terug  begin  verderprepost
[p. 177]

De Ontgoocheling

... de coup van de sergeanten op 25 november 1980 voor mij het beeld van Suriname verduisterde. Ik was nog maar een paar maanden tevoren met vakantie daar geweest en was met bevreemding er getuige van hoe het functioneren van het democratisch bestel was vastgelopen. Door het voortdurend ontbreken van het benodigde quorum in de Staten, het parlement, kon er niet meer vergaderd worden. De politieke onwil van de twee grote partijen, de nps de Nationale Partij Suriname, min of meer de partij van de creolen, en de vhp, de Verenigde Hindoestaanse Partij, zoals de naam al zegt de partij van de Hindoestanen, deed het raderwerk al maanden stilstaan. De President van de Republiek, Johan Ferrier, kon er maar niet toe overgaan om een einde te maken aan deze patstelling en de Staten te ontbinden. Misschien kwam het door deze verlammende situatie dat een groot deel van de bevolking de coup met gejuich begroette. Wat waren zij trots op ‘Onze Jongens’ die voor het eerst een revolutionaire daad hadden gesteld. De coup die, na de beschieting van het Hoofdbureau van Politie, korte metten met het vigerend regeerapparaat maakte, was van eigen bodem, heel iets anders dan de onafhankelijkheid die toch vooral als een op geld waardeerbaar geschenk vanuit Den Haag was ervaren. Vergeten werd gemakshalve dat ook de afgezette regering en het hele daarbij behorende politieke bestel met partijen die voornamelijk op etnische basis gegrondvest waren, eveneens produkten van eigen bodem waren. Ik was al weer hoog en droog in Amsterdam toen de coup plaatsvond en mijn afkeer van dit militaire gedoe deelde ik met weinigen. Uit de berichten die mij bereikten maakte ik op dat een groot aantal van de nationalistische republikeinse voorlieden en dichters van het eerste uur zich achter de coup geschaard hadden. Ik noem maar een paar namen, Eddie Bruma, Robin Ravales (de

[p. 178]

dichter Dobru), Jozef Slagveer. Ik kende ze allen persoonlijk, Dobru rekende ik zelfs tot mijn jongere vrienden. Ik zag in hem het prototype van de jonge idealist die vol overtuiging maar weinig kritisch naar nieuwe horizonnen zocht en telkens als hij een van eenheid en broederschap getuigend gedicht schreef daarin ook onvoorwaardelijk geloofde. Ik heb ergens geschreven dat niet de politici maar de dichters Suriname rijp hebben gemaakt voor de zelfstandigheid. Zij begeleidden het groeiproces, de bevrijding van binnenuit, zij slaagden erin de eigen Kra, onvertaalbaar, zoiets als de ziel, van het volk te ontdekken en te verwoorden. Door het ontbreken van kritische zin kreeg het gevoel, dat de aanzet moest geven maar vooral niet moest gaan overheersen, de overhand boven het nuchter, boekhoudkundig verstand, een behoorlijke winst- en verliesrekening werd niet opgemaakt. Ik weet nog hoe Dobru mij na een bezoek aan Noord-Korea, na Cuba een aantrekkelijk pelgrimsoord, opbelde en we samen in Americain gingen eten. We zaten aan het raam, Dobru was nog vol van wat hij daar allemaal had gezien en meegemaakt. Op een gegeven ogenblik stond hij van tafel op en begon hij met zijn welluidende stem, waarmee hij in Suriname altijd een gehoor wist te boeien, een lofzang op de grote leider Kim-Il-Sung te declameren.

De ommekeer kwam na de weerzinwekkende moord op vijftien vooraanstaande landgenoten in de nacht van 8 december 1982. De schok was groot, zo'n koelbloedige slachting was in Suriname tot aan dit moment onvoorstelbaar, dat was niet Surinaams werd er gezegd, alsof er voor Suriname andere maatstaven golden dan voor de rest van de wereld. Toen deze moordpartij korte tijd later gevolgd werd door een andere, maar nu op een aantal Bosnegers in het dorp Moiwana, werd die uitlating niet meer gehoord, het ongestraft moorden was inmiddels deel geworden van het eigen leefpatroon. Wat zich op 8 december afspeelde had natuurlijk een voorgeschiedenis. De luitenant Rambocus, die onverrichterzake een poging tot omverwerping van het Bouterse-regime had gedaan, werd berecht voor de krijgsraad. Een samenstel

