terug  begin  verderprepost
[p. 157]

Rechter

Wat blijft er over van een rechterlijke carrière waarin je meer dan dertig jaar over anderen hebt geoordeeld? Zeer waarschijnlijk verschilt het residu niet bijster veel van dat van andere functionarissen, zoals hoofden van scholen, ziekenhuizen, gevangenissen, ongetwijfeld zeer verantwoordelijke beroepen. Het is een gemeenplaats dat een rechter net als al die anderen een kind is van zijn tijd. Als de verouderde wetten redelijke door de maatschappij geaccepteerde oplossingen in de weg staan probeert hij ze zo te interpreteren dat ermee te leven valt. Dat zal dan wel de reden zijn dat de horden, waarvan Ortega y Gassets Rebeliòn de las Masas gewaagt, zich, in Nederland althans, maar zelden tegen de rechters keren. Al zal in roerige tijden, zoals in Amsterdam in de jaren zestig, het woord klassejustitie wat vaker in de mond worden genomen. (De kritiek op de rechters in fascistische en communistische landen richtte zich in de eerste plaats op de maatschappijvorm die zulke produkten voortbracht. Het deed me goed in Nabokovs Speak, Memory te lezen dat op de rechters in Tsaristisch Rusland weinig viel aan te merken. ‘Since die reforms of die eighteen-sixties, the country had possessed... what was especially striking fearless and independent judges.’ En het viel me op hoe uiterst bedeesd de strafzaken-columnist Jac. van Veen zich onlangs in Vrij Nederland uitliet toen een groepsleider, wegens het plegen van ontucht met minderjarigen, een veel zwaardere straf kreeg dan twee kinderrechters, die eerder voor een zelfde delict hadden terecht gestaan. ‘Een meten met twee maten waardoor de schijn ontstaat van klassejustitie.’

Rechters mogen dus na gedane arbeid genieten van een Otium cum dignitate, een eerbiedwaardige levensavond. Indien een enkele beslissing na jaren nog blijft knagen zal hij, gemangeld als hij is door het geheim van de raadkamer, zijn twijfel daaraan meenemen naar het graf.

[p. 158]

In Suriname speelde zich de zeldzame strafzaak af van een moord zonder lijk. Het lichaam van het slachtoffer moet in de Surinamerivier zijn gedeponeerd, maar het werd nooit gevonden. Hoewel het corpus delicti ontbrak werd de verdachte door het Hof van Justitie - ik was een van de drie rechters - op grond van het overvloedig bewijsmateriaal tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld. De raadsman zag in dit geval af van een zwaarwegend juridisch pleidooi. Hij kon volstaan met de rechters de mogelijkheid voor te houden: Grootedelachtbare leden van het Hof, stel dat de doodgewaande straks of desnoods over een paar jaar hier doodgemoedereerd komt binnenwandelen. Ik citeer deze zin van de raadsman zonder aanhalingstekens omdat ik voor de letterlijke weergave van zijn woorden niet kan instaan. Doodgewaand, doodgemoedereerd, het zijn termen die in de rechtszaal niet veelvuldig worden gehoord, de echo daarvan sterft niet gemakkelijk weg. Vele jaren later blijkt dezelfde dader, die, na twee derde van zijn straf te hebben uitgezeten, naar Nederland was geëmigreerd weer een moord te hebben gepleegd en het lijk wekenlang in een kelder te hebben verborgen. Een bevriende free-lance-historicus, belust op sappige strafzaken, zond mij vanuit een van de noordelijke provincies de desbetreffende kranteknipsels. Ik moet aannemen met de bedoeling om het laatste restje twijfel, zo het er nog mocht zijn, bij me weg te nemen.

Van al mijn verhalen gaat er maar een over een rechten. Dat hoeft geen verbazing te wekken, want de objectieve criteria waarmee een rechter pleegt te werken lenen zich niet goed voor het handwerk van een auteur. Ze mogen dan wel de bouwstenen zijn waarop de justiciabelen moeten kunnen vertrouwen, de schrijver moet het hebben van zijn subjectieve visie op hetgeen hij vertelt. Het is natuurlijk altijd mogelijk om die zo stabiele objectieve criteria aan het wankelen te brengen (door te prikken heet dat) door te laten zien dat ze in laatste instantie op de persoonlijkheid van de rechter berusten, maar daar doe ik niet aan mee. Als je zelf rechter bent geweest kun je de beschrijving van een dergelijk feno-

