terug  begin  verderprepost
[p. 130]

Twee Boeken

Soms, lang niet altijd, speelt de plaats waar en de tijd waarin je een bepaald boek hebt gelezen een doorslaggevende rol bij de waardering ervan. Ik wil het dit keer hebben over twee boeken van uiteenlopende strekking en benadering, die ik ongeveer terzelfder tijd, het begin van de jaren vijftig, in Suriname heb gelezen en die mij lang hebben beziggehouden, om niet te zeggen beïnvloed. Om de verbrokkelde chronologie van mijn verhaal een handje te helpen moet ik erbij vertellen dat ik na mijn verblijf in Japan naar Nederland was teruggekeerd. Daar was het mij niet voor de wind gegaan, - ik kom daar later nog op terug - en ik was blij dat mij in 1950 een baan en een toekomst in Suriname werden aangeboden. Mijn beide ouders leefden nog, ik was er welkom. Op de welgemeende vraag of ik, na zoveel van de grote wereld gezien te hebben, nog aan die kleine, min of meer geïsoleerde gemeenschap zou kunnen wennen, had ik maar één passend antwoord: ik voel me er thuis. Goed en wel verankerd in mijn thuisland, waar een eigen literatuur nog op zich liet wachten, las ik met veel plezier de romans van Joyce Cary die zich grotendeels in Engeland afspelen. Maar het was vooral zijn Mister Johnson, een boek dat Nigeria als achtergrond heeft, waar mijn absolute voorkeur naar uitging. Geen moment kwam het in me op dat de met zoveel aandacht getekende Mister Johnson een karikatuur van de Afrikaan zou zijn, een ‘buffoon’. een pias. Ik had in zijn vlagen van oplaaiend enthousiasme die even plotseling als ze opkomen weer gaan liggen, iets herkend dat ik aanvoelde, dat me aansprak. Er bestaat een woord in het Sranan-tongo, karoewiri faja, voor vuur dat bij het verbranden van droge korenbladeren heel even hoog opflakkert om dan binnen een oogwenk weer uit te doven. (Mijn vader placht de aanstekelijke redevoeringen van het populaire statenlid Wim Bos Verschuur - oom Wim -,

[p. 131]

die telkens met nieuwe verrassende ideeën kwam, waarvan de meesten geen lang leven beschoren waren, zo te betitelen, en dat beeld is me, treffend als het is, bijgebleven.)

 

Johnson is een klerk op het kantoor van een district officer in Nigeria. Het is een buitenpost en de klerk, die een missieschool achter de rug heeft, voelt zich een man van gewicht tussen zijn ongeletterde landgenoten. Opgewekt en zonder scrupules dartelt hij door het leven. Als er een nieuwe bestuursambtenaar komt, die niet als zijn voorganger van het saaie kantoorwerk houdt, maar bezeten is van een eigenzinnig idee om een grote verkeersweg aan te leggen om het district uit zijn isolement te verlossen, blijkt Johnson de man naar zijn hart te zijn. Johnson stort zich met hart en ziel op het project, hij zweept de arbeiders op tot vlagen van enthousiasme, de weg wordt een allen bezielend idee. Dat gaat gepaard met feesten vol drank, eten, zang en muziek. Als de weg er eenmaal is zakt het enthousiasme ineen. Johnson kan zich niet aanpassen en gaat door met op grote voet te leven. Hij maakt het zo bont dat Rudbeck, de district officer, zich gedwongen voelt hem te ontslaan. Maar Johnson weet niet van ophouden. Bij een nachtelijke diefstal schiet hij in paniek een blanke winkelier dood. Rudbeck krijgt de opdracht hem te berechten. In een aangrijpend hoofdstuk beschrijft Cary deze rechtszitting tussen twee zielsverwanten. Johnson wil het zijn vriend niet moeilijk maken en erkent, ondanks de pogingen van Rudbeck om hem daarvan te weerhouden, meer dan nodig is. De doodstraf is dan onvermijdelijk. Rudbeck spaart zijn vriend de strop en schiet hem op diens verlangen dood.

