terug  begin  verderprepost
[p. 109]

Japan

Schrijven over mijn verblijf in Japan in de jaren 1946/47 roept bij mij nog altijd een wirwar van tegenstrijdige gevoelens op. Ik ging erheen om een rapport over oorlogsmisdaden in Portugees Timor over te leggen, bleef er om de oorlogsmisdadigers te berechten en genoot voor het overige van het ongedwongen leven in een land dat mij mateloos begon te boeien. Waarbij de Amerikaanse soldaat Yoshiko, een Nisei, een American from Japanese Extraction, een niet te onderschatten rol heeft gespeeld. Al deze onderdelen van mijn bestaan werden niet in afzonderlijke compartimenten ondergebracht, maar krioelden dwars door elkaar heen, ik leefde zou je kunnen zeggen tegelijkertijd vele levens, de geallieerde militair die als overwinnaar rondstapte in een bezet land, de aanklager die de keuze had om straffen te eisen van geldboete tot de doodstraf ‘by hanging or shooting’ (een criticus schreef later dat de Japanners de voorkeur aan onthoofding zouden hebben gegeven), de toerist die gretig hapte naar het vele onbekende dat het land hem aanreikte, de jongeman die een metgezellin had gevonden bij wie hij het goed had. Het verslagen Japan met de keizer aan het hoofd heeft heel diep voor de nieuwe shogun, generaal Douglas MacArthur, gebogen en van de weeromstuit plukten wij, de geallieerde soldaten, daar de vruchten van.

Niemand legde ons een strobreed in de weg, niemand schoot op ons, de ons verstrekte revolvers konden we in een la van onze hotelkamers laten liggen. Bij de px, het spotgoedkope grootwinkelbedrijf van het Amerikaanse leger, konden we van alles kopen, drank, chocola, sigaretten, noem maar op, om als weldoeners te delen met de Mama-San, de Japanse altijd glimlachende oudere vrouw die onze kamers deed en de kost voor haar talrijke familieleden moest verdienen. De Mama-San was voor de meeste officieren en hoge burgerfunc-

[p. 110]

tionarissen die geen Yoshiko aan hun zijde hadden, de enige liaison met het Japan van de gewone man en vrouw, zij wist al die voor haar vreemde heren die geen woord Japans kenden mild en vrijgevig te stemmen. Mijn Mama-San is erin geslaagd om in minder dan geen tijd ettelijke banen voor de diverse leden van haar familie te creëren, zoals tuinman, wasbaas, schoenpoetser, boodschappenjongen, ja, wat niet al. Ik weet niet hoe het in Duitsland is toegegaan, maar in Japan voelden de soldaten zich als verwende jongetjes. Omdat er geen tegenstand gebroken hoefde te worden en de bezetting zo glad verliep had de legerleiding het er vooral druk mee om ze bezig te houden. Daar zorgden de Japanners trouwens ook goed voor. Elke zondagmiddag was er een symfonieorkest te beluisteren, er waren zelfs (nogal matige) op westerse leest geschoeide balletuitvoeringen, maar natuurlijk ook Kabuki en Noh. Het bleek dat Russische artiesten, die in 1920 voor de communisten uitgeweken waren, een aanzienlijk aantal musici hadden opgeleid. Hun voorkeur voor Rimsky Korsakov is me bijgebleven. Het verbod op ‘fraternization’ werd al gauw massaal overtreden, zonder dat de mp, de Military Police, er iets aan deed, op zondag zag je de gi's in met al of niet in kimono geklede Japanse schonen door de parken van Tokio lopen. Het waren meest piepjonge militairen, de veteranen die op tientallen eilanden de weg naar Tokio hadden moeten bevechten, waren inmiddels naar huis teruggekeerd. De nieuwe lichtingen hadden, gelukkig voor hen, geen weet van de oorlog, de haat tegen en de afkeer van de ‘yellow bastards’ gold niet voor hen, ze stonden zonder wantrouwen open voor het vredelievend gezicht dat Japan hen voorhield.

