terug  begin  verderprepost
[p. 119]

De Bom

Het was een levendig gesprek met Fenna van den Burg, polemologe uit de stal van Röling in Groningen. De koude oorlog overheerste nog ons denken en het gesprek kwam onvermijdelijk op de atoombom. De naam Hiroshima viel. Stilte. Ik moet toen gezegd hebben dat de bom indertijd met gejuich is begroet. Ze maakte een eind aan de oorlog en daardoor alleen zijn er miljoenen mensenlevens gespaard gebleven. Dat we er nu anders tegenaan kijken miskent de gemoedstoestand van toen. Ieder vernietigingswapen dat toen de oorlog tot een eind had kunnen brengen had bij voorbaat onze zegen. Ik schrijf in de pluralis omdat ik ervan overtuigd ben dat dit het heersende gevoelen onder de troepen was. Hoeveel te meer moet dat voor de mensen die in de kampen verbleven niet gegolden hebben. Ik heb geen idee hoe er in Europa tegenaan gekeken werd. Ik was al te lang te ver van huis om daarvan enige weet te hebben. Mijn gesprekspartner raadde mij aan om mijn gedachten hierover op papier te zetten. Dat heb ik na enig aarzelen gedaan in een vorm die tegenwoordig faction wordt genoemd. Het is een verhaal geworden dat ik de titel ‘Nagasaki, mon amour’ heb meegegeven om die tweede bom, drie dagen na die van Hiroshima op Nagasaki geworpen, haar rechtmatige plaats in ons collectief bewustzijn te gunnen. Nu ik het overlees merk ik dat het meer feiten dan fictie bevat en dat alleen de franje eromheen het de schijn geeft van fictie. Het is opgenomen in mijn bundel reisverhalen Reizen en Stilstaan, die in 1988 door In de Knipscheer is uitgebracht. Het boek heeft niet de minste aandacht getrokken en is al spoedig in de ramsj ten onder gegaan. Hoewel ik er de voorkeur aan geef om niet chronologisch te denken - ik beschouw namelijk de opeenvolgende gebeurtenissen in mijn leven niet als een optelsom met een nauwkeurig bepaalde uitkomst - is het in dit geval nodig om de voorge-

[p. 120]

schiedenis van mijn denkraam te schetsen waarbinnen de bom zijn plaats heeft gekregen. Er volgt nu dus uit het ongelezen boek de passage die mijn stelling moet onderbouwen.