 

Mister Johnson is in 1939 uitgekomen waarna nog vele herdrukken zijn gevolgd, en laatstelijk is er nog een film naar het boek gemaakt. Bij de herdruk van 1975 heeft Cary een voorwoord geschreven. Hij heeft het over ‘The warm-heartedness of the African, his readiness for friendship on the smallest encouragement.’ En hij vervolgt: ‘But as Johnson does not

[p. 132]

judge, so I did not want the reader to judge. And as Johnson swims gaily on the surface of life, so I wanted the reader to swim, as all of us swim, with more or less courage and skill for our lives.’

Johnsons aanhankelijkheid jegens de Engelse koning, zijn oprecht geloof in de superioriteit van de westerse civilisatie zijn niet anders dan de produkten, de resultaten van een koloniaal systeem, dat de geesten van zijn bereidvaardige pupillen heeft gekneed en omgevormd. De veranderingen na de Tweede Wereldoorlog zijn zo snel gegaan dat het gedragspatroon van de eenvoudige, naar vooruitgang strevende inheemsen nauwelijks meer voor te stellen is. In de voormalige koloniën schaamt men zich nu ervoor, vindt het vernederend, wil dat er zo gauw mogelijk een einde aan komt. In Suriname, maar over het algemeen in West-Indië, keren de schrijvers zich tegen de saka-saka fasi, het diep nederige gedrag tegenover de hoger geplaatste, vroeger meestal de blanken. Ze beschrijven dergelijke types niet met liefde. Verzet, koppigheid, wreedheid desnoods heeft bij hen de voorkeur. Johnson is evenwel geen onderdanig personage. Als hij erop los leeft maakt het voor hem niet uit of dat ten koste gaat van Engelse bestuursambtenaren of van het eigen stamhoofd.

 

Als in de Surinamerivier een stuwdam plus waterkrachtwerk worden gebouwd, die de elektriciteit voor een aluminiumsmelter en aluminiumfabriek zullen gaan leveren, is er bij mij onmiddellijk een gevoel van herkenning. De bouw speelde zich als het ware voor onze ogen af en het leek wel of al onze latente energie door het idee alleen van zo'n krachtwerk losschoot en naar boven kwam. (De meervoudsvorm die ik hier gebruik slaat op de Surinaamse gemeenschap in haar geheel.) In minder dan de daarvoor geplande tijd was het gevaarte klaar. De werknemers die met onverdroten enthousiasme de kolossale dam hadden doen verrijzen (ieder jaar mocht het puikje van de stadsbewoners op kosten van de bauxietmaatschappij de vorderingen komen bewonderen)

[p. 133]

werden uitbundig geprezen en onthaald. Maar de lofzang was nog niet verstomd of zij, de werknemers, voor wie er geen emplooi meer was, stonden op straat. Dat gevoel van herkenning maakte het mij gemakkelijk om me te verplaatsen in de figuur van de levenslustige Mister Johnson, wiens onstuitbaar, maar niet altijd even scrupuleus enthousiasme hem, als de weg voltooid is, in diepe ellende heeft gestort.

 

In 1964, ik ben dan vijftig jaar, verhuis ik met mijn gezin naar Holland. Andere problemen doemen op, in andere boeken ga ik me verdiepen, maar Mister Johnson blijf ik zonder het te herlezen een heerlijk boek vinden. Een paar waarschuwingen bereiken mij. In het proefschrift van Vernie A. February, de man die prachtige vertalingen in het Engels van Surinaamse gedichten in het Sranan-tongo heeft gemaakt, Mind your colour - The ‘Coloured’ stereotype in South African Literature, lees ik dat Afrikaanse studenten bezwaren koesteren tegen het geklungel van Johnson, zowel wat zijn lachwekkend gedrag als zijn onbeholpen Engels betreft. February waagt het nog enigszins om het voor de schrijver op te nemen en hij vermoedt dat het ‘this child - like ever smiling and innocent quality’ van Mister Johnson is die de ergernis van de studenten heeft opgewekt. In het boek van de Oegandese literator Shatto Arthur Gakwandi The Novel and Contemporary Experience in Africa had ik al gelezen dat hij Mister Johnson vanwege de manier waarop hij zich kleedt en praat om zijn sociale status aan te tonen, als een Europese karikatuur van de Afrikaan beschouwt. Dat alles verontrustte mij niet. Uit de vele controversiële opvattingen over de door mij bewonderde V.S. Naipaul was het mij duidelijk geworden dat de door hem beschreven bevolkingsgroepen in zijn geboorteland, Trinidad, meestal allesbehalve enthousiast zijn over wat hij over hen schrijft en hem als een overloper, een would-be Engelsman, en déraciné, een bevuiler van het eigen nest, beschouwen. En om dichter bij huis te blijven, hetzelfde lot viel in Suriname Albert Helman ten deel (Leo Ferrier schreef in Åtman dat zijn boeken

