terug  begin  verderprepost
[p. 84]

Op weg naar Tokio II

Een reconstructie

Het is maar een enkel zinnetje en het valt nauwelijks op. L. van Poelgeest schrijft in zijn beknopte maar gedegen studie Nederland en het Tribunaal van Tokio: ‘Onuitgenodigd arriveerde in Tokio plotseling Mr H. Pos met zijn rapport over Japanse oorlogsmisdadigers in Oost Timor.’ Onuitgenodigd, daar gaat het om, dat doet de wenkbrauwen fronsen, dat roept vraagtekens op, je zou gaan denken dat ik in 1946 aus dem Blaue hinaus plotseling vanuit de lucht in Japan neerplofte. Meestal begint degene die zich tegen een onjuiste weergave van de feiten verdedigen wil met de bondige aanhef: Niets is minder waar. Dat ik daarvan afzie heeft zijn reden. De Nederlandse Militaire Missie onder leiding van generaal Schilling wist, dat moet ik toegeven, inderdaad van mijn komst niet af. Maar de opdracht om me naar Tokio te begeven was ook niet van haar uitgegaan. Van wie dan wel? Omdat op deze zo eenvoudig lijkende vraag meerdere tegenstrijdige antwoorden gegeven kunnen worden en het mij juist erom te doen is het misverstand hierover uit de weg te ruimen, moet ik teruggaan naar een gedenkwaardige avond in april 1946 in Bakoenase.

In het afgelegen Timor, waar ik als auditeur-militair bij de Temporaire krijgsraden werkte, streken wel eens meer illustere bezoekers neer, soms om iets te onderzoeken, vaker op doorreis naar andere eilanden. Een van hen was de Lieutenant-Colonel Laurens van der Post, officier van de British Intelligence en schrijver van naam. Hij had in een Japans krijgsgevangenkamp op Java gezeten en had daar Gerrit Jongejans, een jaargenoot van mij uit Leiden, sinoloog van professie, ontmoet. Van der Post had grote bewondering voor de luitenant Jongejans (Zimmerzans zoals hij door de Britse en Australische militairen werd genoemd) die als tolk in het kamp fungeerde en in die hoedanigheid van alle kanten de

[p. 85]

klappen moest opvangen. Weinig kon ik vermoeden dat ik een paar maanden later mijn vriend Zimmerzans in Tokio zou ontmoeten. Professor De Jong beschouwt Van der Post ‘niet als iemand op wiens mededelingen men zonder meer kan afgaan’. Daar moet hij dan zijn reden voor hebben, maar voor wat Jongejans betreft is Van der Post voor de volle honderd procent betrouwbaar. In zijn in 1970 uitgekomen boek The Night of the New Moon dat over het leven in het kamp gaat, staat hij lang stil bij de rol van Jongejans voor het niet denkbeeldige geval dat de Japanners bij een nederlaag alle mannelijke gevangenen zouden gaan ombrengen, een gedachtengang, die naar me gebleken is, op verscheidene plaatsen ook door anderen werd gedeeld.

Dit keer was de bezoeker Commander McMullin uit Tokio op doorreis naar Batavia. Hij was de eerste persoon uit het overwonnen Japan die ik ontmoette en van hem kreeg ik uit de eerste hand te horen hoe het daar na afloop van de oorlog was toegegaan, en wat zich op het politieke vlak afspeelde. Hij was nu gedetacheerd bij het Internationaal Tribunaal dat de oorlogsmisdadigers zou gaan berechten en hij had meen ik een coördinerende taak. Ik vertelde hem van het werk waarmee ik bezig was en, hoe onvergelijkbaar ook, toch was er een zeker raakvlak. Dat moet de heer McMullin ertoe gebracht hebben om mij te vragen of ik ervoor voelde om naar Portugees Timor te gaan om de oorlogsmisdaden die de Japanners daar hadden bedreven te onderzoeken. Er was haast bij. De Prosecution was al bijna klaar met de tenlastelegging en wachtte nog slechts op een paar aanvullingen. Het neutrale Portugees Timor, dat de Japanners al die jaren hadden bezet, was een blanco plek in de aanklacht en dit manco diende nog te worden aangevuld. Het was al laat in de avond toen McMullin mij dit voorstel deed. Drank was er niet aan te pas gekomen, want die was hier in geen velden of wegen te krijgen. Ik geloof niet dat er iemand bij is geweest, indien dat het geval was geweest zou zich zeker een gesprek over het voor en tegen om op het voorstel in te gaan hebben ontsponnen. Het kan haast

[p. 86]

niet anders, ik moet vrijwel onmiddellijk ja hebben gezegd, want de volgende ochtend vroeg gaf McMullin mij de aanstellingsbrief, reikte mij de hand, wenste me succes toe en vertrok een paar uur later naar Batavia.

