terug  begin  verderprepost
[p. 74]

Op weg naar Tokio I

Ik probeer bij het oprakelen van wat ik nu wil gaan vertellen gewoon bij het begin ervan te beginnen om niet ergens middenin verzeild en verstopt te raken. De moeilijkheid zit hem daarin dat bij dit begin een ander voorafgaand begin zich aandient dat ik niet zonder meer kan weglaten omdat anders de innerlijke samenhang komt te ontbreken en daar gaat het mij juist om. Om niet helemaal op Adam en Eva terug te vallen heb ik daarom gekozen voor een resumé van die gebeurtenissen die ogenschijnlijk niets met Tokio te maken hebben maar toch daarop uitlopen.

Ik bevond mij in Tarakan toen Japan op 15 augustus 1945 capituleerde en kreeg de opdracht om me per vliegtuig naar Brisbane te begeven. Vandaar zou het eerste schip met de omineuze naam de Van Heutz met een paar honderd militairen en burgerpersoneel naar Java vertrekken. Dat vertrek ging met een paar moeilijkheden gepaard, omdat de Australische havenarbeiders na het uitroepen van de Republiek door Soekarno weigerden Nederlandse schepen te laden. Omdat staken in Australië zelfs tijdens de oorlog een veel voorkomend verschijnsel was werd dat nogal gelaten opgevat. Het betekende wel dat het schip door de troepen zelf moest worden geladen. Ondanks deze vertraging begaven we ons welgemoed aan boord. Onder de passagiers bevond zich ook kolonel Spoor, toen nog geen generaal, het hoofd van de nefis, de militaire inlichtingendienst. Die dienst was blijkbaar beter op de hoogte van de situatie in de buitengewesten dan van die op Java, waar ze tijdens de oorlog geen voet aan de grond heeft kunnen krijgen. In ieder geval begon de luchthartige stemming aan boord om te slaan toen de radioberichten vanuit Batavia steeds verontrustender luidden. In plaats van een hartelijk welkom voor de bevrijders van Indië - en dat waren we toch - moesten we op een vijandige ontvangst rekenen.

Dat laatste viel nogal mee. In Tandjong Priok, waar we op 4

[p. 75]

oktober aankwamen, wapperden weliswaar overal de roodwitte vlaggen van de Republiek op de daken, maar er werd niet op ons geschoten. De verwarring in Batavia-Djakarta was groot, het rood-wit en het rood-wit-blauw gaven aan welke gebouwen al dan niet door de aanhangers van de Republiek bezet waren. In mijn herinnering waren dat alle politiekantoren en een kantoor van een Indonesisch dagblad dat openlijk tot revolutie opriep. Ik weet dat zo goed, omdat een vriend van mij, die zich ergerde dat dat zo maar kon, me tevergeefs voorstelde om het zonder bevel van hogerhand op onze beurt te gaan bezetten. De eerste paar dagen werd ik samen met een stuk of wat anderen ondergebracht in een groot flatgebouw tegenover een spoorwegstation. Tot onze verbazing bleven de treinen rijden. Omdat we er niet zeker van konden zijn dat de reizigers die naar Djakarta kwamen uitsluitend vreedzame groente - en kippenverkopers waren, stelden we volgens een rooster een reguliere bewaking van het gebouw in. Meneer Bloem, voor de oorlog het hoofd van de Weeskamer, in mijn ogen een man op leeftijd, had de nachtdienst. Nu had meneer Bloem nog nooit van zijn leven een geweer in handen gehad, zodat eerst een kortstondige instructie daaraan voorafging. We hielden ons hart vast dat als zich iets voordeed - wat gelukkig niet het geval is geweest - meneer Bloem zich in zijn voet zou schieten.