[p. 159]

meen beter overlaten aan de buitenstaanders. Die kunnen dan iets moois daarvan brouwen zoals Graham Greene dat met zoveel succes gedaan heeft met de figuren van een onomkoopbare commissaris van politie en een onbevlekte priester. Het is bovendien niet mijn bedoeling en het ligt ook niet in mijn aard om spannende strafzaken uit het verleden op te rakelen in de trant van De commissaris vertelt. Dat is beter in handen van advocaten die niet gebonden zijn aan het geheim van de raadkamer en bovendien de gelegenheid hebben om hun cliënten in hun ware gedaante van nabij te leren kennen. Want het is een misvatting dat een rechter een verdachte leert kennen. De groene tafel is als een brede rivier waarvan het water dat hen scheidt veel te diep is. In strafzaken van enig belang heeft voorafgaand aan de zitting het vooronderzoek bij de Rechter-Commissaris, de rc, plaats en doet de rechter de zaken goeddeels op de stukken af. (Dit moet niet al te letterlijk worden genomen, de rechter is geen herkauwend dier.) De rc. ontmoet de verdachte in zijn kabinet en naar gelang van de ingewikkeldheid van de zaak kan zo'n ontmoeting ettelijke malen worden herhaald.

Als rc in Amsterdam kreeg ik eens als verdachte een nogal verwilderde jonge vrouw, Geesje S., voorgeleid. Het ging om een diefstal in vereniging op een bloemenschuit aan de Hobbemakade. Door de tegenstrijdige verklaringen van de verdachten wilde het onderzoek maar niet vlotten. Het moet ongeveer elf uur in de ochtend zijn geweest en de vrouw van de conciërge bracht ons, de griffier en mij, als gewoonlijk tegen die tijd een kop koffie. Wat me ertoe bewoog weet ik natuurlijk niet meer, maar zonder er bij stil te staan vroeg ik aan Geesje of ze ook een kopje koffie wilde. Ja, dat wilde ze wel. De vrouw van de conciërge moet vreemd hebben opgekeken, want het was geen gebruik om verdachten, het konden er soms meer dan een zijn, tijdens het verhoor op koffie te onthalen. Hoe dan ook, via dit kopje koffie is er een soort vertrouwensrelatie tussen ons ontstaan. Geesje kwam later wel vaker in moeilijkheden en belandde dan weer in een huis van

[p. 160]

bewaring. Ik kreeg dan meestal een kaart van haar en daar reageerde ik op door haar een pakketje te zenden. Ik ben nog eens vanuit het huis van bewaring in Rotterdam op mijn vingers getikt, omdat ik iets meer geld dan toegestaan was - ik meen dat tien gulden de limiet was - in het pakket had gestopt. De kaarten kwamen na een tijdje niet meer. Een paar jaar later las ik in Het Parool in een stuk van de onvermoeibare Jac. van Veen dat Geesje S. - het kan niet anders, zij moet het geweest zijn - voor de rechtbank in Den Bosch terecht had moeten staan. Dit keer ging het om een zwaar vergrijp, een gewelddadige poging in vereniging met een ander tot beroving van een taxichauffeur. Zoiets bezorgt je dan een lichte knak, zoiets strookt niet met het beeld dat je van het meisje hebt overgehouden. Toch deed het me goed om in datzelfde artikel te lezen dat Geesje na haar ontslag uit de bajes hulp zou worden geboden door de stek (Stichting Tijdelijk Eigen Kamer) een instelling die voor een eigen ‘stekkie’ zorgt als uitgangspunt voor normale terugkeer in de maatschappij.

Het mag vreemd lijken, maar het zijn soms de allerkleinste zaken die de gemoedsrust kunnen verstoren. Zo heb ik als politierechter in Amsterdam een student (of was het een ziekenverpleger, dat herinner ik mij niet meer) die elf autospiegels had afgebroken en ze in een zak met zich meedroeg toen hij werd aangehouden, tot een lichte voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld. Het vreemde gedrag van de man, volkomen overstuur na het horen van het vonnis, (bij de politierechter wordt er meteen gevonnist, bij rechtbank en Hof is dat over veertien dagen) verontrustte mij dermate, dat ik vreesde dat hij wel eens zelfmoord zou kunnen gaan plegen. Na afloop van de zitting schakelde ik daarom meteen allerlei diensten in om achter hem aan te gaan, wat gelukkig nergens voor nodig bleek te zijn. Het gezicht van de jongeman is me niet bijgebleven, wel de paniek waarin hij kwam te verkeren, en de elf spiegels opgeborgen in een zwarte zak die de officier van justitie als stuk van overtuiging had overgelegd. Elf afgebroken autospiegels, het is een schamel souvenir uit