Commander McMullin, Member of Staff Chief Prosecutor Major Japanese War Criminals, heeft het er niet bij laten zitten, want een paar dagen later werd ik opgeroepen om mij in Batavia bij de legercommandant te melden. Daar aangekomen werd ik naar de procureur-generaal verwezen, die mij op zijn beurt weer naar de legercommandant verwees. Portugees Timor was op dat moment terra incognita waar niemand zich mee bezighield. Men had in Batavia wel andere dingen aan het hoofd dan zich te buigen over het wel en wee van een Portugese kolonie die, nu de oorlog voorbij was, geen gewicht meer in de schaal legde. Ik had de indruk dat niemand begreep waarom ik de aangewezen persoon was om met deze delicate opdracht belast te worden - ik trouwens ook niet - maar dat men aanvoelde dat het niet aanging om een uitdrukkelijke aanwijzing vanuit het Hoofdkwartier van de Geallieerde troepen in Japan terzijde te stellen. De Luitenant-Gouverneur-Generaal Van Mook bracht tenslotte uitkomst door een brief te ondertekenen, waarin mijn aanstelling zoals weergegeven in de brief van McMullin letterlijk werd herhaald. Het gerucht dat ik met een regeringsopdracht naar Portugees Timor zou gaan moet zich snel verspreid hebben, want het Australische War Crimes Detachment in Batavia vroeg mij om, als ik eenmaal daar was, de slachting van twaalf Australische soldaten in de buurt van de hoofdstad Dilly te onderzoeken. Van meer commerciële aard was het verzoek van de Shell om na te willen gaan waar de terrestrische kaarten van hun geologische ploeg, die bij de inval van de Japanners waren verstopt, waren gebleven.

Gewapend met deze brieven, een hoeveelheid dollars en veertig zilveren rijksdaalders (de Timorezen zijn verzot op zilver) ben ik van Koepang met de wekelijkse postauto naar de grensplaats Atamboea gereden. Het leek wel of ik een

[p. 87]

andere planeet ging bezoeken, er bestond totaal geen contact tussen Portugees- en Nederlands Timor. Ook tussen de twee hoofdsteden, Batavia en Dilly was er geen enkele directe verbinding. Geen sterveling kon me vertellen wie en wat ik in Portugees Timor zou aantreffen. In Atamboea kreeg ik gezelschap van een man die ook naar Dilly moest, maar die het prettiger en veiliger vond om met z'n tweeën en niet in zijn dooie eentje erheen te trekken. De man sprak een mondje Portugees en het bezit, althans de nabijheid van een tolk leek me wel gewenst. Op twee kleine, stevige Timorpaardjes, gewend om door struikgewas en gesteente zich een weg te banen, zijn we op weg gegaan. In mijn herinnering een verrukkelijke tocht. Tot zover het droge feitenrelaas van wat er aan mijn missie - want dat was het - voorafging.

Maar er speelde zich nog wat anders af en dat maakte deze tocht tot meer dan een opwindend avontuur. ‘To report to Tokyo’ stond er in mijn aanstellingsbrief. Meer kon ik mij niet wensen, hier deed zich een ongekende mogelijkheid voor om uit Indië weg te komen, hoe precies wist ik nog niet, maar de richting Tokio was aangegeven en die zou ik tot het eind toe blijven volgen. Als ik zeg dat zich in mij wat men een rijpingsproces pleegt te noemen had voltrokken is dat veel te fraai geformuleerd. Ik kan het beter weergeven door te zeggen dat de opstand van de Indonesiërs mij wakker had geschud, mijn ogen had geopend om op een andere manier tegen dat wat zich rondom mij in dit land afspeelde aan te kijken. Iets waaraan ik totnogtoe aan voorbij was gegaan begon tot mij door te dringen. Het ging mij daarbij niet om hun uiteindelijke staatsrechtelijke doeleinden, die lagen voorlopig buiten de horizon van mijn gezichtsveld. Mij ging het nagenoeg uitsluitend om dat beperkte terrein waar ik mee te maken had gehad, de door Nederland als vanzelfsprekend geachte loyaliteit aan en tegenover het Nederlands-Indisch gezag. Daar ging het begrip collaboratie immers vanuit, een onderschikking aan, een vereenzelviging met het Nederlandse gezag en de Nederlandse belangen. Zolang dat belang samenviel met