Na een paar weken van betrekkelijk niets doen in een chaotische stad waar af en toe zonder aanwijsbare reden een plotseling heftig schieten losbarstte, kreeg ik de opdracht om naar een legerkamp in de buurt van het kleine vliegveld Ketjilitan te gaan om een overspannen vaandrig af te lossen. Het kamp werd vrijwel iedere avond aangevallen door groepen peloppors, de jonge heethoofden van de Republiek. Schoten vielen, je hoorde hun stemmen ‘madjoe, madjoe’ (vooruit, vooruit) in de duisternis, maar de scherp gepunte bamboe omheining, het mijnenveld en het mitrailleurvuur hielden hen op een afstand. Er was beslist geen paniek en zolang ik in het kamp was is er nooit een van de onzen getroffen. Ik was

[p. 76]

meer beducht om door een kogel van een van onze eigen ‘trigger-happy’ Ambonese soldaten in de rug geraakt te worden dan door een schot van de aanvallers. Hoe gemoedelijk ons leven ondanks dat alles toch verliep blijkt uit het feit dat de officieren in het kamp op last van de kolonel iedere zondagmiddag in het nabijgelegen recreatieoord - de naam ben ik vergeten, Polonia of iets dergelijks - moesten dansen met vrouwen uit een pas bevrijd vrouwenkamp. De vrouwen zagen er na zo veel doorstane ellende niet uit en ze misten voorlopig de kleren en toiletbenodigdheden om daar wat aan te doen. Voor de vrouwen was het een pretje en we hebben ons best gedaan om hen te doen geloven dat dat ook voor ons gold. Ik vermoed dat dit recreatieoord de enige plek ter wereld is geweest waar het dansen op zondag op een dienstbevel berustte.

In een afgesloten kamertje in het kamp trof ik een gevangene aan. Het was een Indonesische journalist, verdacht van nauwe betrekkingen met de vijand - de republikeinen. De man, even oud als ik, had verse brandwonden op zijn rug. Toen ik hem vroeg hoe hij daaraan was gekomen zei hij dat hij door de vaandrig met een gloeiende klewang ondervraagd was.

Ik dwaal even af. In het heel bijzondere, van humanisme ademende boek Indonesische overpeinzingen van Sjarazad, (pseudoniem voor Soetan Sjahrir, die de eerste minister-president van de Republiek zou worden,) dat in 1945 in de vorm van een quasi-dagboek van de destijds op Boven-Digoel en Banda-Nera geïnterneerde schrijver is uitgekomen, maar dat ik eerst nu aandachtig lees, stoot ik op: ‘Driehonderd jaar hebben wij hier al met klewang en knuppel geregeerd,’ zegt Zijne Excellentie De Jonge, ‘en over driehonderd jaar zullen we het nog wel doen,’ verzekert hij ons middels de correspondent van de Deli Courant. De door Sjahrir aangehaalde woorden van de G.G. ‘met knuppel en klewang’ dringen nu pas in hun volle omvang tot me door.

Het is mijn taak om inlichtingen van de journalist, die een belezen man is en goed Nederlands spreekt, los te krijgen.

[p. 77]

Omdat de gloeiende klewang hem niet tot spreken gebracht heeft probeer ik het op een andere, meer bij zijn beroep passende manier. Na een aantal gesprekken, waarbij ik tracht hem ervan te overtuigen dat een aantal niet of nauwelijks opgeleide republikeinse soldaten het niet zullen kunnen opnemen tegen het Nederlandse leger dat straks voet aan wal op Java zal zetten, geef ik hem potlood en papier om zijn door mijn toedoen verhelderde inzichten op te schrijven. Vreemd als het klinken mag, ik ben niet bijster geïnteresseerd in wat hij allemaal opschrijft. Zonder geschoold te zijn in de techniek van ‘brainwashing’, besef ik maar al te goed dat wat hij nu opschrijft om ons te plezieren hem een niet geringe mate van binnenpret moet bezorgen. Overtuigd als ik ben dat mijn aanpak evenmin als die met de klewang enig nuttig effect zal sorteren, sla ik maar een vluchtige blik in zijn schrijfsels en stop ze weg. Twee ervan heb ik bewaard en al die jaren van het ene land naar het andere met me meegesleept. Waarom eigenlijk? Ik stel mezelf die vraag zonder een passend antwoord daarop te vinden. Beslist niet om me dagelijks te herinneren aan een lichtelijk beschamende vertoning, want zo zag ik dat toen niet en die paar vellen papier lagen boven op de zolderverdieping zonder enige toelichting in een vergeelde enveloppe te rusten om nooit meer boven water te komen. Nu liggen ze dan weer voor mij op mijn bureau en ik zie tot mijn verbazing dat hij, opgesloten in zijn kamertje in het kamp, zijn opstel, als ik dat zo noemen mag, een titel heeft gegeven en het met zijn naam Soejadi Hadikoesoemo heeft ondertekend. Mijn arme landgenoten heet een van die opstellen dat zo begint:

Mijn arme landgenoten, welk lot is u wel beschoren in deze moeilijke dagen? Gij wordt weggehaald van Uw gezin, van Uw werk, van Uw sawah. Gij wordt opgezweept voor een opstand. Goede sprekers, de kranten, gevechtsoefeningen met puntige bamboes. Alles werkt mee om u klaar te maken voor een hardnekkige tegenstand. Maar net als ik hebben de mees-
[p. 78]
ten onder U zich, geloof ik, vergist. Ik dacht dat we ons toen klaarmaakten voor een opstand tegen de Japanners. Hebben wij de vuisten niet gebald, de tanden geknarst, toen miljoenen van onze broeders uit de dessa's werden weggehaald en zij gedwongen werden zich dood te werken?...
En nu de vrede er eenmaal is, wat doet gij nu? Gij verzet u tegen het Ned. Ind. Leger, dat een onderdeel vormt van het geallieerde Leger. De extremisten hebben op Soerabaja generaal Mallaby vermoord. Moet heel het Indonesische volk of minstens heel Java daarvoor boeten? Is dat billijk? Wat hebben onze vrouwen en kinderen, de ouden van dagen, de eenvoudigen van geest, gedaan dat zij moeten boeten voor de daad van enkele extremisten? Wij willen vrijheid, goed, wie wil nu geen vrijheid, ik net zo goed als u allen, wij allemaal koesteren dezelfde verlangens.

Uit wat hij schrijft blijkt duidelijk dat hij een verschil maakte tussen de volgens hem op vrede gerichte politiek van de leiders Soekarno en Hatta en het onbesuisde optreden van de extremisten. Hij noch ik wist toen nog wat hem boven het hoofd hing. Want toen het bericht kwam dat Engelse journalisten het kamp wilden komen bezoeken vormde de journalist met de brandwonden op zijn rug een voor ons hinderlijke aanwezigheid. De kolonel suggereerde - het was geen bevel, louter een suggestie - dat het probleem uit de wereld zou zijn als de journalist bij een van de nachtelijke aanvallen van de peloppors dodelijk geraakt zou worden. Hij liet het aan mij over. Er bestond dus na de klewang en de brainwashing nog een derde methode: moord. Zo kwam het op mij over. Er is niets gebeurd. De Engelse journalisten zijn niet gekomen. Toen ik het kamp kort daarna verliet om naar Timor te gaan was hij er nog. Ik mag hopen dat hem verder niets is overkomen.

Toen ik in Timor als auditeur-militair moest gaan optreden - ik was inmiddels tot kapitein bevorderd - was er een merkbare verandering in mijn opvattingen gekomen. Dit was niet de oorlog die mij bij mijn vlucht uit Holland voor ogen had

[p. 79]

gestaan. Voor de volle honderd procent had ik mij in mijn denken achter het beleid van de Nederlandse regering en daarmee van de geallieerden geschaard. De oorlog is een en ondeelbaar, daar ging ik vanuit, of het nu Duitsland of Japan betrof. Met dat denkpatroon had ik zonder enig gewetensbezwaar tijdens de oorlog op Tarakan doodstraffen kunnen eisen tegen Indonesiërs wegens collaboratie met de vijand. Nu de oorlog voorbij was en de revolutie was uitgebroken veranderde dat patroon volledig. Ook zonder partij te kiezen voor de revolutie, want daar was ik nog lang niet aan toe, begon ik in te zien dat voor Indonesiërs het begrip collaboratie met de vijand iets heel anders was dan wat het in onze ogen betekende. Natuurlijk waren daar ook wreedheden en verraad zelfs tegen de eigen volksgenoten binnengeslopen, maar het begrip als zodanig had voor mij zijn dwingende kracht verloren. Ik durf niet met mijn hand op mijn hart te verklaren dat ik het bedwingen van de revolutie als het begin van een koloniale oorlog zag, er waren in die eerste maanden na de capitulatie van Japan nog zoveel andere dingen die een rol speelden en in mijn ogen was het belangrijkste dat de mensen uit de kampen moesten worden bevrijd en beschermd. Maar daardoorheen woelde onmiskenbaar het gevoel dat hier een vrijheidsstrijd gaande was, ik wilde daar niets mee te maken hebben, ik wilde weg uit het leger, terug naar Nederland. Op mijn verzoek tot demobilisatie werd afwijzend beschikt. Ik behoorde in dienst te blijven tot zes maanden na de oorlog en de oorlog duurde blijkbaar nog voort.