[p. 179]

van vier advocaten, die elk een onderdeel van het verweer op zich hadden genomen, verdedigde hem. Diezelfde nacht, dus nog voor de uitspraak gevallen was, werden ze met elf anderen van huis gehaald, naar het Fort Zeelandia, dat als gevangenis dienst deed, gebracht, ondervraagd, gemarteld en vermoord. Onder de slachtoffers bevonden zich de oud-minister van Justitie Eddie Hoost, een verklaard tegenstander van de doodstraf, en Harold Riedewald, beiden advocaat, die de verdediging samen met twee anderen op zich hadden genomen. Het waren vrienden van me, ik had ze op de Rechtsschool, toen er nog geen universiteit was, zelf opgeleid. Beiden waren ze ook lid van het toneelgenootschap Thalia waar ik voorzitter van was. Hoost, ernstig, bedachtzaam, Riedewald, opgewekt, met een opvallend groot acteertalent. Bij mijn weten was het nog niet eerder voorgekomen dat de machthebbers, waar ter wereld ook, de verdachte te zamen met zijn verdedigers hebben vermoord. Er zijn gruweldaden in deze wereld die niet vergeten mogen worden, dit is er één van. De moord op de vier advocaten doet sterk denken aan die op drie rechters van het Hooggerechtshof in Ghana, het enige Afrikaanse land dat in Suriname, vanwege de oorsprong van de aangevoerde slaven, als geliefd referentiekader dient. In juni 1982, zes maanden na de coup van Flight Lieutenant Rawlings die hem aan de macht bracht, werden de drie vanuit hun huizen ontvoerd. Hun verkoolde lijken werden wat later dicht bij het terrein voor schietoefeningen van het leger gevonden. Het grote verschil tussen de beide moordpartijen is wel dat in Ghana, dankzij de grote opschudding onder de bevolking, een Bijzondere Onderzoeks-Commissie in het leven werd geroepen. Een rechtbank achtte vijf personen onder wie een lid van Rawlings' Voorlopige Regering, schuldig en veroordeelde hen ter dood, al bleef de hoofddader en aanstichter tot de moorden vermoedelijk buiten schot.

In Suriname daarentegen is er nog altijd geen onderzoek naar de moorden ingesteld, laat staan dat er van een berechting sprake is. Kort nadat het bericht van het drama in Neder-

[p. 180]

land bekend werd is er een herdenkingsdienst in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam gehouden. Een van de sprekers was minister Den Uyl, onder wiens bewind Suriname zijn onafhankelijkheid verkreeg. De tranen biggelden hem over de wangen toen hij het gehoor toesprak. Toen De Balie in Amsterdam mij uitnodigde een semi-documentaire over een brok contemporaine geschiedenis te schrijven nam ik dat verzoek met beide handen aan. Het werd De Tranen van Den Uyl. Als voorleesproduktie werd het op 8 december 1987 eenmaal in De Balie opgevoerd onder regie van Peter de Baan. Ik heb de figuur van Jozef Slagveer, een nationalistisch ingestelde journalist/dichter tot spil van het stuk gemaakt. Slagveer die onmiddellijk na de coup zich solidair met de sergeanten verklaarde en als het ware de spreekbuis van het nieuwe regime werd begon al vrij gauw daarna de ware op macht beluste aard van ‘Onze Jongens’ te doorzien. Dat heeft ertoe geleid dat hij tot een van de slachtoffers van 8 december is gaan behoren. Tegelijkertijd heb ik uit respect voor de moed en adeldom van de verdachte en zijn advocaten een beknopte authentieke weergave van de rechtszitting ingelast. Om niet alle vier verdedigers aan het woord te laten heb ik de quintessens van hetgeen zij aanvoerden door de advocaat Hoost laten zeggen. De tekst zoals in het programmaboekje opgenomen volgt hier.