Ik probeer in mijn verwarde brein enige helderheid te scheppen. Toen het bericht van de eerste bom, die van 6 augustus 1945 op Hiroshima, ons over de radio bereikte, was ik met een klein contingent Nederlandse troepen op Tarakan. Het eiland was kort tevoren door de Australiërs op de Japanners veroverd. In Europa was de oorlog al voorbij. De capitulatie van Japan was een kwestie van tijd. Dat maakte overigens geen verschil voor de Japanse soldaat. Die bleef weigeren zich over te geven, in hun erecode paste dat woord niet. Dat is geen sprookje, we konden daarvan meepraten. Telkens wanneer in Nieuw-Guinea een nieuw burgerhoofd was gevestigd loofde de nica, de Netherlands-Indies Civil Administration, vijf roepia's uit voor iedere levende Japanner die de Papoea's haar in handen konden spelen en slechts één luttele roepia voor de twee afgesneden oren van een gedode Japanner. (De oren dienden uitsluitend als bewijsstuk en werden na ontvangst in een daartoe bestemd vat gedeponeerd.) Ondanks dat aanzienlijke prijsverschil hoefde de betaalmeester - ik zie hem nog voor me, een ietwat gezette, vriendelijke majoor, die in het burgerleven bij de Borsumij grote orders had genoteerd - slechts een enkele keer de vijf gulden beloning uit te betalen. De oorlog kon op die manier nog wel een tijdje doorgaan. We waren jaloers op de militairen in West-Europa die, volgens de opgewonden verhalen die hier de ronde deden, met open armen en benen werden binnengehaald. We waren hier al meer dan een jaar zonder vrouw. Onvoorstelbaar. Voor ons liep niemand uit, niemand wuifde, niemand huilde. Geen wonder dat het bericht van de bom door ons met gejuich werd ontvangen. Niet langer de langzame, voetje-voor-voetje verovering van het ene bruggehoofd na het andere, waar MacArthur het monopolie op bezat. President Truman mocht van ons best nog een paar bommen op Tokio laten gooien. We wisten niet wat het voor dingen
[p. 121]
waren, maar als de legervoorlichtingsdienst ons niets op de mouw had gespeld, was het resultaat boven verwachting. Nu, in het jaar 36 na Hiroshima, vraag ik me af of collectieven zoals landen en volken, ook aan karmische wetten van oorzaak en gevolg zijn onderworpen. Indien dat zo mocht zijn, dan is het Japanse volk niet door toedoen van de bom voor de totale ondergang gespaard gebleven. Dat heeft het dan te danken aan de in de loop der tijden vergaarde nationale deugden. Het hoefde in ieder geval niet meer toe te komen aan de verdediging tot de laatste man van het onaantastbare grondgebied en de sacrale persoon van de keizer. De bamboesperen, waarmee in laatste instantie de boeren en arbeidersbrigades de geallieerden hadden moeten tegenhouden, hadden hun nut verloren. De bom ‘het nieuwe, verschrikkelijke wapen’, gaf de keizer de gelegenheid om, wat nog nooit eerder was voorgekomen, zijn onderdanen over de radio toe te spreken. In hoofse taal vertelde hij de mensen dat Japan had gecapituleerd. ‘Om het Japanse ras en de menselijke beschaving voor de vernietiging te behoeden.’ Zijn onderdanen hoorden zijn toespraak met gebogen hoofd aan. Verreweg de meesten hadden tekst en uitleg nodig om te beseffen waar het om ging, dat Japan zich had overgegeven en dat standhouden en sterven van de baan was. Ze mochten blijven leven. Daar moesten ze eerst nog even aan wennen.

Als het geen faction was geweest, maar een gedegen betoog over de deplorabele situatie waarin Japan zich bevond toen de beide bommen vielen, dan had ik deze beschrijving achterwege kunnen laten. Ik had dan met meer recht kunnen wijzen op de verpletterende nederlaag die het befaamde Kwantungleger, dat tegen de grens van Rusland gelegerd was, in drie dagen tijds had geleden toen de Russen vanuit Siberië op 8 augustus het door Japan bezette Mantsjoerije binnenvielen. Het einde van de oorlog was in zicht, maar dat wist ik allemaal niet. Ik wist amper dat Rusland in de oorlog met Japan betrokken was geraakt. Na dit korte exposé van mijn onvoor-

[p. 122]

stelbare onwetendheid te dier zake, die ik overigens met allen in het veld deelde, sla ik de maanden waarin ik in Indonesië werkte over (waar de mensen wel wat anders aan hun hoofd hadden en de bom niet ter sprake kwam) en vat het verhaal weer op als ik in juni 1946 in Japan arriveer. Fenna, mijn gesprekspartner, zal verwacht hebben dat toen voor mij een lichtje is gaan branden, dat mijn onwetendheid daar ter plaatse zou zijn omgeslagen in nieuwsgierigheid en mijn nieuwsgierigheid op haar beurt weer in geschokt zijn en afschuw. Niets is minder waar. Ruim een jaar heb ik in Japan gewerkt, maar de bom en de naweeën van de bom zijn in de vrij ruime kring waarin ik me bewoog vrijwel nooit ter sprake gekomen. Niet dat daar een verbod op rustte of dat het onderwerp taboe was. Nee, over de bom, of liever over de twee bommen, heb ik enkel maar horen spreken in de zin van daar hebben wij ons leven aan te danken.