Overigens viel er in Timor weinig of niets van de revolutie te merken. Geen rood-witte vlaggen, geen optochten, geen schoten. Toch was de oorlog hier niet onopgemerkt voorbijgegaan, integendeel. Koepang, de pittoreske hoofdstad van Nederlands Timor, bestond niet meer. Er stond geen huis overeind, het lag te dicht bij Darwin, vanwaar de Australische luchtmacht, waaronder ook het Nederlandse achttiende squadron viel, opereerde. Een paar stenen leeuwen, eens de bewakers van Chinese eethuizen en tempels, stonden nog overeind.

[p. 80]

Dat was alles. In het nabijgelegen Bakoenase was een bestuurscomplex geïmproviseerd. Ik deelde mijn hut met Faure, een landbouwingenieur die op Macassar gevangen had gezeten. We werden al gauw goede vrienden, hij doodernstig en ik, die hoe dan ook de oorlog in volle vrijheid was doorgekomen, veel nonchalanter. Toen ik bij het scheren een Gillettemesje, dat ik al drie keer had gebruikt, wegwierp, kreeg ik als verwijt te horen: daar zal je nog eens spijt van hebben. Faure is allang dood, omgekomen (bij een verkeersongeluk?) ergens in Kenia, maar zijn vermaningen zijn mij bijgebleven.

Nu ik het toch over hem heb moet ik ook even een gedenkwaardige, maar mislukte tocht naar de Portugese enclave Oikoesie vermelden. In Timor dragen de mensen zelfgeweven kains, meestal blauwachtig van kleur, maar in Oikoesie moeten ze felrode kains hebben. Dat wilden we wel eens zien, misschien zelfs een kopen, dus gingen wij, Faure, de veearts en ik op een ochtend met z'n drieën per jeep ernaartoe. Ik zat achter het stuur. De weg erheen was tamelijk smal en voerde over bergachtig terrein. Schelpen en kiezelsteentjes stoven voortdurend in ons gezicht, de voorruit ontbrak. Om aan dat ongemak te ontkomen besloot ik meer op de grasrand aan de kant van de weg te gaan rijden. Toen gebeurde wat geen van ons had kunnen voorzien. Wat ik op een gegeven ogenblik voor de grasrand aanzag bleken de groene toppen van de bomen te zijn, die vanuit een ravijn omhoog staken. De optische vergissing was fataal. De jeep viel in een diepte van een paar honderd meters, maar zakte, opgevangen door de talrijke bomen, langzaam omlaag en kwam op zijn wielen neer. Ikzelf werd door een aantal dooreengestrengelde takken opgevangen. Mij scheelde niets, alleen mijn bril was ik kwijt. Faure had twee gekneusde ribben, de veearts was er erger aan toe, hij had een gebroken sleutelbeen. We mochten nog van geluk spreken dat wij het er nog betrekkelijk goed vanaf gebracht hadden. Van de tuimeling in het ravijn wisten ik en de beide anderen niet veel te vertellen. Alles ging zo snel en onverwacht in zijn werk, eerst later begin

[p. 81]

je te reconstrueren wat er feitelijk gebeurd moet zijn. Maar er blijft iets onwerkelijks aan het gebeuren kleven, wat me doet denken aan het bekende verhaal van de filosoof Zhuang Zhou, die droomde dat hij een vlinder was, en bij het ontwaken zich afvroeg of hij misschien een vlinder was die droomde de filosoof Zhuang Zhou te zijn. Zo kan ik blijven doormijmeren over dit voorval en dan kom ik terecht bij een kwatrijn dat ik als tweedejaarsstudent (1934) in het weekblad Virtus van het Leids Studenten Corps schreef:

 
De auto stort zich pijlsnel naar omlaag
 
Ik weet alleen één ding, straks ben ik dood.
 
Vreemd dat ik zonder vrees dit leven ga verlaten
 
dat ik zo straks nog zo intens genoot.

Terugblikkend op de inhoud van dat kwatrijn, een versvorm die ik pas na mijn zeventigste weer ben gaan benutten, kan ik alleen maar zeggen dat de tuimeling in het ravijn niet met vrees of wat voor gevoelens ook gepaard is gegaan, om de eenvoudige reden dat het gebeuren niet tot mijn bewustzijn was doorgedrongen.