[p. 88]

dat van de geallieerden was er, zo leek het mij, geen vuiltje aan de lucht. De oorlog moest op alle fronten worden gevoerd, de oorlog is een en ondeelbaar, zo had ik mijzelf ingeprent, het ging hard tegen hard, hinderpalen moesten uit de weg worden geruimd. Hoe gemakkelijk was het niet om vanuit deze strikte, maar o zo simplistische gedachtengang die paar Indonesiërs die zich vijandig tegenover de geallieerden hadden opgesteld te berechten. Slechts een handjevol, ze werden soms aangebracht door hun eigen mensen, terwijl de overgrote meerderheid uiterlijk lauw reageerde op het wisselend tij van de strijd. Wat de revolutie mij nu eerst deed realiseren was niet het inzicht dat het berechten van die paar personen op zichzelf verkeerd was geweest, maar dat het ons daarbij had ontbroken aan enig inzicht in hun mentaliteit. We hadden als vanzelfsprekend aangenomen dat ze in deze oorlog onze zijde zouden kiezen. Niemand had van ze verwacht dat ze na de capitulatie van het Nederlands-Indische leger tot daden van verzet tegen de Japanners zouden overgaan, maar dat ze een vijandig gedrag tegen de Nederlanders zouden vertonen, dat bovendien afbreuk deed of kon doen aan de geallieerde oorlogsinspanning, daar hadden we totaal geen begrip voor. Ik kan het ook anders zeggen, we verwachtten van ze dat ze zich als loyale vaderlanders zouden gedragen, niet meer en niet minder. We begrepen niet dat, door het wegvallen van Nederland als gezagdrager, de moederbinding, voor zover aanwezig, verloren was gegaan.

En toen ik ging inzien dat dit een onhoudbaar uitgangspunt was geweest, had mijn aanwezigheid hier alle zin verloren. Nu ik was begonnen alles in een ander licht te zien, voelde ik me niet langer trots op mijn bijdrage. De doodstraffen die ik zo moeiteloos geëist had bezwaarden me. Niet als molenstenen, dat zou overdreven zijn, maar toch zo dat ze telkens en telkens weer in mijn gedachten opdoken als zwaar overtrokken uitingen van machtsuitoefening. Genuanceerd denken kwam in de plaats van het zwart/wit schema dat we tijdens de oorlog voor ogen hadden. Ik kon tegenover mijzelf

[p. 89]

- want het was een monologue intérieur - honderden verontschuldigingen aanvoeren, mezelf beroepen op onwetendheid, maar dat ging nu niet langer op, de revolutie had die onwetendheid in één klap weggevaagd, het ging er niet om of Soekarno gelijk had of niet, of hij al of niet met de Japanners, de vijand, had geheuld, het ging erom dat de verwijten die we de Indonesiërs maakten uitsluitend onze verwijten waren, door onze bril bekeken. En de zwaarte van die vergrijpen, zo zwaar dat een enkeling zelfs de doodstraf verdiende, die zwaarte werd enkel door en met onze maatstaven bepaald. Ik was, zonder het duidelijk te beseffen, in een crisis beland, mijn niet-weten was vervangen door het wel-weten en dat bracht een innerlijke onrust teweeg, die ik niet wist hoe te bestrijden. Het lag voor de hand dat ik mijn aandeel in deze doodstraffen probeerde te elimineren, per slot van rekening was het niet ik, maar waren het de drie militaire rechters, de krijgsraad, die het vonnis hadden geveld. En daarenboven had de regering in Batavia, maanden nadat de revolutie was uitgebroken en de afschrikwekkende werking van die vonnissen - om toch vooral niet met de Japanners samen te werken - geen enkele zin meer had, desondanks en met oogkleppen op het fiat-executie gegeven. Het hielp allemaal niet, ik wist maar al te goed dat ik een niet weg te denken schakel in deze gang van zaken was geweest en daar hielp geen moederlief aan.

