen in een vierregelig lied te stoppen. Goedoe, goedoe Thijm, bij hem is er nog geen sprake van concurrentie en rassentegenstelling, wel van een eerste schuchtere toenadering:

[p. 73]
 
Baboen teki malata misi
 
al in Paramaribo
 
Baboen meki opo wisi
 
atsjeh mai, kaise hai
 
 
 
Een hindoestaan zocht een bruid
 
hier in Paramaribo
 
betoverde met zijn toverkruid
 
een schone mulattin.
 
Goed zo (aanstaande) moeder, heb je het naar je zin?

(Vertaald met behulp van Hein Eersel.)

prepostterug  begin  verder