Dit intermezzo mag niet verhelen dat er een verandering in mij gaande was die vooral ook in mijn werk tot uiting kwam. Van de strenge straffen die ik geëist had, had ik afstand genomen, de doodstraf is niet meer over mijn lippen gekomen, ik was, zoals ze dat in de jaren zestig uitdrukten, omgeturnd. Hier in Timor, op een afstand van de revolutie, begon ik alles met andere ogen te bekijken. In dit niet echt ontgonnen land vol vrijheidslievende mensen die hun huizen het liefst op de top van de heuvels bouwen en zelfs moeilijk, zoals het bestuur wilde, in dorpen bijeengebracht konden worden, begon ik steeds meer begrip te krijgen voor hun voelen en denken. En als ze dan vreemde soldaten zagen rondzwerven, die hun spullen, hun varkens en hun tuinen beroofden, dan is het te vergoelijken dat ze daartegen optraden en niet gingen overwegen of het wel een Nederlandse of een Austra-

[p. 82]

lische soldaat was, die ze als vriend moesten erkennen, dan wel een Japanner die ze als vijand mochten afslachten. Vanuit dat gezichtspunt heb ik bijvoorbeeld tegen twee verdachten die een Australische soldaat hadden gedood, omdat hij hun varken gestolen en geslacht had, slechts drie jaar gevangenisstraf geëist, een eis die tijdens de oorlog belachelijk laag zou zijn geweest. Ik moet hieraan toevoegen dat de krijgsraad met die eis is meegegaan, hetgeen erop wijst dat ze hier - wat elders niet het geval schijnt te zijn geweest - mijn mildere opvattingen zijn gaan delen.

In dit betrekkelijk rustige klimaat, dat de omslag in mijn denken alleen maar vergemakkelijkte, schreef ik een vers, Faure tikte het voor mij uit en ik zond het naar de procureur-generaal in Batavia, de heer Felderhof. Ik had de heer Felderhof nog maar één keer in mijn leven en dan nog slechts heel even ontmoet. Het leek mij geen man om grappen mee te maken. Zijn optreden in dit chaotische tijdperk was doelgericht, rechttoe, rechtaan. Hoe ik het in mijn hoofd gehaald heb om het hem toe te sturen begrijp ik nu zelf niet meer. Ik vermoed dat ik het deed om hem op deze bedekte wijze de twijfels die bij mij gerezen waren voor te houden. ‘Gebed van de Openbare Aanklager’ gaf ik het gedicht als titel mee. Hier een paar strofen van dit op 12 april 1946 gedagtekende vers:

 
Ach Heer, uw grote zegen
 
gaat wel langs vreemde wegen
 
de moordenaars en dieven
 
zijn wellicht Uw gelieven
 
 
 
en die wij braaf kastijden
 
in cellen laten lijden
 
Heer, zijn het niet die dwalen
 
die naar Uw liefde talen?
 
 
 
In dit kortstondig leven
 
is wijsheid niet gegeven
[p. 83]
 
De rechter zegt: ‘Bewezen’
 
Wat zal Uw oordeel wezen?

Aan godsvrucht moet het me in die dagen toch niet hebben ontbroken.

 

Vijf jaar later, als ik op het punt sta vanuit Holland naar Suriname uitgezonden te worden met een baan bij de rechterlijke macht, word ik nog eenmaal met het Indonesiëprobleem geconfronteerd. Alvorens mijn benoeming uit kan gaan moet ik eerst nog spitsroeden lopen in de persoon van de veiligheidsadviseur, of hoe zo'n functionaris ook heten mag, van het ministerie van Overzeese Rijksdelen. Het gesprek loopt gesmeerd. Op mijn antecedenten valt niet veel aan te merken. Verdachte politieke connecties heb ik niet. Dan valt de naam Soekarno. Wat ik van hem denk? Ik zit tegenover een man die geen goed woord over heeft voor de vrijheidsstrijd van de Indonesiërs. Het type komt me bekend voor. In de ons resterende koloniën zal het ons geen tweede keer overkomen, hoor je hem denken. Hoe ik me eruit gered heb weet ik niet meer. Dat is maar goed ook. Mijn uitzending naar Suriname is geen ogenblik in gevaar gekomen.

prepostterug  begin  verder