[p. 161]

tientallen jaren van rechtspraak die in Nieuw-Guinea begonnen, zich voortzetten in Japan, Suriname en Amsterdam en bij het Hof in Den Haag eindigden. Of is het eerder de herinnering aan die onberedeneerde paniek die op mij oversloeg zonder dat er een aanwijsbare reden voor was? De onzekerheid heeft maar even geduurd, een lichte aardschok, op mijn schaal van Richter nauwelijks te meten. En toch, tot op vandaag een kras op het evenwichtig profiel dat ik de buitenwacht voorhoud.

In Amsterdam heb ik de overdreven zorgen van de rechtbank over het optreden van de provo's meegemaakt. Stheeman, de president van de rechtbank, beschouwde zijn veste aan de Prinsengracht als het laatste bolwerk tegen het oprukkend anarchisme. Hoewel hij geen strafkamer presideerde wist hij toch zijn stempel op de rechtbank te drukken, al bleven de opvattingen van de rechters verdeeld. De graffiti op de muren van de rechtbank, zoals Nomes-oranjehoer, lieten aan duidelijkheid niets te raden over. Omstreeks die tijd had je ook de Viëtnam-demonstraties, meestal zonder vergunning, gepaard aan Johnson-moordenaar (belediging van een bevriend staats-hoofd) in spreekkoor. Ik kan me nog goed de gloed herinneren waarmee een jong meisje zonder advocaat haar meedoen aan zo'n optocht verdedigde. Zo moet Jeanne d'Arc eens voor haar rechters gestaan hebben, dacht ik terwijl ik naar haar luisterde. Het zijn van die zeldzame momenten waarbij in de wetten verankerde zekerheden even op de tocht komen te staan. Dat neemt niet weg dat een veroordeling, hoe gering ook, moest volgen. De eis van ƒ50,- werd teruggebracht tot tien gulden boete of één dag hechtenis.

Na de tribunalen van Neurenberg en Tokio, waarbij het voeren van een agressieve oorlog als een volkenrechtelijk misdrijf was bestempeld, vond ik de oorlogvoering van de Amerikanen in Viëtnam onverdraaglijk, ook al bevonden ze zich daar zogenaamd op uitnodiging van de Zuidviëtnamese regering. Ik was in die dagen een fervent lezer van Le Monde, dat elke dag een uitvoerig verslag gaf van wat er in Viëtnam

[p. 162]

gebeurde. Toen ik een keer in het trappenhuis van de rechtbank de krant uit mijn handen deed vallen raapte de advocaat Smeets die op en gaf mij haar aan. Dat kleine voorval leidde ertoe dat we in gesprek raakten en merkten dat we in vele opzichten dezelfde opvattingen deelden. Smeets, die betrokken was bij de oprichting van het njcm, het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten, bracht mij met die groep enthousiaste studenten en wetenschappers in contact en zo kwam ik in het adviescollege van die stichting terecht. Ik ga er nog altijd prat op dat de slogan ‘ageren en reageren’ uit mijn koker stamt.

Is er van een rechter in Nederland een boeiende biografie te schrijven? Het zal voor rechters die zitting hebben in meervoudige kamers zoals bij de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad niet zo eenvoudig zijn. Doordat we het Angelsaksische systeem, van de dissenting opinion niet kennen wordt de mening van de individuele rechter, wat vooral bij grensverleggende zaken uiterst boeiend kan zijn, niet gehoord. Hoe anders is dat bij de Engelsen en Amerikanen. Namen van befaamde rechters als Wendell Holmes, ‘the great dissenter’, Frankfurter en Cardozo zijn daar nog in het geheel niet belegen. Het kan zijn dat door de tegenwoordige bloei van het kort geding het profiel van de presidenten van de rechtbank duidelijker wordt afgetekend dan voorheen het geval was. Als dat zo is en het desbetreffende tijdperk voor voldoende levendigheid heeft gezorgd zal een biografie er zeker ook komen. Die zal dan de nodige variatie aanbrengen in de verslaggeving over de rechtspraak die totnogtoe zich voornamelijk op strafzaken richt. Terwijl toch het merendeel van de rechters zich met civiele zaken bezighoudt, iets wat ik ook lange jaren heb gedaan.