Rechter:
Uw naam, leeftijd en beroep.
Verdachte:
Soerindre Rambocus, oud 23 jaar, officier, zonder beroep.
Rechter:
U hebt in februari met wijlen Professor Oemrawsing politieke gesprekken gevoerd?
Verdachte:
Ja, meneer de president
Rechter:
Waarover gingen die gesprekken?
Verdachte:
De gesprekken gingen over de toenmalige en de huidige situatie. De onderdrukking van de mensenrechten en andere slechte omstandigheden.
Rechter:
Zijn jullie overeengekomen om hieraan iets te doen?
Verdachte
Wij zijn toen overeengekomen om pogingen te onderne-
[p. 181]
men om in elk geval de democratie en het respecteren van de grond- en de mensenrechten te doen herstellen.
Rechter:
Wat waren, hielden die afspraken in?
Verdachte:
Die afspraken hielden in om de democratie te herstellen door die instanties, die de democratie vernietigd hebben uit te schakelen.
Rechter:
Uit te schakelen. Hoe dachten jullie die instanties uit te schakelen?
Verdachte:
Nou, de belangrijkste instantie die op dit moment het volk onderdrukt, dat is de legerleiding. En wij dachten door de legerleiding gevangen te nemen en de militaire objecten te bezetten er in elk geval een situatie zou ontstaan waarbinnen het volk in vrijheid zou kunnen handelen. Dan zouden verkiezingen kunnen worden gehouden en de grondwet weer in werking worden gesteld.
Rechter:
Hoe hadden jullie gedacht de legerleiding gevangen te nemen?
Verdachte
Gewoon, gevangen.
Rechter:
Maar je kunt iemand... hoe neem je iemand gewoon gevangen? U ging ervan uit dat uw organisatie zo perfect in elkaar zat dat er geen mogelijkheid was voor verzet?
Verdachte:
Wanneer ik op korte afstand van iemand sta en ik houd hem een wapen voor, dan, tenminste als hij verstandig is, verzet hij zich niet. En wij nemen aan dat de legerleiding verstandig is.
Rechter:
Ik kom nu terug op de gesprekken die u met professor Oemrawsing hebt gevoerd. Kunt u nader ingaan op de inhoud van de gesprekken.
Verdachte:
Wij bespraken de politieke situatie, hij gaf aan op welke wijze de democratie verkracht werd en ik van mijn kant beaamde dat er een onaanvaardbare situatie in het land bestond. Een situatie waarbij er geen uitzicht op verbetering was, omdat er geen enkele instantie was aan wie het militair gezag verantwoording
[p. 182]
verschuldigd was. Ik heb toen een vergelijking gemaakt, dat is ook een van de redenen waarom ik mij geschaard heb achter professor Oemrawsing. Ik heb hem voorgehouden dat de argumenten die momenteel worden gebruikt door de machthebbers om de democratie te bestrijden, in grote lijnen dezelfde argumenten zijn die in de jaren voor 1863 gebruikt werden om de afschaffing van de slavernij te voorkomen. En dat het volk in deze situatie met deze argumenten van zijn vrijheid beroofd was.
Rechter:
Bent u ervan overtuigd dat uw actie het enige middel was om tot realisering van uw doelstellingen te komen?
Verdachte:
Op grond van kritiek op de situatie ben ik uit het leger gezet en aangehouden geweest. Mijn opmerkingen werden gekwalificeerd als negatieve uitlatingen. In de regeringsverklaring van 1 mei 1980 was beloofd dat er in 1982 verkiezingen zouden worden gehouden. Gaandeweg werd duidelijk dat er op geen enkele manier werd gewerkt aan het realiseren van deze belofte. Integendeel, door het militair gezag zijn er uitlatingen gedaan dat er voorlopig geen verkiezingen komen. Er werd gewerkt aan een junta-model. Dat betekende voor mij dat men werkte in de richting van een dictatuur, voor zover die nog niet aanwezig was. Oprechte Surinamers die zich inzetten voor herstel van de democratie werden aangehouden, opgesloten en mishandeld. Dat was dan ook de reden dat op een bepaald moment geen andere uitweg overbleef dan tot actie over te gaan.
Rechter:
Ik heb verder niets te vragen. Het woord is nu aan mr Hoost voor het voordragen van zijn verdediging.
Hoost:
Meneer de president, mijne heren leden van de krijgsraad, het is in dit proces van het allergrootste belang om na te gaan, welk gezag wij op 11 maart 1982 in Suriname hadden. Was er toen sprake van een gezag dat gebaseerd was op de wet of hadden we toen een situatie waarbij enkele militairen de staatsmacht naar
[p. 183]