Als ik al aan een oplossing dacht dan was het wegwezen. Ik wilde niet meer meedoen en toch dacht ik geen moment aan dienstweigeren of desertie. Dat lag helemaal buiten mij, ik kende die innerlijke roepstem niet, die bereidheid om een offer te brengen ter wille van het verkrijgen van zielerust. Een directe aanbieding daartoe was er ook niet. Ik was gedetacheerd in een rustig gebied waar geen schot viel, mijn getemperd, gematigd optreden als auditeur-militair stuitte niet op moeilijkheden, mij werd geen strobreed in de weg gelegd, ik had op de keper beschouwd een betrekkelijk goed leven, zeker op zo'n ver weg gelegen buitenpost als deze. Het is onbegonnen werk om gemoedstoestanden zonder hulpmid-

[p. 90]

delen na meer dan vijftig jaar enigszins betrouwbaar te reconstrueren. Er zijn geen brieven, geen aantekeningen, geen dagboeken. Gesprekken met anderen over wat mij beroerde heb ik - voor zover ik weet - niet gevoerd. Faure, mijn hutgenoot, had in een kamp gezeten en was nu weer honderd procent Wageninger, bezeten van de drang om de verloren gegane tijd in te halen. Wat mij bezighield nam hem niet in beslag, hij wilde de grond liefst eigenhandig gaan bewerken, in produktie brengen. Om de waarheid geen geweld aan te doen, om niet met beweegredenen aan te komen zetten die achteraf in het licht van wat we nu weten plausibel en zelfs honorabel zijn, is het beter om te trachten dat wat me toen bewoog dan maar te reconstrueren aan de hand van een reeks beschikbare gegevens, die ik, om de opsomming duidelijk te maken, feiten zal blijven noemen.

Feit één

Op 9 juni 1946 kom ik in Dilly aan. De gouverneur is niet van mijn komst op de hoogte gebracht, maar na verkregen toestemming uit Lissabon kan ik met mijn werk beginnen. Het onderzoek naar de moord op de twaalf Australiërs was al gestart en ik mag ermee doorgaan.

Feit twee

Als ik klaar ben met mijn onderzoek moet ik een cruciale beslissing nemen. Het opsturen van mijn rapport naar Batavia om het vandaar naar Tokio te verzenden is een ongewisse zaak en zal op zijn best ruim een maand in beslag nemen. Eens per twee weken vertrekt een auto van Dilly naar Bobonaro, vandaar gaat de mail per ruiter naar de Nederlandse grenspost bij Atamboea en eens per week gaat een postauto van Atamboea naar Koepang. En daar dan weer wachten op een vliegtuig naar Batavia. De Australische consul, de enige buitenlandse vertegenwoordiger in deze Por-
[p. 91]
tugese kolonie, biedt mij een plaats in een Catalina-vliegtuig aan dat eens in de twee weken hem post, drank en proviand brengt. Vanuit Melbourne is er verbinding met Tokio. Ik neem zijn aanbod met beide handen aan.

Feit drie

Dit is eigenlijk geen feit. Om het rapport zo snel mogelijk in Tokio te doen belanden had ik het ook aan de piloot kunnen meegeven met het verzoek de verdere verzending voor mij af te handelen.

Feit vier

Eenmaal in Melbourne gearriveerd vraag ik daar aan het Australische Militaire Hoofdkwartier of ik mee kan met een vliegtuig naar Tokio. Voorlopig blijken de vluchten naar Tokio al volgeboekt te zijn. Het rapport overhandig ik aan de Luchtvaart-attaché van de Amerikaanse Ambassade die me toezegt het per koerier naar Tokio te zullen sturen.