De officieren waren in hotels ondergebracht met een onderverdeling, klasse b voor de subalterne officieren waartoe ik behoorde, klasse a voor de hogere rangen. Ik deelde mijn kamer met de Amerikaanse luitenant Haviland, een wat oudere man, die me vertelde dat hij als vrijwilliger dienst had genomen om een paar jaar in Japan te dienen teneinde zijn al te hartstochtelijke (derde) vrouw te ontlopen. Zijn stop-

[p. 111]

woord was ‘detached’, als je dat was, los van alles, had je een grote mate van innerlijke rust bereikt. Zijn levenshouding, hoewel voortgesproten uit maritale discrepantie, had in zeker opzicht iets met het boeddhisme gemeen, al legde hijzelf die verbinding niet. Gelet op mijn innige verstandhouding met Yoshiko had Haviland een laken dusdanig van het plafond gespannen dat onze langwerpige kamer in tweeën werd gedeeld. Yoshiko en ik behoefden ons daarom geen zorgen te maken dat wij Haviland aan zijn staat van onthechting zouden onttrekken.

Wat op het oog een uiterst oppervlakkig leven lijkt onderging ik juist als het precieze tegendeel daarvan. Alles wat ik omhanden had ging gepaard met een grote intensiteit, dat gold zowel voor mijn werk als voor al het nieuwe, prikkelende dat zich aan mij voordeed. Met Yoshiko had ik geen last van de beperkingen die voor de geallieerde militairen golden en met het bordje out of bounds waren aangegeven. Zij wist van die kleine landelijke herbergen op te sporen, waar de natuur, zoals die in een vorige eeuw door Hiroshige was afgebeeld, het won van oorlog, rechtspraak en bezetting. Ik probeer nu, al schrijvende, dat gevoel van genieten, van het in leven zijn, terug te roepen, zonder in een staat van nostalgisch gebrabbel te vervallen of met Bloem te verzuchten ‘Voorbij, voorbij en o, voorgoed voorbij’. Want het is natuurlijk ook mogelijk dit leventje als een vorm van onverantwoordelijk gedrag te beschouwen, een man, pas getrouwd, met de zorg voor een gezin en zonder enig idee wat hem straks in het burgerleven te wachten staat. Dat is nu wat het verschil uitmaakt tussen een biografie en een autobiografie. De autobiograaf heeft de vrije hand, hij kan en mag bepaalde momenten en gevoelens recapituleren, ervan uitgaand dat ze eens zo en niet anders geweest zijn. De biograaf moet daarentegen de vinger leggen op de zwakke plekken, lacunes opsporen, vraagtekens plaatsen. Aan een biograaf zal ik wel niet toekomen, ik heb dus om zo te zeggen de wind mee.

Nog altijd hangt in ons huis in Amsterdam de kakimono, de

[p. 112]

rolschildering, die Yoshiko me tijdens een uitstapje naar de oude keizerstad Kyoto heeft gegeven. Ze stelt Kanzan en Jittoku voor, twee excentrieke boeddhistische monniken, die in de buurt van de Koude Berg (Kanzan) verbleven. Kanzan is de dichter, die op de talloze schilderingen altijd met een rol in zijn hand wordt afgebeeld, terwijl Jittoku, die in de keuken werkt, steeds een bezem hanteert. Ik word niet moe om naar deze twee vredig lachende figuren te kijken, die met grijze penseelstreken afgewisseld door zwarte inkt op het papier zijn neergezet. De kakimono heeft in Suriname jarenlang tegen de wand gehangen, is wat verkreukt geraakt, is in Holland gerestaureerd. Zelfs als ik naar een oudemannenhuis moet - bij wijze van spreken dan - zal ik er geen afstand van willen doen.

In China heten die twee Hanshan en Shide en de duizendjarige gedichten van de Koude Berg zijn door W.L. Idema aanstekelijk vertaald. Het is Zen-poëzie met een Taoïstische inslag. De wijze is hij die zich met de Tao, de Weg, vereenzelvigt. Ik kan de verleiding niet weerstaan om een van de verzen te citeren, waarvan ik helaas, toen ik in Tokio ijverig in de weer was, geen weet had.

 
Je trekt tienduizend mijlen ver van huis
 
Met 't blanke zwaard val je de Hunnen aan.
 