Slechts een ervan wil ik hier oprakelen, omdat de zaak. op zichzelf een aardig kijkje geeft op de Surinaamse samenleving die toen al (in 1955) voornamelijk door creolen en hindoestanen werd gedomineerd. Om de merites ervan te begrijpen en de finesses van de uitspraak te kunnen savoureren moet

[p. 163]

echter een zakelijke uiteenzetting voorafgaan. In Suriname heerste anders dan in Nederlands Oost-Indië het principe van rechtseenheid. Het veelkoppige stelsel van het adatrecht kende Suriname niet. De unificatie van het recht naast het verplicht onderwijs in de Nederlandse taal, dat al in 1896 was ingevoerd, werd als een machtige factor in het assimilatieproces gezien, dat door Nederland bewust werd nagestreefd. Intussen was Suriname van een volksplanting tot een typisch immigratieland geworden waarbinnen grote groepen zich vestigden met zeden en gewoonten die vreemd waren aan het voor allen geldend recht. Tegen de zin van de Staten, die al twee keer eerder verordeningen van die strekking hadden verworpen, kondigde gouverneur Kielstra op 14 oktober 1940, dus in volle oorlogstijd, twee van het principe van rechtseenheid afwijkende Besluiten af. Kielstra, wiens hart aan Oost-Indië was verpand en die wat de landbouw betreft weinig heil zag in het creoolse volksdeel, maakte gebruik van de buitengewone bevoegdheden die de Staatsregeling hem in dringende omstandigheden bood. De oorlog verschafte hem daartoe de gelegenheid die hij zich niet liet ontgaan. Het Huwelijksbesluit hindoes en het Huwelijksbesluit mohammedanen maakten beide groepen (het ging om hindoestanen en Javanen) bevoegd tot het aangaan van een huwelijk volgens de leer van het hindoeïsme of de islam.

Op 23 september 1955 wees ik als rechter in kort geding vonnis in een zaak die rechtstreeks met deze materie te maken had. Ramautar Krishnasingh, vader van een beeldschoon 16-jarig hindoe-meisje Soedharamwatie, stelde dat een zekere Kloppenburg zijn dochter aan het ouderlijk gezag had onttrokken met het voornemen om in concubinaat met haar te gaan leven. Hij vorderde afgifte van zijn dochter. Kloppenburg, een creoolse jongeman, voerde als verweer dat hij tot het hindoeïsme was overgegaan, de hindoe-voornaam Dharmpal van de priester had gekregen en nadien volgens de regel van het Huwelijksbesluit hindoes was gehuwd, dat het huwelijk in de huwelijksregisters was ingeschreven en dat hij

[p. 164]

voornemens was eventuele kinderen uit dit huwelijk in de leer van het hindoeïsme groot te brengen. De vader beriep zich er evenwel op dat het huwelijk van Kloppenburg met zijn dochter nietig was, daar toch een huwelijk dat is aangegaan volgens het Huwelijksbesluit hindoes, enkel gelding zou hebben, indien zowel de man als de vrouw beiden van hindoestaanse afkomst zijn. Hier kwam de vraag aan de orde of Kloppenburg de bevoegdheid bezat om een huwelijk volgens het Huwelijksbesluit hindoes aan te gaan.

Voor Kloppenburg was het voormalig Brits-Indië niet het land van herkomst. De rechter moest nu nagaan of hij al of niet ‘opging’ in de in Suriname gevestigde, oorspronkelijk van Brits-Indië afkomstige bevolking. Ik geef nu enkele van de overwegingen van de rechter weer, omdat daarin het begrip assimilatie ter sprake komt en wel in andere zin dan meestal aangenomen, namelijk niet assimilatie in de richting van de westerse cultuursfeer, zoals bij de creolen grotendeels het geval is, maar assimilatie in de richting van de oosterse cultuursfeer.