Feit vijf

Dit is evenmin een feit, meer een overpeinzing. Hoe kwam ik erbij dat ik in hoogst eigen persoon in Tokio moest zijn? Mijn antwoord daarop, en het zal me nog vele malen worden gevraagd, luidt steevast: In mijn aanstelling staat: ‘to report to Tokyo’, en dat kan niet anders betekenen dan dat ik mij in Tokio moet melden om het rapport toe te lichten. Natuurlijk besef ik dan wel dat ik hoog spel speel. Niemand heeft dat uitdrukkelijk tegen mij gezegd. Commander McMullin heb ik, toen hij mij 's morgens voor zijn vertrek de aanstellingsbrief gaf, maar even gesproken, dit punt is toen niet aangeroerd en in Batavia is het, gezien de verwarring die daar heerste, evenmin aan de orde geweest. Mijn interpretatie is een strikt persoonlijke,
[p. 92]
een oneigenlijke. Ze is niet anders dan een dekmantel voor wat ik wil zien te bereiken, weg uit Indonesië. Omdat ik toch een poos zal moeten wachten op transport naar Tokio maak ik van de gelegenheid gebruik om een paar dagen, iets meer dan een week, bij mijn nieuw gevormde gezin in Tasmanië door te brengen en weer op adem te komen. Dit uitstapje heeft, zoals negen maanden later zal blijken, geresulteerd in de geboorte van mijn dochter Margaretta. Begrijpelijkerwijze heb ik deze onschuldige trip altijd verzwegen, omdat ik maar al te goed begreep dat ze, door andermans ogen bekeken, mij in de grootst mogelijke moeilijkheden zou kunnen brengen.

Feit zes

Mee met het vliegtuig naar Tokio. Een tussenlanding op Morotai, het eiland waar ik tijdens de oorlog, een paar maanden gedetacheerd ben geweest. Om lastige vragen te ontlopen maak ik me vrijwel onzichtbaar door meteen in bed te kruipen. Zonder verdere moeilijkheden bereik ik Tokio.

Feit zeven

Zoals al eerder opgemerkt was de Nederlandse Militaire Missie in Tokio niet op de hoogte van mijn komst. Commander McMullin was bovendien naar Amerika vertrokken zonder zijn afdeling over mijn aanstelling te hebben ingelicht. Het allerergste was dat mijn rapport nog altijd niet in Tokio was aangekomen. Het begon er somber voor mij uit te zien. Ik moest er niet aan denken dat de procureur-generaal in Batavia, dezelfde die ik, nog maar een paar maanden geleden, het niet bepaald van vastberadenheid getuigende gedicht vanuit Bakoenase had toegezonden, mij straks van desertie zou kunnen beschuldigen. Desertie in oorlogstijd: de militair die zich opzettelijk door een
[p. 93]
listige kunstgreep of een samenweefsel van verdichtsels aan de vervuiling van zijn dienstplicht onttrekt. Ik wist maar al te goed wat er op stond.

Feit acht

Weer een constatering. Gesteld dat alles volgens plan zou zijn verlopen. Ik zou dan met mijn rapport in Tokio zijn aangekomen en het met enige plichtplegingen aan de Chief Prosecutor van het Internationaal Tribunaal hebben overhandigd. Misschien een schouderklopje, maar wat dan? Ik bleef dan nog altijd kapitein bij het knil, hetgeen betekende dat ik terug zou moeten keren naar mijn onderdeel. Alle grootscheepse gedachten ten spijt was ik dan nog even ver van huis. Ik had een spannende tijd achter de rug, had het een en ander meegemaakt, maar het werkelijke doel van mijn tocht, wegwezen, had ik niet bereikt. Vreemd dat ik dat niet van den beginne af had ingezien, stap voor stap neem je, de ene stap leidt tot de andere, de weg naar Tokio bestaat uit vele etappes en eerst op het allerlaatst dringt het tot je door dat je geen spat bent opgeschoten en dat je dat van tevoren, toen je ermee begon, al had kunnen weten. Of lijkt het maar zo? Is de eerste impuls, de eerste aanzet niet het beslissende moment, waarna alles wat erop volgt maar een sequeel is, een voortzetting van de eenmaal ingezette beweging? Vergeleken bij die eerste stap, dat eerste besluit, zijn alle daarop volgende beslissingen, hoe verstrekkend ook, van secundaire betekenis. Weliswaar heb je nergens een point of no return bereikt, het kan nog allemaal anders, je kunt teruggaan, doen of er niets aan de hand is, maar in werkelijkheid weet je voor jezelf dat je dat niet zult doen. Je vraagt je niet af hoe het zal aflopen, Tokio is meer dan een eindstation, het is een toverwoord geworden, een plek waar jouw problemen zullen zijn opgelost. Ik kan me nu nauwelijks
[p. 94]
meer voorstellen dat ik de persoon was die zo dacht en handelde, het is een met schaarse feiten en documenten gestaafde benadering, het is een probeersel om wat me toen bewoog te begrijpen.