Ik was bevriend geraakt met de Maslows, een Wit-Russische familie in Tokio, die daar al jaren woonachtig was. Zij waren ervan overtuigd dat de Japanners alle Russische families en alle krijgsgevangenen in Japan zouden hebben gedood als het tot een reguliere invasie van het land was gekomen. Ze verwachtten zelfs dat de Japanners, om de schaars geworden ammunitie te sparen, alle vreemdelingen zouden gaan onthoofden. Met dit bloedbad voor ogen - en terwijl ze zo spraken kon ik mijn ogen niet afhouden van de ranke hals van hun dochter Nina Maslova - kreeg de bom vanzelfsprekend de rol toebedeeld van de reddende engel. Dit schrikbeeld van een massale slachting sloot naadloos aan bij wat Laurens van der Post in zijn boek The Night of the New Moon heeft beschreven en waarover hij in den beginne alleen met Jongejans van gedachte durfde te wisselen. En in het in 1989 uitgekomen boek Tolk achter prikkeldraad van Mr J. Rookmakers, die tolk in verschillende krijgsgevangenkampen in Nederlands-Indië is geweest, wordt deze visie alleen maar bevestigd. Hij schrijft: ‘Tokio had begin augustus aan alle fronten een bevel doen uitgaan dat - hoe het verloop van de oorlog ook zou zijn - geen

[p. 123]

krijgsgevangenen in handen van de geallieerden zouden mogen vallen.’ En ‘dat er voorbereidingen waren getroffen, om, indien de Japanners door een vijandelijke aanval zouden worden bedreigd, alle krijgsgevangenen om het leven te brengen’.

De historicus Dr J. Stellingwerff komt tot een soortgelijk oordeel. Hij schrijft met grote kennis van zaken, in zijn in 1983 uitgekomen boek De diepe wateren van Nagasaki: ‘Bij vrijwel alle Nederlanders en Indische Nederlanders die in de Japanse gevangenkampen voor burgers en soldaten hadden gezeten, leefde de overtuiging dat ze hun leven vooral aan de atoombom te danken hadden. Indien de oorlog niet in augustus 1945 was beëindigd door de atoombom, zouden zij allemaal door honger en ziekten zijn omgekomen. Als de Amerikanen op de hoofdeilanden van Japan waren geland zou men zeker zijn vermoord, luidde het algemene oordeel.’

Gelet op dit onprettige vooruitzicht, ongeacht of het scenario zich zou hebben afgespeeld zoals zij zich dat voorstelden, is het geen wonder dat de bommen die een einde aan de oorlog maakten, niettegenstaande hun fatale werking als heilzame instrumentaria werden beschouwd. Er waren dus twee factoren die de bom niet tot een ‘hot item’ maakten: Opluchting en Onwetendheid. Over de onwetendheid kan een generatie die met de bom is opgegroeid zich nauwelijks nog een voorstelling maken. Ik citeer uit het dagboek van de officier van gezondheid M.M. Hilfman, dat in zijn boek Fukuoka 9 Arts in krijgsgevangenschap is afgedrukt:

 

17 aug.

Iedere Japanner vertelt zijn eigen verhaal om te verklaren waarom we niet meer werken. Een Japanse sergeant (pas bevorderd) heeft het over een epidemie in de buurt, om welke reden alle mensen moeten binnenblijven. De verhalen kloppen niet met elkaar.

Het gerucht over een epidemie werd later bevestigd door dokter Suzuki, die dacht dat er een tyfus-epidemie onder de bevolking in het gebied rondom Nagasaki heerste. Hij nam mij eens mee naar het Japanse hospitaal, waar ik een aantal doodzieke mensen te zien kreeg,

[p. 124]

bijna comateus, in een soort ‘status typhosus’. Ik herinner mij een oud vrouwtje dat er geheel apathisch bij neerlag. Noch Suzuki, noch ik begrepen iets van het ziektebeeld. Pas veel later las ik over radio-actieve besmetting en de gevolgen daarvan.