[p. 134]

verboden moesten worden) tot het onvermijdelijke eerherstel volgde.

Of de dichter en Nobelprijswinnaar St. John Perse ooit verguisd is in zijn geboorteland Guadeloupe weet ik niet. Toch trof mij een passage in de rede, die Derek Walcott bij de uitreiking van de Nobelprijs in 1992 hield. Hij had het over de blanke dichter, opgegroeid op een Antilliaanse plantage, die als eerste de luchten, de geur en de wind van zijn eiland in zijn gedichten verwoordde. ‘To celebrate Perse, we might be told, is to celebrathe old plantation system, to celebrate the bequé, or plantation rider, verandahs and mulatto servants, a white French language is a white pith helmet, to celebrate a rhetoric of patronage and hauteur.’ Walcott weet wel beter en verwijst naar de ‘ironic republic that is poetry’ want altijd weer moet hij aan Perse denken als hij de palmen bij zonsopgang in de wind ziet bewegen. Maar bij Cary was er in Afrika van eerherstel geen sprake. Niemand minder dan Chinua Achebe, een van de beste en scherpzinnigste Afrikaanse schrijvers, moet een vernietigend oordeel over Mister Johnson hebben uitgesproken. Hij ziet er het vooroordeel van de blanke schrijver ten opzichte van de Afrikaan in gepersonifieerd. In de door De Balie en Novib uitgegeven bundel Het collectieve geheugen staat een bijdrage van de schrijfster uit Guadeloupe, Maryse Condé: ‘Van voltooid verleden naar onvoltooid heden’. Ik citeer: ‘Enkele jaren geleden vertelde Chinua Achebe, de bekende Nigeriaanse schrijver, in een interview hoe hij schrijver was geworden. Het gebeurde nadat hij een boek had gelezen van een zekere Joyce Cary. Het boek heette Mister Jim en hij wilde de waanvoorstellingen over zijn land en zijn volk, waarvan het wemelde, rechtzetten. Ik denk dat elke zwarte schrijver in die dagen dat ideaal deelde.’ Het gaat er mij niet om dat Maryse Condé wel heel onzorgvuldig te werk is gegaan. Lord Jim is een boek van Joseph Conrad en diens hoofdpersoon is niet zwart. Wat jammer dat ze niet de aandrang heeft gehad om het boek van de ware Joyce Cary op te slaan. Het zou de moeite waard zijn geweest om van haar reacties

[p. 135]

kennis te nemen, te meer omdat zowel Afrika als West-Indië binnen haar literaire radius, die niet gering is, valt.

Hoe heb ik het nou? Enigszins bedremmeld probeer ik mijn vroegere bewondering voor het boek weer voor de geest te halen. Heb ik het, zo vraag ik me af, met koloniale oogkleppen op gelezen en gekoesterd, terwijl ik me tegelijkertijd met hart en ziel te goed deed aan de in die jaren - de jaren vijftig - opkomende Westindische literatuur? Zag ik dan de tegenspraak niet tussen het een en het ander of was de literaire kwaliteit van het boek zodanig, dat die mij over alle bezwaren heen tilde, zoals het de schare bewonderaars van Céline pleegt te vergaan? Nee, dat was het niet. Mister Johnson boeide mij om zijn ik-heid, zijn vitale persoonlijkheid, zijn uitbundige, triomfantelijke opgang en zijn tragische afgang. En ook door de wijze waarop hij, uitsluitend en met de dood voor ogen, zijn gevoel voor een bepaald soort waardigheid wist te behouden. Het komische, de farce waarmee zijn doen en laten gepaard ging, zag ik niet als kleinering van de Afrikaan, maar als een bewijs van zijn onbevangen levenslust die zich bij wind en tegenwind, onder gunstige en minder gunstige omstandigheden, manifesteerde. Als ik een ondertitel voor het boek van Cary zou mogen verzinnen, dan werd het ‘The Nobility of Failure’, de titel van Ivan Morris' boek over de tragische helden van Japan, die hun grootheid juist ontleenden aan hun falen.