Deze constructie laat zien hoe weinig doordacht mijn plan om weg te komen is geweest. Het was een voortdurend laveren en gebruikmaken van een gunstige wind. Dat het zo goed, dat wil zeggen zonder kleerscheuren is afgelopen, moet ik aan mijn goede gesternte te danken hebben. Was misschien de secretaris-generaal op Buitenlandse Zaken in Den Haag mij goedgezind? Of vond men het daar al lang best dat er een jurist in Tokio aanwezig was, die met het Nederlandse aandeel in de berechting van de Minor War Criminals belast kon worden? Vragen die ik niet hoef en niet kan beantwoorden. Ik houd nog eenmaal de zinsnede van Van Poelgeest tegen het licht: ‘Onuitgenodigd arriveerde in Tokio plotseling Mr H. Pos.’ Dat plotselinge is juist, dat onuitgenodigd doet me denken aan een blijspel dat ik jaren geleden gezien heb: The Man who came to Dinner, een onverwachte, ongenode gast die geen enkele aanstalten maakt om weer te vertrekken.

Als ik dit allemaal heb opgeschreven haal ik uit een van de rekken van de Openbare Bibliotheek in Groet, waar we al jaren de zomer doorbrengen, een boek om in te bladeren. Het is De draagbare Ter Braak samengesteld door Eep Franeken. De naam komt vaak over mijn lippen, echt lezen doe ik hem niet meer. Toch wordt het bladeren dit keer al gauw aandachtig lezen. Ik lees, herlees wat hij over het fascisme, het nationaal socialisme, het antisemitisme heeft geschreven. Het komt me bekend voor, mijn instemming is op voorhand verzekerd. Dan stoot ik op een artikel dat ik niet ken. ‘Het Spinoza Huis’, dat in het Haagse dagblad Het Vaderland van 2 juni 1935 was opgenomen. Het artikel heeft twee ondertitels: ‘Een meditatie rondom Rijnsburg’ en ‘De filosofische stilte’. Ondanks deze gewichtig aandoende toonzetting is het voor zijn doen luchtig geschreven. Op een zonnige middag in mei

[p. 95]

rijdt hij in een Ford met een vriend aan het stuur in de omgeving van Den Haag. Ergens in de verte ontdekte hij voor de zoveelste maal een torentje.

‘Rijnsburg’ zegt de man aan het stuur.
‘Rijnsburg. Is dat niet een inrichting voor zenuwlijders?’
‘Niet bepaald, je bedoelt waarschijnlijk Rijngeest. Spinoza heeft er gewoond. Zijn huis staat er nog.’
‘Laten, we hem dan gaan opzoeken.’

Nu volgt de passage die ik zonder meer op mijn besluit om naar Tokio te gaan wil betrekken. Het zou bijna heiligschennis zijn om daar iets aan toe te voegen:

‘Zo hadden wij door een toevallige wending van het gesprek plotseling een doel; worden op deze wijze niet de meeste doelstellingen in het leven gevonden? Achteraf worden zij dan tot een beslissing bij volledig bewustzijn van de vrije wil omgefantaseerd; maar dat heet geschiedschrijving, en geschiedenis schrijven betekent de mens deftiger voorstellen dan hij is.’

Kort nadat ik in Tokio was aangekomen kreeg ik te horen dat de Prosecution besloten had de schending van Portugees Timor niet in de tenlastelegging op te nemen.

Waarom dat is gebeurd ben ik niet te weten gekomen. Portugal was gedurende de oorlog neutraal en de schending van de Portugese neutraliteit lag als aanklacht voor de hand. Het misdrijf tegen de vrede maakte immers het hoofdbestanddeel uit van de berechting van de Major War Criminals. De overige misdrijven, de Crimes against Humanity (de menselijkheid en niet de mensheid, zoals dat zo vaak onachtzaam wordt weergegeven) en de Conventional War Crimes konden ook door de Minor War Crimes Tribunals worden berecht. De moeilijkheid school daarin dat de commandanten van een Nederlandse en een Australische troepenmacht, onder bedreiging met geweld, de Portugese gouverneur hadden gedwongen hun troepen binnen te laten. De aanleiding om tot bezetting van Portugees Timor over te gaan lag in het feit dat

[p. 96]

dit gebied door de zwakke militaire bezetting een strategisch gevaar opleverde voor Nederlands Timor en Australië. (Een blik op de kaart kan dat verduidelijken.)