Krijg jij de overhand dan sterven zij,
 
Delf jij het onderspit dan sneef jij zelf.
 
Hun leven - daar hecht jij geen waarde aan
 
En voor jouw dood treft hen dan ook geen schuld,
 
'k leer jou een truc om steeds te zegevieren:
 
De hoogste strategie is niet-begeren.

De intensiteit van mijn leven in Japan werd verhoogd doordat ik het werk waarmee ik bezig was beschouwde als iets waardevols, iets dat niet van tijdelijke aard was, maar voor de toekomst zou bijdragen tot een betere wereld. Na Neurenberg en Tokio zou het niet meer mogelijk moeten zijn om tijdens een gewapend conflict ongestraft wandaden te begaan. Ik acht

[p. 113]

het nog altijd een van de belangrijkste uitkomsten van die berechtingen, dat eens en vooral de persoonlijke verantwoordelijkheid werd vastgesteld van hen die zowel in ordergevende als in zuiver uitvoerende functie de misdrijven ontwerpen en begaan. Dat hield in dat er een afgerond systeem werd opgebouwd, waarbij zowel de ‘superior’, de opdrachtgever, als de ‘inferior’, de uitvoerder van de opdracht, kon worden bestraft. Het overbekende argument van de beulen ‘ik moest wel of mijn eigen hoofd ging eraan’ is een loos verzinsel gebleken. Ik ben nergens een geval tegengekomen waarbij iemand, die een misdadige order niet had opgevolgd, met de dood werd bestraft. Zulke gevallen ‘des unwiderstehlichen Zwanges’ zijn er vrijwel niet. Overplaatsing naar het front of een uithoek, het niet meer in aanmerking komen voor promotie, ridiculisering, dat waren meestal de risico's van een niet-willige houding. Natuurlijk zal de verdediging, daar waar de dader zwicht en het misdadige bevel toch uitvoert, alle facetten moeten belichten die tot een mildere beoordeling kunnen leiden. Hoe revolutionair al deze nieuwe uitwerkingen van de gangbare regels wel waren, blijkt uit het feit dat het Britse Manual of Military Law tot aan april 1944 de volgende hardnekkige passage bevatte: ‘It is important to note that members of the armed forces, who commit violation of the recognized rules of warfare such as ordered by their Government or by their commanders, are not war criminals and cannot, therefore, be punished by the enemy.’

De bezetting van Japan was in hoofdzaak een Amerikaanse aangelegenheid en ook de procedure bij de tribunalen was in grote lijnen op de Angelsaksische wijze van procederen geënt. Wie een vonnis uit die periode ter hand neemt zal verbaasd zijn dat zonder blikken of blozen op de kop ervan vermeld staat:

 

U.S. of America

versus

laat ons zeggen

Hideo Yasutake,

[p. 114]

terwijl het toch een internationaal tribunaal betrof. Uit de tijd dat ik Amerikaanse detectives las herinnerde ik me de levendigheid van een rechtszitting met de voortdurende interrupties van de advocaten: ‘I object, Your Honour,’ waarna de rechter dan kon kiezen tussen ‘Objection overruled’ of ‘Objection sustained.’ Nu maakte ik het in werkelijkheid mee, als tegenvoeter van de advocaten. Termen als ‘Objection immaterial’ en ‘Objection irrelevant’ vloeiden me uit de mond alsof ik daarmee was opgegroeid. De verdediging werd door een Amerikaanse advocaat samen met een Japanse collega gevoerd. Als prosecutor werd ik in den beginne bijgestaan door Jacob Schneider, een geroutineerde, wat oudere Amerikaanse advocaat die mij de kneepjes van het vak heeft bijgebracht. Ook met majoor Frederic Mostyn uit Singapore heb ik samengewerkt en soms trad ik in mijn eentje op. Het kwam zelden voor dat de Japanse verdediger op de zitting iets naar voren bracht. De onbekendheid met de Angelsaksische procedure zal hierbij wel een rol hebben gespeeld. Dat heeft ertoe geleid dat van de Japanse strafadvocaat wel eens schamper is beweerd dat diens rol nauwelijks meer voorstelt dan ‘to put flowers on his client's grave’. Bij de uitspraak van het vonnis heb ik telkens meegemaakt dat de veroordeelde verdachte diep boog en de rechters bedankte voor de faire behandeling van zijn zaak. Komedie? Ik houd het erop dat het bij het ritueel hoorde.