Naast en misschien wel boven Mister Johnson stond op mijn lijst van favoriete boeken: A Morning at the Office van de Guyanese schrijver Edgar Mittelholzer. Dit al in 1950 uitgekomen boek had mij de ogen geopend voor de Westindische literatuur, die toen, op een paar eenlingen na, nog maar nauwelijks van de grond gekomen was, eigenlijk als zodanig nog niet bestond, maar wonder boven wonder, binnen een tiental jaren een reeks van voortreffelijke schrijvers en dichters opleverde.

 

Het boek speelt zich af op een kantoor in Port of Spain, de hoofdstad van Trinidad. De eenheid van tijd en plaats is

[p. 136]

uitermate strikt in acht genomen, want de handeling loopt van ‘vier minuten voor zeven op een droge, wolkenloze morgen in april 1947’ tot 12 uur 's middags.

Het personeel bestaat uit de leden van de diverse bevolkingsgroepen die te zamen de gemengde samenleving op Trinidad uitmaken. De heersende sociale rangorde, voornamelijk gebaseerd op huidskleur en haarsoort, is er duidelijk in terug te vinden. Aan de top staan twee Engelsen. De jongste bediende, de intelligente negerjongen Horace, raakt verliefd op een lichtkleurige secretaresse, schrijft een liefdesgedicht uit As you like it van Shakespeare in blokletters over en legt het stiekem in haar postbak. Ze mag niet weten dat het van hem afkomstig is, maar desondanks is hij beteuterd als een ander, die graag met haar naar bed zou willen, het doet voorkomen alsof hij het daar heeft neergelegd. Allerlei verwikkelingen ontstaan, die de schrijver de gelegenheid geven de achtergronden, intieme gedachten en wensdromen van al zijn personages te belichten met de verschillende acties en reacties die daaruit weer voortspruiten. Schoorvoetend geef ik toe dat ik in dit opzicht kritischer ben dan vroeger. Bij herlezen ontdek ik een enkele bedenkelijke passage, die ik vroeger in mijn allround enthousiasme over het hoofd heb gezien.

Toch peins ik er niet over om mijn destijds gevormd waardeoordeel in te slikken of mij daarvoor te verontschuldigen, ik stel alleen maar vast dat ik zonder erg vrijwel terzelfder tijd twee boeken kon bewonderen en aan het hart drukken, die elk vanuit een eigen, aan elkaar tegengesteld gezichtspunt, het exemplarisch karakter van een of ik kan beter zeggen dé gekleurde mens uitbeelden binnen de wereld waarin hij leeft. In het boek van Mittelholzer stuitte ik voor het eerst op een weergave van een Westindisch maatschappijbeeld met alle raciale en daarbij behorende rangordes, gradaties, nuances en vooroordelen. De schrijver zette dat alles netjes op een rijtje, maar gaf tevens aan al zijn personages, die op het kantoor in Port of Spain samengeklonterd waren, iets mee,

[p. 137]

waardoor ze ieder op zijn/haar eigen manier achter de grilligheid van hun onzeker bestaan konden komen. Wie daartoe de moed had deed dat ook, de intelligente en ambitieuze negerjongen Horace slaat getergd alle deuren achter zich dicht, de olijfkleurige, tot de creoolse elite behorende Kathleen Henery riskeert een vernederend ontslag. Ik vermoed niet dat een niet-Westindiër het gekund zou hebben om zo trefzeker van binnen uit over deze samenleving te schrijven, vlijmscherp maar niet genadeloos. Want hoezeer ook behept met vooroordelen over haar, huidskleur en wat niet al zijn de personages in het verhaal volstrekt niet belachelijk of verachtelijk.