In het uit twee blaadjes bestaande rapport van de Luitenant-Kolonel Detiger, die op 15 december 1941, nog geen week na de Japanse aanval op Pearl Harbor, samen met de Australische commandant Legatt het beslissende gesprek met de Portugese gouverneur voerde, staat letterlijk dat ‘Zijne Excellentie krachtig geprotesteerd heeft tegen deze neutraliteitsschending, zoals hij het noemde... Op onze mededeling dat de landing van de geallieerde troepenmacht, koste wat het wil, zou worden doorgezet, vroeg de gouverneur een uur uitstel om met zijn ondergeschikte commandanten te beraadslagen.’ Nadat een verder uitstel hem geweigerd was ‘stond hij op, keek me strak in het gezicht en met een verbeten trek op zijn gelaat uitte hij de woorden “c'est permis”.’ Uit dit summiere rapport kon ik me levendig voorstellen hoe het daar moet zijn toegegaan. Twee in burger geklede officieren begeven zich vroeg in de ochtend naar het paleis van de gouverneur en vragen belet. Het feit al dat ze in burger gekleed waren doet denken aan de wolf die in schaapskleren rondloopt. De gouverneur probeert tijd te winnen, maar veel speelruimte wordt hem niet gegund. Prachtig is de bondige beschrijving als hij door de knieën gaat en de gewenste woorden uitspreekt: ‘C'est permis.’ Detiger heeft zijn blijdschap over het welslagen van zijn missie niet beter kunnen uitdrukken dan door een uitroepteken achter dit zinnetje te plaatsen.

In het derde jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie komt een gedegen artikel van Peter Romijn voor over de guerrilla van het knil, het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, op Timor in 1942. Romijn kende het rapport van Detiger niet, maar geeft de gang van zaken in hoofdzaak goed weer. Hij vermeldt dat de kolonels Detiger en Legatt volgens instructies uit Londen in burgerkleding waren gestoken. Ik had me altijd al afgevraagd hoe de beide officieren in volle oorlogstijd zo gauw van plunje hadden kunnen

[p. 97]

verwisselen, maar ik begrijp nu dat dit probleem met de nodige urgentie moet zijn opgelost. Dit alles terzijde, het kwam erop neer dat er wat de neutraliteit van Portugees Timor betreft drie overtreders waren: de Nederlanders, de Australiërs en de Japanners. Weliswaar hadden de twee eerst-genoemden de gouverneur toegezegd dat zij, zodra er voldoende Portugese troepen zouden zijn aangekomen, weer zouden vertrekken, maar doordat de Japanners op 20 februari 1942 het land binnenvielen, is daar niets meer van gekomen. Ik acht het mogelijk dat deze ingewikkelde situatie, die de verdediging volop ruimte zou hebben geboden om tot de tegenaanval over te gaan, de Prosecution heeft doen besluiten om Timor maar buiten de tenlastelegging te houden. Toch is het jammer dat het zo is gegaan, het Tribunaal was de geëigende instantie om daar een oordeel over te geven.

Van Poelgeest veronderstelt in zijn boek dat Portugees Timor niet in behandeling is genomen omdat er geen Portugese rechter in het Tribunaal zitting had, maar ik beschouw dat als een weinig overtuigend argument. De schending van de neutraliteit was namelijk al in de voorlopige schets van de tenlastelegging opgenomen en dat verklaart ook de opdracht die ik van McMullin ontving om een onderzoek ter plaatse te gaan instellen.

Hoewel ik, behoudens dit onderzoek, geen bemoeienis heb gehad met het misdrijf tegen de vrede, heeft het vraagstuk mij toch niet losgelaten. Het heeft vele pennen in beweging gebracht, de Nederlandse rechter in het Tribunaal, Röling, heeft er, blijkens zijn correspondentie hierover met het ministerie van Buitenlandse Zaken, mee geworsteld. Was hier schending van de regel dat men niet vervolgd kan worden op grond van daden die pas na het begaan daarvan strafbaar zijn, het zogenaamde ex post facto recht?