 

Aangetekend zij dat het kamp Fukuoka 9 in de nabijheid van Nagasaki, maar buiten het werkingsgebied van de bom lag. Wij hadden, schrijft Hilfman, niets van het neerkomen van de bom gemerkt.

Het mag vreemd lijken dat Yoshiko en ik samen nooit over de bommen op Hiroshima en Nagasaki hebben gesproken. Het is niet minder vreemd dat ik het met Yoshiko, voorzover ik mij dat tenminste herinneren kan, nooit over mijn jood-zijn en het lot van de joden onder de nazi's heb gehad. Ik vermoed nu dat het komt omdat wij tweeën iets te boven waren gekomen en dat we dat zo wilden houden. Ik bedoel hiermee dat ik me in Japan, waar totaal andere zaken aan de orde waren dan het jodendom, door het internationaal gerichte werk waar ik me mee bezighield steeds meer kosmopoliet was gaan voelen. Vanuit die alomvattende oriëntatie verloor mijn persoonlijk jodendom steeds meer terrein, ik was bezig op te gaan in een hypothetisch, niet-bestaand wereldburgerschap. Voor Yoshiko lagen de zaken anders en zelfs meer gecompliceerd. De Amerikanen van Japanse afkomst, die voornamelijk aan de Westkust van Amerika woonden, werden samen met daar woonachtige niet genaturaliseerde Japanners na de Japanse aanval op Pearl Harbor in hun totaliteit als een derde colonne beschouwd. Mannen, vrouwen en kinderen werden zonder onderscheid geïnterneerd en ondergebracht in geïsoleerde kampen die veel weg hadden van concentratiekampen. Het duurde bijna vier jaar voor de kampen werden opgeheven. Een deel van de geïnterneerden kwam eerder vrij doordat zij zich opgaven voor dienst in het Amerikaanse leger. Het aldus gevormde regiment heeft in Italië en Frankrijk bewezen dat de manschappen tot de meest loyale dappere soldaten van het Amerikaanse leger behoorden. Ze zijn zo vaak

[p. 125]

gedecoreerd dat hun groep de naam verwierf van ‘Christmas Tree Regiment’. Maar het was voor hen toch heel wat anders om tegen Italianen en Duitsers te vechten dan tegen de Japanners. Dat vereiste een hoge mate van zelfoverwinning.

Yoshiko behoefde als soldaat in de wac, Women's Army Corps, weliswaar niet tegen de Japanners te vechten, maar ze maakte, toen ik haar leerde kennen, toch deel uit van het Amerikaanse bezettingsleger met alle privileges van dien. Ik ben er niet achter gekomen hoe de Japanners daar tegenaan hebben gekeken. In ieder geval liet Yoshiko nooit blijken dat ze moeite had met het dubbele karakter van haar aanwezigheid in Japan. Net als ik plaatste ze zich erboven en vanuit deze door ons ingenomen posities, denk ik nu, was het niet nodig om op onze achtergronden en wat daaraan vastzat diep in te gaan. Ik had het met haar niet over de Duitse concentratie- en vernietigingskampen - waar ik trouwens de bijzonderheden nog niet van wist - en Yoshiko had het niet over de bom. We verbleven in een efemere, zelf gecreëerde wereld, waarvan we intuïtief moeten hebben aangevoeld dat ze niet lang stand zou kunnen houden. Het is niet zo dat we ons krampachtig aan een idee-fixe vastklampten, het was eerder een weldaad, een luxe-gevoel in een door elkaar geschud bestaan dat ons aangereikt werd, waar we ten volle van gebruik maakten.