Toen ik, nog voor ik in 1950 vanuit Holland naar Suriname vertrok, in het Kurhaus in Scheveningen de Caribische dansgroep van Kathrene Dunham, die geloof ik Carribean Rhapsody heette, gezien had was ik totaal verbijsterd. Ritme, kleur en werveling gaven me een onverwacht geluksgevoel, ik zou naar huis teruggaan en tegelijkertijd een nieuw gebied gaan ontdekken. Het drong tot me door dat het sluimerende West-Indië nog verkend moest worden, dat wat er in de achterbuurten, in de rijstvelden en in het bosland leefde misschien wel het meest wezenlijke van Suriname was. Totnogtoe was het in Suriname gebleven bij een folkloristische potpourri zonder diepgang, een jaarlijkse, op koninginnedag herhaalde verkleedpartij van de verschillende bevolkingsgroepen, waar we ons allemaal aan vergaapten. Hoe lief, hoe vredig, hoe harmonisch leek dat allemaal. Weliswaar werd dat prettig onderonsje door sociale erupties soms tijdelijk verstoord, maar al gauw kwam dat alles weer op zijn pootjes terecht en het bleef, alsof er niets gebeurd was, min of meer op dezelfde vertrouwde manier doorgaan. De waarschuwing uit de dertiger jaren A Warning from the West Indies werd voor kennisgeving aangenomen en had het zonnige patroon niet echt doen verbleken. Het optreden van de ‘communist’ Anton de Kom was, na een paar dodelijke schoten en het daarop volgend uitbundig feest in het politietehuis, een schimmig verhaal geworden en in de doofpot gestopt. Suriname was als een kind met een patholo-

[p. 138]

gische moederbinding, het had geen weet van een andere wereld dan Nederland en het miste daardoor elke vorm van dynamiek, stuwkracht, originaliteit in denken en doen.

Joyce Cary had het beeld geschetst van een mislukking, een treurig einde na een hoopvolle aanloop, Mittelholzer gaf ons het gereedschap in handen om met open ogen aan de slag te gaan. Beide schrijvers hebben mij inzicht verschaft, ik mag gerust zeggen verrijkt en daarom is voor mij de vraag des te pijnlijker of ik de adder niet gezien heb die in het gras van Joyce Cary kan hebben gescholen. Ik heb het niet over het literair gewicht van de beide boeken, want wat dat betreft geloof ik dat het boek van Mittelholzer met zijn te schematische opzet en zijn bijna sociologische indeling van zijn personages, die stuk voor stuk prototypen zijn, nu voornamelijk van literair-historisch belang is. Maar daar was het mij toen, in die hoopvolle jaren van vijftig, niet om te doen.

Laat mij het over een andere boeg gooien. Over de klassieke roman van Joseph Conrad Heart of Darkness hoef ik niet uit te weiden. Hij wordt, hoewel stammend uit 1902, nog voortdurend herdrukt, vertaald, becommentarieerd en aangehaald. Waarom heeft dan juist dit boek, dat door Achebe in een rede aan de universiteit van Massachuchetts (in 1975) zo heftig is aangevallen en als racistisch is bestempeld, geen invloed op me uitgeoefend? Ik had Heart of Darkness lang voordien tijdens mijn schooltijd in Alkmaar, zo omstreeks 1930, gelezen, maar ik weet zeker dat het geen verpletterende indruk op me heeft gemaakt. De bedreiging en beklemming die er van Conrads ‘niggers’ in de bossen aan weerszijden van de rivier op de verteller, de Engelse zeeman Marlow, en de diep in het binnenland levende handelsagent Kurtz moet zijn uitgegaan, kwam niet op mij over. Ik vermoed dat het komt doordat ik me van kind af aan tussen de Bosnegers prettig en veilig heb gevoeld. Mijn grootvader van vaderszijde had een ijzerwinkel aan de Waterkant en aan de oever van zijn erf aan de rivier meerden de Bosnegers hun korjalen af, na de houtvlotten waarmee ze de rivier waren komen afzakken aan de zaagmo-