Doodstraffen heb ik geen enkele maal geëist. Hoe zou ik ook, na mijn opgedane ervaringen in Indonesië. Was ik dan te soft geworden? Sloeg de plank naar de andere kant door? Deugde ik niet meer voor mijn job? Ik geloof van niet. In het overleg met mijn mede-prosecutors hebben zich geen diepgaande verschillen van mening voorgedaan en ook de tribunalen zijn slechts zelden van mijn eis afgeweken.

Ik ben er trouwens al gauw achtergekomen dat ik de heersende stereotiepe denkbeelden over het Japanse karakter van me af moest zetten. Verborg zich niet een enkele maal achter al dat kortaffe gesnauw tegenover hun gevangenen, dat klaar-

[p. 115]

blijkelijk hun gebruikelijk gedragspatroon geworden was, een ander gezicht? Wat te denken van deze brief van een Japanse student, die ik in een dossier over een krijgsgevangenkamp aantrof waar de gevangenen in een mijn moesten werken:

‘Now, we students of a mining course are working as inspectors and foremen of prisoners of war and have six prisoners to one student. But they do not work as hard as we expect them to, so we strike and beat them. We do not feel the physical pain, but are mentally fatigued because of being scolded by the manager when the work does not progress as planned. We often wished to work inside the coal mine but we are now working outside under the burning sun. Sometimes we want te weep when the prisoners fall one by one.’

Soms springt uit de veelheid van namen er een naar voren die je bijblijft. Zo ben ik telkens bij het onderzoek naar mishandelingen in verschillende kampen de naam Harry E. Reed tegengekomen. Reed was een gebochelde Amerikaan, afkomstig uit San Francisco. Ik betwijfel of hij ooit militair is geweest. Zijn lichaamsgebrek wekte niet de deernis, maar integendeel juist de afschuw en het sadisme van menig kampbewaker op en hij is dan ook verschillende malen deerlijk toegetakeld. Hij is in maart 1945 gestorven. Zijn naam speelt nog altijd door mijn hoofd, terwijl al die tientallen andere namen van slachtoffers, die er nog veel erger aan toe waren, mij ontschoten zijn. Zo gaat dat bij het ouder worden met de herinnering. Ze klampt zich vast aan een naam, het zou trouwens ook een gezicht of wat dan ook kunnen zijn, die al de anderen die in de vergetelheid zijn weggezonken samenklontert en tot een amorfe eenheid smelt. Per slot van rekening waren het allemaal namen die ik uit honderden ‘affidavits’, beëdigde verklaringen van voormalige krijgsgevangenen, leerde kennen. De mensen die achter deze namen schuilgingen kreeg ik niet te zien. Het was op een enkele uitzondering na niet mogelijk om de voormalige slachtoffers, nog maar kort geleden bevrijd

[p. 116]

uit de gevangenkampen, weer naar Japan te halen. Wat Nederlands-Indië betreft zullen financiële motieven daarbij ook wel een rol hebben gespeeld. Door het ontbreken van getuigen op de zitting was het zowel voor de Prosecution als voor de verdediging niet mogelijk om vragen te stellen teneinde de juistheid van de verklaringen te toetsen. Deze lacune bracht met zich mee dat alleen door een veelheid van gelijkluidende verklaringen een sluitende bewijsvoering kon worden verkregen, terwijl de verdediging niet de gelegenheid had om tot crossexamination van de getuigen over te gaan. Ik mocht nog van geluk spreken dat ik bij de berechting van de Japanse verdachten uit het kamp Fukuoka 9, in de nabijheid van Nagasaki, waar veel Nederlandse krijgsgevangenen waren ondergebracht, kon beschikken over een bijzondere getuige, de kapitein Budding, die als tolk in dat kamp had gefunctioneerd. Daarenboven kreeg ik de uitgebreide notities van de officier van Gezondheid Hilfman in handen, die heel precies aantekening heeft gehouden van wat in het kamp voorviel.