Ik ben hier wat nader op ingegaan omdat ik door het schrijven van dit egodocument er achter tracht te komen hoe op de lange duur mijn drie afzonderlijke gestalten, Surinamer, Nederlander en jood, die om beurten hun gezicht lieten zien of als het zo uitkwam zich schuilhielden, in elkaar zijn gevloeid tot één en dezelfde persoon. Als ik nu op mijn leven terugkijk dan is het net of die drie elkaar vroeger, misschien niet voortdurend, maar toch wel heel vaak in de weg hebben gezeten. Ik heb, om het op zijn Vlaams uit te drukken, de exploratie van een denkpiste nodig om aan te tonen hoe de tegenstrijdigheden, ik kies met opzet dit woord dat duidt op gevecht, vele gevechten zelfs, ten slotte zich gewonnen heb-

[p. 126]

ben gegeven, hebben gecapituleerd en vrede met elkaar hebben gesloten. En juist omdat Yoshiko en ik geen langdurige verhouding hebben gehad en elkaar op een breukvlak, niet alleen in onze levens, maar op dat van de wereldgeschiedenis hebben leren kennen zonder iets van elkaars verleden en achtergrond te weten, loont het de moeite om zonder de poespas van een hooggestemde exegese na te gaan hoe wij tweeën ons tegenover elkaar hebben opgesteld. Heeft Yoshiko mij iets van haar ouderlijk huis en wat zij en haar familie te verduren hebben gehad verteld, heb ik haar deelgenoot gemaakt van mijn vlucht uit Holland en het dringende waarom daarvan verteld? Ik geloof van niet. We waren beiden het verleden voorbij en wat de toekomst voor ons in haar schoot verborgen hield zou ons in deze gemoedsstemming een zorg wezen. In dit bezette oosterse land hield ik op jood te zijn en ik voelde ook niet de minste aanvechting om dat te wezen. Nederlander was ik vanwege mijn badge, het insigne op mijn schouder en de drie sterren op mijn kraag en vanwege het feit dat ik iedere maand mijn salaris op het kantoor van de Nederlandse Militaire Missie in ontvangst ging nemen. Terwijl Suriname, het land waarvan niemand begreep dat ik met mijn blanke huid daarvandaan kwam, hoewel ik daar toch mijn familie, vader, moeder, broer, had zitten, steeds meer onwerkelijke vormen begon aan te nemen, alsof het niet echt bestond, een El Dorado-verzinsel van mij was, om mij daardoor nog exclusiever te maken dan ik van nature al was.

En Yoshiko? Zij had familie in Amerika en in Japan en ze wist haar loyaliteit tegenover de een met de aanhankelijkheid ten opzichte van de ander te verbinden. Omdat ze, als ze over de een zou hebben uitgeweid de ander tot op zekere hoogte zou hebben moeten verloochenen, roerde ze geen van beiden aan. Dat het zo was stond haar niet in de weg, haar nationalisme bleef evenals het mijne beperkt tot volkslied en vlag.

Het is natuurlijk niet precies zo toegegaan zoals ik het opschrijf. Er zullen heus wel losse opmerkingen zijn gemaakt, maar één ding is zeker, we waren tegenover elkaar niet datge-

[p. 127]

ne dat we voordien geweest waren, we hadden als slangen in een groeiproces de oude huid afgeworpen en een nieuwe aangenomen. Japan was voor mij een reageerbuis, waarin ik voor het nemen van proeven gedompeld werd en waaruit ik onherkenbaar en van kleur verschoten te voorschijn kwam. In hoeverre dat met Yoshiko het geval was weet ik niet, wel weet ik dat haar verleden tegenover mij nooit op de proppen is gekomen. Heeft zij op de bom anders gereageerd dan ik? Dat zal wel, het kan haast niet anders. Haar Japanse familieleden moeten haar toch zeker het een en ander over de uitwerking van de bom, de stralingsziekte, hebben verteld. Maar ook daarover bewaarde ze het stilzwijgen, onze samenzwering was compleet. We leefden in strijd met alle natuurwetten een leven zonder verleden - zonder dat het pijn deed -, we waren ons er niet van bewust dat we bezig waren onszelf uit te wissen, buiten de geschiedenis te plaatsen, ophouden te zijn.

 

Noot.