‘Overwegende nu, dat het Huwelijksbesluit hindoes van 1940, in afwijking van het zuivere afstammingsprincipe waarvan de Huwelijksverordening van 1907 uitgaat, het begrip “opgaan in de groep” heeft geïntroduceerd;

Overwegende, dat Wij dit “opgaan in de groep” derhalve zullen moeten interpreteren ook los van de feitelijke afstamming;

Overwegende dat het Huwelijksbesluit hindoes een bepaalde rechtsovertuiging, die, binnen deze groep, omtrent het sluiten van huwelijken zou leven, een afzonderlijke wettelijke basis heeft gegeven, mede ook voor hen, die niet door afstamming, maar door assimilatie tot deze groep zijn gaan behoren; dat het Huwelijksbesluit hindoes, de mogelijkheid van assimilatie naar deze groep toe erkennende, evenwel verzuimd heeft om aan te geven, naar welke criteria deze assimilatie, dit opgaan in de hindoegroep, moet worden gemeten, dit in tegenstelling tot de Huwelijksverordening van 1907, die enkel van het afstammingsprincipe uitging, maar dan ook uit-

[p. 165]

drukkelijk en wel zeer stringent bepaalde, wat onder afstamming in die verordening dient te worden verstaan.’

Een tragedie à la Romeo en Julia wordt afgewenteld, de rechter wijst de vordering van de vader af. Hoe hevig en intens de gevoelens konden zijn van een jong hindoestaans meisje dat, net als Soedharamwatie (Bloesemregen), was geschaakt, was me in een eerdere zaak al gebleken. Ik citeer uit een brief van het meisje aan haar vader:

 

Weledele Heer, vandaag ben ik zelf getrouwd, word niet ontevreden op mij. Vader en Moeder, zie de liefde is een geweldig ding op de wereld, met wien mijn liefde aangeknoopt is, met hem ben ik weggegaan, doe geen moeite opdat ik terugkeer. Indien jullie mij zullen doen scheiden dan zal ik weer weggaan, anders mijn leven prijsgeven...

Vader, Moeder, Broers en Zusters, het verzoek is aan jullie, dat jullie mij niet laat scheiden en ik groet jullie allemaal met tien vingers gevouwen, te hebben en nu ga ik weg. U had een andere zijn nek gebroken, daarom wordt u door God genekt. De liefde is een ding dat met het leven gaat.

 

Uw dochter

 

Het vonnis, dat overigens volgens de hindoestaanse super-intellectueel Dr Mr Drs J.H. Adhin een niet gewenste ontwikkeling heeft ingeluid, is een voorbeeld van intergentiel recht in Suriname, dat betrekkelijk zeldzaam is, omdat met uitzondering van de Huwelijksbesluiten voor alle bevolkingsgroepen officieel één en hetzelfde recht geldt.

Een adatrecht ontbreekt, een godsdienstrechter is er niet. Wel spreken in de binnenlanden van Suriname de granmans, de gouverneurs van de Bosnegers, over hun eigen mensen recht, Bosneger-volksrecht dus, maar wettelijk erkend is deze rechtspraak niet.

Door hun afzondering leven de Bosnegers vrijwel ongemoeid, alhoewel er reeds velen tot het Christendom zijn bekeerd, in hun eigen Afrikaans aandoende rechtssfeer. Maar het getij verandert snel.

[p. 166]

Op 7 februari 1959 mocht ik in Leiden een Diës-college geven. Als titel koos ik: ‘Suriname, Nederlands recht in een meervoudige maatschappij.’ Het is, nu Nederland zelf bezig is een ‘plural society’ te worden, wellicht aardig om aan te geven hoe die meervoudigheid in Suriname tot stand is gekomen. In 1863, als de slavernij rijkelijk laat wordt afgeschaft, bestaat de maatschappij enkel uit blanken, negers en kleurlingen, een klein aantal van de oorspronkelijke Indianen daargelaten. Maar de behoefte aan landarbeiders leidt in 1873 tot een grootscheepse immigratie van hindoestanen, die eerst in 1916 door de Britse Regering onder druk van de Indische Nationale Beweging zal worden stopgezet. De immigranten waren meest landbouwers, maar op de lijst van beroepen vindt men ook priester, schoolmeester, modderverkoper, opiumbereider, ja, zelfs makelaars in vrouwen vermeld en ook wel, zeer laconiek, landeigenaar (thans failliet). Zij verbonden zich door contract onder poenale sanctie, dat wil zeggen strafrechtelijk gesanctioneerd, om een bepaald aantal jaren - meestal 5 jaren - in Suriname te werken, een systeem dat niet al te gunstig bekend staat, onder de naam van ‘indentured labour’. Nadat de werkperiode om was had de immigrant en zijn gezin recht op een vrije terugreis. Allerlei regelingen werden echter in het leven geroepen opdat de vrijgekomen contractant af zou zien van terugkeer en zich als zelfstandige kleine landbouwer in Suriname zou vestigen. Het resultaat was gunstig en zo is op den duur dit immigratiesysteem in feite een kolonisatiesysteem geworden.