Terug in Nederland schreef ik een artikel in het Nederlands Juristenblad van 9 oktober 1948 onder de titel ‘Oorlogsmisdrijven en de “Common Law”’. Ik zette me daarin af tegen de critici, die volhielden dat de bestraffing van de

[p. 98]

verdachten wegens misdrijven tegen de vrede, het voorbereiden en uitvoeren van agressie dus, niets anders was dan een maatregel van politiek beleid, die met een rechterlijk sausje was overgoten. Macht vermomd als recht heette dat. Ik betoogde dat de groei van het internationale volkenrecht met die van de niet gecodificeerde Angelsaksische Common Law moest worden vergeleken. In deze opvatting wordt, zoals bij elke stap voorwaarts, een ‘precedent’ geschapen, dat niet zomaar iets nieuws is, maar wel de uitdrukkingsvorm van een gerijpte rechtsovertuiging, van recht dat dus in wezen al bestaat, maar enkel de stem van de rechter nodig heeft om voortaan als geldig recht geciteerd te kunnen worden. Nu ik bij het schrijven van dit boek na zoveel jaar het bewuste artikel herlees stuit ik op een passage die me ondanks haar onverhuld retorisch karakter nog altijd aanspreekt:

De groei van het recht behoeft immers, evenmin als de groei van wetenschap en techniek, langzaam en geleidelijk te verlopen. Zoals in de negentiende eeuw de ene uitvinding de ander schier zonder op houden opvolgde, zo krijgt in de twintigste eeuw, na twee elkaar snel achterhalende wereldoorlogen, de drang naar een duidelijke internationale rechtsorde hernieuwde stuwkracht. Het heeft de mensheid vele honderdduizenden jaren gekost om tot de vinding van het wiel te geraken, maar dan duurt het enkel een paar duizend jaar of de stoommachine doet zijn intrede en nauwelijks een honderd jaar later vallen de eerste atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Het leven en de gevaren aan het leven verbonden zijn zo ontzaglijk versneld, dat de rechtsopvattingen ter bescherming van dat leven noodzakelijkerwijze dit opgevoerde tempo moeten volgen. Wat vroeger in duizend jaar rustig kon groeien en rijpen, moet nu in één, twee decenniën tot stand komen. Zo ontstond ter bescherming van onze civilisatie, meer nog, ter bescherming van ons vege leven, uit de pure en primitieve drang tot zelfbehoud, de kristallisatie van de opvatting dat de agressieve oorlog een strafwaardig internationaalrechtelijk misdrijf is.
[p. 99]

Het is nog langer geleden, het moet in 1936 geweest zijn, dat ik als derdejaars student het plan opvatte om een tijdje in Parijs te gaan studeren. Ik legde dat plan aan de grote professor Meijers voor en ik herinner mij dat hij, na mijn vage plannen over Parijs aangehoord te hebben, me toevoegde: ‘Zult u daar wel de tijd voor vinden, meneer Pos?’ Ik moet iets onzinnigs geantwoord hebben, maar dat nam niet weg dat ik van hem een paar introductiebrieven meekreeg alsof ik een jonge geleerde was, een aanwinst voor de Faculté du Droit. Het vak dat hij mij aanried was Vergelijkend Frans-Engels recht. Hoe weinig diepgaand mijn studie ook is geweest, toch heeft ze mij in aanraking gebracht met het Angelsaksische rechtsstelsel. Hoewel voortkomend uit een nogal speelse opwelling heb ik er in Japan veel gemak van gehad. En ik had het artikel dat ik zojuist noemde niet kunnen schrijven zonder die achtergrond. Dit alles dankzij professor Meijers, die mij bij mijn terugkeer in Leiden uitnodigde om thuis bij hem in zijn studeerkamer het tentamen - het was mijn keuzevak geworden - te komen afleggen. Het was een prettig bezoek, het leek helemaal niet op het afleggen van een examen, het was meer een gesprek over wat ik gedaan had en wie ik zoal gesproken had. Ik had het papiertje al bijna in mijn zak toen hij mij ineens vroeg of ik het boek van een mij onbekende professor wel gelezen had. ‘Wie bedoelt u,’ was dom genoeg mijn wedervraag. Meijers ging op een bankje staan om het boek van de plank waar het op stond te pakken, reikte het me aan en zei: ‘Ik kan het u aanraden.’ Na lezing van het boek - meer dan vijfhonderd bladzijden - mocht ik terugkomen. Vragen werden niet meer gesteld.

prepostterug  begin  verder