Een paar nuchtere opmerkingen. In de Nippon Times, het blad dat ik elke ochtend trouw las, stond nooit een woord over de bom of de nawerking daarvan. Betrekkelijk kort geleden vernam ik van Ian Buruma, de Japankenner, dat de Amerikaanse censuur dat had verboden. Ook bij het Internationaal Tribunaal mocht dat thema door de verdediging niet worden aangevoerd. John Hersey's Hiroshima, dat in boekvorm in november 1946 uitkwam, na eerder als een stunt in zijn geheel in de Newyorker gepubliceerd te zijn, kreeg ik pas in handen toen ik goed en wel weer in Nederland terug was. Masuji Ibuses Black Rain kwam in 1969 uit. Zonder de schuldvraag te stellen en zonder de verschrikkingen te benadrukken (volgens de vertaler John Bester: ‘the author has been accused of playing them down,’) is dat het meest aangrijpende boek over dit onderwerp dat ik ken. 1969. Dat is bijna vijfentwintig jaar na de augustusdagen van 1945.

Toen Kenzaburo Oë in 1994 de Nobel-prijs kreeg, vroeg de redactie van Trouw mij om een artikel over hem te schrijven.

[p. 128]

Ik liep de Athenaeum boekhandel binnen om te zien of er misschien een boek van hem was dat ik nog niet had gelezen. Dat was er niet. Ik vond wel The Crazy Iris, een door hem samengestelde antologie van verhalen over de ‘Atomic Aftermath’. Er staat een verhaal in van de mij onbekende schrijver Tamiki Hara. Hara was op de bewuste dag naar Hiroshima gegaan om de as van zijn pas overleden vrouw bij het familiegraf te plaatsen toen de bom viel. Hij heeft zijn ervaringen in het verhaal/verslag Summer Flower weergegeven, verzette zich tegen de beperkingen van de censuur tijdens de bezetting en wist zijn verhaal al in 1947 gepubliceerd te krijgen. Ik vermeld dit omdat ik het de bevestiging vind van Buruma's mededeling, waaraan ik ook overigens geen moment heb getwijfeld. Ik citeer nu Oë in diens voorwoord: ‘Five years later, however, during the Korean war, when it was rumored that atomic bombs might again be used, he committed suicide.’ Ik heb daar in 1995 geen woord aan toe te voegen.

 

Extra.

De berichten in de wereldpers gaven aan dat de Hiroshimabom nog maar kinderspel was vergeleken met wat de wereld te wachten stond. De waterstofbom, zo las ik, zou honderd maal krachtiger zijn dan die op Hiroshima. Ik werkte in Suriname toen het bericht van de grote rassenrellen in Little Rock in 1960 over de radio doorkwam. Terwijl de verontwaardiging algemeen was, zette het me aan tot het schrijven van een onwerkelijk scenario in de vorm van een hoorspel Black and White. In het kort komt het erop neer dat, tengevolge van de proefexplosies in de Nevada-woestijn, pigmentveranderingen zich bij de bewoners van de omliggende steden zijn gaan voordoen. De blanken begonnen zwart te worden, de zwarten wit. Dat leidde tot allerlei complicaties, in het huwelijk, op de scholen, in de media. De consternatie nam toe, omdat niet een ieder in gelijke mate aan de straling was blootgesteld. Uiteindelijk worden de nieuwe zwarten als overtuigde vredesactivisten de grote voorstanders van de afschaffing van de

[p. 129]

bom. De nieuwe blanken beklagen zich op hun beurt dat zij geen geld genoeg hebben om in de dure wijken te gaan wonen. Het absurdistische hoorspel is in Suriname ettelijke malen uitgezonden. Later heeft de Wereldomroep het in een nieuwe enscenering opnieuw uitgezonden, al heeft zij tegenover mij jarenlang tevergeefs geklaagd dat zij met mijn honorarium ad ƒ2500,- haar budget had overschreden.

prepostterug  begin  verder