De aanvoer van immigranten uit Indonesië begon later, namelijk in 1890 en duurde tot 1940. Ook hier contractanten onder poenale sanctie, het recht tot vrije terugkeer en de mogelijkheid tot blijvende vestiging.

Ondanks deze toevloed van immigranten (die thans meer dan de helft van de bevolking uitmaken) bleef de gedachte van de rechtseenheid op de voorgrond staan. Wel werd de wetgeving aan het vertegenwoordigend lichaam, de Koloniale Staten, toevertrouwd. Maar met deze beperking dat de veror-

[p. 167]

deningen ‘zoveel mogelijk overeenkomstig met de in Nederland bestaande wetten’ zullen zijn. Dit concordantiebeginsel werd in ietwat gewijzigde vorm ook in Het Statuut opgenomen. Hetgeen verklaart waarom rechters uit Nederland betrekkelijk moeiteloos in Suriname konden functioneren, wat thans in nog meerdere mate op de Nederlandse Antillen en Aruba het geval is.

In het Diës-college heb ik mij met een zeker voorbehoud op het gebied van het familierecht een voorstander van rechtseenheid betoond. Ik citeer het bijna pathetische slot van dit college, omdat het zo mooi aansluit bij het kort geding dat ik zojuist heb beschreven:

Geen geloof in de ‘loi supérieure’ tegenover een ‘loi inférieure’ leidt ons, het is de bittere noodzaak om niet uiteen te vallen in groepjes, die traditioneel, maar zonder voldoende innerlijke noodzaak, zouden blijven vasthouden aan een steeds meer afzwakkend gewoonterecht, terwijl ditzelfde gewoonterecht wellicht in de landen van herkomst aan het verdwijnen is.

De ‘Balada de los dos Abuelos’, de ballade van de twee voorouders, de blanke en de zwarte voorouder, is een beroemd gedicht van de Afro-Cubaanse dichter Nicolas Guillen. Suriname wacht nog op zijn dichter, die zal zingen van de vier voorouders, Amerika, Afrika, Azië en Europa. Waarbij evenals in het vonnis van de verliefde creool en het hindoestaanse meisje niet het afstammingsprincipe op de voorgrond zal staan, maar het opgaan in, het deelachtig zijn aan, het met elkander vormen van een nieuwe natie.

 

Rechtszaken over literaire aangelegenheden deden zich in mijn tijd slechts zelden voor. Bij het Ezelsproces tegen Gerard van het Reve zat ik als publiek in de zaal en ik kon volop genieten van al het ezelachtige dat de niet van humor gespeende officier van Justitie Abspoel, die zich volgens eigen zeggen als advocaat van de duivel opstelde, in zijn requisitoir te berde bracht. En wat een genot was het niet om de door de raadsman aangevoerde deskundigen onder wie mevrouw Droog-

[p. 168]

leever Fortuijn, meer bekend als de dichteres Vasalis, hun zegje te horen doen. Ik heb wel op auteursrechtelijke zaken gezeten, maar dan betrof het meer technische aangelegenheden, zoals bepaalde tekeningen in een ehbo-handboek. Bijna was ik het proces tegen het dagblad Trouw vergeten dat de uitgeverij De Bezige Bij haar had aangedaan naar aanleiding van een recensie van het door De Bij uitgegeven boek Ik Jan Cremer. De recensent had het over De Smerige Bij en dat nam De Bezige Bij niet. De zaak, het was een civiele vordering uit onrechtmatige daad, diende voor de rechtbank in Amsterdam en eindigde hiermee dat de vordering werd toegewezen maar zonder toekenning van schadevergoeding. De verkoop van de ‘onverbiddelijke bestseller’ had er alleen maar wel bij gevaren. Bij de aanvang van het proces hadden beide procespartijen een exemplaar van het bewuste boek overgelegd. Toen de zaak was beslecht moesten de boeken worden teruggegeven. Maar hoe er ook op de griffie naar gezocht werd, de boeken waren nergens meer te vinden en bleven weg. Ik stelde de president van onze kamer voor dat we die twee boeken dan maar uit eigen zak zouden betalen, dan waren we van het gedonder af. Maar daar wilde de president eerst niets van horen. Twee van die smerige boeken nog kopen ook, hij kon dat niet over zijn hart verkrijgen. Onnodig te zeggen dat uit zijn reactie valt op te maken hoe zijn stemgedrag in de raadkamer is geweest.

prepostterug  begin  verder