[p. 139]

lens te hebben afgeleverd. Ze verbleven dan wekenlang in de langwerpige huizen, barakken, op het erf, slenterden door de stad, hingen rond opa's winkel waar geweren, houwers, koolpoten en de kleurige stoffen waar ze zo van hielden te krijgen waren en gedroegen zich, zo kwamen ze op mij over, kwebbelend, vriendelijk en vrolijk. Vrijwel elke zaterdag gingen mijn ouders, mijn oudere broer Raymond en ik bij opa Pos ‘blijven’. Een oude neger, een factotum van de familie, die daarbuiten als Blaka djoe (Zwarte jood) bekend stond, bracht in een trommel op zijn hoofd onze schone kleren, die we 's middags na het bad konden aantrekken daarheen. Na de warme maaltijd, zo tegen één uur 's middags, gingen de grote mensen allemaal rusten en dat gaf mij dan de gelegenheid om ongemerkt weg te slippen en me naar de Bosnegers te begeven. Wat ben ik daar vertroeteld door de vrouwen, hoe heerlijk was het niet om op hun schoot tussen hun blote borsten (het maakte voor mij niet uit of die zwaar en vol waren of slap naar beneden hingen) te schommelen.

Veel later zal ik, soms in mijn functie als rechter, menige tocht naar de binnenlanden maken. Een zo'n tocht heb ik beschreven in een verhaal ‘De geest van Boni’, een groot aanvoerder van weggelopen slaven, maar veel meer dan een uitgesponnen anekdote, bedoeld om de verschillende gevoeligheden van negers en hindoestanen te belichten, is het niet. (Voor een mooie, uitgebreide beschrijving van zo'n tocht verwijs ik naar Albert Helmans: Het eind van de kaart.) Waar het mij in dit verband om gaat is het absolute gevoel van veiligheid dat ik ook in het binnenland onder de Bosnegers kende. Vol vertrouwen gaf je je over aan de kunde van de vrachtvaarders, die je in hun korjalen over de onstuimige soela's, vallen, telkens behouden naar een pleisterplaats voor de nacht brachten. Ik heb Heart of Darkness kort geleden weer opgeslagen, maar nog altijd ben ik immuun voor het schrikwekkende, satanische dat van de negers in het bos op de blanke indringers moet zijn uitgegaan. Ik begrijp dat achter Kurtz's ‘The Horror, the Horror’ meer schuilt, juist omdat

[p. 140]

het niet expliciet wordt gemaakt en meer wil uitdrukken dan in woorden te vatten is. Maar ik voel het niet aan, het decor, de entourage, zijn voor mij te overheersend. De gedachte aan racisme is, toen ik het boek voor het eerst las, niet bij me opgekomen. Klassiek of niet, het boek schoof weg tussen de vele boeken die ik sedertdien heb gelezen. Vandaar dat het voor mij geen dienst deed als referentiekader toen ik in 1950 met een baan op zak naar Suriname terugkeerde, ik was niet geïnteresseerd in de ontzaglijke eenzaamheid van Kurtz, Mister Johnson sprong me opgewekt tegemoet, ik zou te maken krijgen met vele Mornings at the Office.

Naderhand, in 1985 moet het geweest zijn, ik ben dan al lang weer terug in Holland, lees ik in het voorwoord van een heruitgave van The Pleasures of Exile, een toentertijd - 1960 - opvallend boek van de schrijver uit Barbados, George Lamming, een passage die mij goed doet. Hij heeft het over Heart of Darkness. Ik citeer: ‘They were conquerors... they grabbed what they could get for the sake of what was to be got. It was just robbery with violence, aggravated murder on a grand scale, and men going at it blind - as is very proper for those who tackle a darkness.’ Hij heeft het over de gruwelen die door de dienaren en handlangers van Leopold ii, koning der Belgen, in de Congo, dat zijn privé-domein was, zijn bedreven. Geen kwaad woord over Conrad. Bij mij evenmin een kwaad woord over Cary's Mister Johnson.

prepostterug  begin  verder