Justitie is nimmer perfect. In Japan, anders dan in Duitsland, hadden de geallieerden het moeilijk om uit te maken wie de aanstichters van de langdurige oorlog, die in China was begonnen, waren geweest. Bovendien hadden de Japanners, alweer anders dan de Duitsers, de tijd gehad om de archieven te vernietigen. (De Amerikanen landden eerst veertien dagen na de overgave op 15 augustus in Japan.) Door het grote aantal verdachten en de lange duur van het proces tegen Tojo cum suis is een aanzienlijk aantal zaken uit de A-categorie, de misdrijven tegen de vrede, blijven liggen, wat tot een niet te miskennen rechtsongelijkheid heeft geleid. Ook de industriële leiders van de Zaibatsus, de Japanse kartels, die de oorlogsinspanningen hadden mogelijk gemaakt, zijn zonder berechting gebleven. In 1959 zijn de laatste veroordeelden uit de Sugamo-gevangenis ontslagen. Het leek erop dat hiermee een einde gekomen was aan dit hoofdstuk uit de geschiedenis.

Niets is minder waar. Het revisionistische gerommel in Japan over de berechting van de oorlogsmisdadigers, dat

[p. 117]

naderhand is ontstaan, duurt tot op de dag van vandaag voort. Tot op zekere hoogte is dat ook te wijten aan het beleid van de successieve regeringen, die al bijna vijftig jaar zich beijverd hebben om het oorlogsverleden zoveel mogelijk te verdoezelen. Onlangs nog wees een Japanse hoogleraar er op dat de regering steeds het sussende woord ‘shusen’ gebruikt, dat eind van de oorlog betekent en niet ‘haisen’, nederlaag. En in plaats van over de bezetting van Japan door de geallieerde troepen te spreken doet ze het voorkomen alsof die troepen er gestationeerd waren. Terwijl de ingenieus verbloemende tekst van de uniforme schoolboeken, die door het ministerie van Opvoeding wordt gecensureerd, volgens deze schrijver - en hij staat daarin heus niet alleen - beschouwd moet worden als een duidelijk voorbeeld van ‘thought control’.

Victor's Justice? In letterlijke zin ongetwijfeld. Maar niemand heeft me totnogtoe overtuigend kunnen vertellen hoe het is die overgangsperiode, toen de gemoederen nog verhit waren en andere inzichten met moeite doorbraken, dan wel had gemoeten. De verwerking van het oorlogsverleden waar Japan zoveel moeite mee heeft (zie Ian Buruma: Het loon van de schuld) kan er gemakkelijk toe leiden om een deel van de schuld op de tribunalen af te wentelen. Ik heb het nu over de tribunalen voor de Minor War Criminals. Hier veroorloof ik mij een categorische ontkenning. Anders dan bij het Tribunaal voor de grote jongens, waar het vooropgezette doel was om fikse voorbeeldige straffen uit te delen aan hen die tot de oorlog hadden aangezet, waarnaast de overige misdrijven er eigenlijk minder toe deden, hebben deze tribunalen zich meer met het normale rechterlijk handwerk bezig gehouden, zoals rechters in geciviliseerde landen dat plegen te doen. Victor's Justice? Het had slechter gekund.

 

Noot ter verduidelijking.

Ik heb alleen maar meegedaan aan de berechting van Japanse oorlogsmisdadigers in Japan. Het overgrote deel van de oorlogsmisdadigers is ter plaatse in de landen waar ze hun mis-

[p. 118]

drijven begingen, berecht door de nationale rechtbanken of krijgsraden. Daar hoor je overigens weinig over. Ik neem niet aan dat het daar rechtmatiger is toegegaan dan in Japan, eerder het tegendeel vermoed ik. Bij mijn terugkeer in Nederland leerde ik langzaam en broksgewijs, want er werd niet voortdurend over gesproken, de omvang van de Duitse oorlogsmisdaden kennen. We zullen nooit meer over specifieke oosterse wreedheid mogen spreken. Voor wat in Europa zich heeft afgespeeld - en ik denk hierbij vooral aan de onuitwisbare, stelselmatige moord op meer dan een miljoen kinderen - bestaat geen oosters equivalent.

prepostterug  begin  verder