zich toe hadden getrokken en de macht met uitsluiting van anderen uitoefenden? In het Wetboek van Strafrecht staat duidelijk aangegeven wat moet worden verstaan onder wettige regeringsvorm of het in Suriname gevestigd gezag. Het hoeft geen betoog dat de wetgever een democratische rechtsstaat voor ogen heeft gestaan. Het behoeft evenmin betoog dat we momenteel niet kunnen spreken van een rechtsstaat. Op 25 februari 1980 werden de verkiezingen, die een maand later zouden worden gehouden, afgelast, de regering werd naar huis gestuurd, het parlement uiteengejaagd. Op 13 augustus daaropvolgend werd de toenmalige president ontslagen en de grondwet opgeschort. De staat, die bedoeld wordt in het Wetboek van Strafrecht, hield op te bestaan. De cruciale vraag is of men het misdrijf van samenspannen tot omverwerpen van het in Suriname gevestigd gezag pleegt, indien men handelt tegen de veiligheid van een militaire dictatuur. Het is ook niet zo dat de militaire machthebber kan aantonen dat hij zoveel maatschappelijk support geniet in dat hij krachtens mandaat van het volk zijn macht uitoefent. Integendeel, de pseudo-revolutie, die momenteel wordt gepropageerd, slaat niet aan.
Wanneer de regeermacht uitsluitend door het militair gezag wordt uitgeoefend en alle macht bij dat gezag berust, dan spreken wij van een militaire junta. Het is ondenkbaar dat de krijgsraad een militaire junta zal beschouwen als een legitieme regeringsvorm van Suriname. Een dergelijke beslissing zou in strijd zijn met wat in de rechtsovertuiging van ons volk leeft, zoals gebleken is bij de recente massale openbare samenkomsten en eisen dat het militair leiderschap moet worden losgekoppeld van het politiek leiderschap. Het streven van de verdachte om de democratische rechtsstaat te herstellen was enkel gericht op het voorbereiden van staatkundige veranderingen in algemene zin.
[p. 184]
Ten slotte doe ik een beroep op noodweer. Rambocus en de zijnen hebben gehandeld ter bescherming van de rechtsstaat die momenteel aangerand is en waarvan de aanranding steeds voortduurt. Wie is er vermoord, wie is er doodgeslagen? Het antwoord hierop kan ik u wel geven, maar de schuldigen staan zeker niet hier.
Meneer de president, mijne heren leden van de krijgsraad, ik concludeer dat de ten laste gelegde handelingen niet strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrecht en dat mijn cliënt daarom van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen.
Rechter:
Het laatste woord is aan de verdachte.
Verdachte:
Ik richt mij niet alleen tot u, meneer de president, leden van de krijgsraad, omdat deze berechtigingsprocedure niet alleen mij treft, maar allen in dit land zal raken die vrijheid en democratie wensen. Ik doe dit omdat elk van ons de plicht heeft de toorts van de vrijheid te dragen totdat ons ideaal, de vrijheid van dit volk en deze natie, bereikt zal zijn. Desnoods met opoffering van onszelf. Een eenmaal verworven vrijheid zal nooit ontvreemd mogen worden, noch door buitenlandse mogendheden, noch door eigen machten en krachten. Uit de recente geschiedenis is ons allen bekend hoe de parlementaire democratie hier heeft gefunctioneerd. Waarbij wij een misverstand uit de wereld willen helpen, dat niet de systemen onjuist zijn geweest, maar de mensen die er inhoud aan moesten geven. Democratie veronderstelt het bestaan van rechtsregels, voor iedereen in gelijke mate na te leven, zij geeft wel veel vrijheden, behalve die om de democratie omver te werpen. Niemand kan gedwongen worden tot samenwerking, die tot zijn eigen ondergang of slavernij leidt. (geroezemoes)
Rechter:
(slaat met de hamer op de tafel) Stilte, stilte. Anders ben ik genoodzaakt de zaal te doen ontruimen. (Tot verdachte) Gaat u door, verdachte.
[p. 185]
Verdachte:
Ik heb niets meer te zeggen.

Heb ik hier te lang bij stilgestaan? Horen de woorden van anderen in een egodocument thuis? Waarschijnlijk niet. Dat ik het desalniettemin doe komt omdat dit mij de gelegenheid geeft om de stem van een ander, minstens even waar Suriname te doen horen.

 

Het is verdrietig om te ervaren hoe sommige beminnelijke personen op het gebeuren van 8 december hebben gereageerd. Zo schreef Nola Hatterman, de Amsterdamse negro-fiele schilderes, die meer dan wie ook van Suriname hield en er ook blijvend was komen wonen, mij met een verwijzing naar de Franse revolutie dat daar nu eenmaal slachtoffers bij moeten vallen. Ik heb haar brief, die ook andere doodgewone zaken aan de orde stelde, niet beantwoord. Misschien is het toch waar dat liefde blind maakt.

prepostterug  begin  verder