terug  begin  verderprepost
[p. 186]

Kwatrijnen

Wat heeft mij ertoe gebracht om kwatrijnen te gaan schrijven? Zoals op de meeste vragen die speuren naar beweegredenen die niet expliciet zijn aan te geven, kan ik hierop geen afdoend antwoord geven. Wel kan ik aanvoeren dat ik al vrij vroeg er plezier in had om verzen te schrijven en ze gedrukt te zien. Op het gymnasium in Alkmaar waar ik grote moeite met wiskunde had uitte zich dat in een verzuchting, waarvan de eerste regels luiden:

 
Ik zit gebogen over kegelen en bollen
 
als vlinders dartelen ze om me heen,
 
we spelen krijgertje, ik moet ze pakken,
 
maar ik ben traag en pak er vast geen een.

Niet diep genoeg gebogen vrees ik, want op mijn eindexamen behaalde ik enen voor stereometrie en voor algebra, hetgeen een herexamen tot gevolg had. Daartegenover stond evenwel een vijf, het hoogste cijfer, voor mijn opstel Nederlands over egoïsme. Een snier is hier niet op zijn plaats. Het was geen vrije keus, ik mocht kiezen tussen vijf onderwerpen. (Wat jammer dat je zo'n persoonlijk geschrift niet terugkrijgt. Indien ongeschonden bewaard zou het prachtig hebben gepast bij dit ego-document.)

Het vers dat enige schimpscheuten van mijn wiskundeleraar Keyman uitlokte werd opgenomen in Rostra Gymnasiorum, een blad voor de gezamenlijke gymnasiasten van Nederland. Volledigheidshalve kan ik vermelden dat ik bij mijn herexamen, mijn score, mijn gemiddelde voor wiskunde dus, voor honderd procent verbeterde. De één voor stereo bleef een één, die voor algebra werd een drie. Opgelucht verliet ik Alkmaar om er in geen jaren meer terug te keren.

In een schoolvakantie heb ik een wandeltocht door de Eifel

[p. 187]

gemaakt samen met mijn neef Willy Pos, de latere directeur van de Amsterdamse toneelschool, en zijn vrienden Lou en Sally de Jong en Theo van Raalte, allemaal leerlingen van het Vossiusgymnasium. We sliepen in jeugdherbergen waar er 's avonds na het eten onder leiding van de jeugdherbergvader of -moeder gezongen werd. Natuurlijk moesten de leerlingen van het Vossius ook iets ten beste geven, waar ik me dan, voor zover ik de woorden en de wijs kende, bij aansloot. Wat hun bijdrage aan dit muzikale deel van de avond was weet ik niet meer. Het enige detail dat me van deze wandeltocht is bijgebleven is de ontmoeting met een spraakzame marskramer, die tot mijn verbazing Rothschild heette en zich zorgen maakte over de toekomst van de joden in Duitsland. Dat was ongewoon, joodse jongens als we alle vijf waren, klonk het in onze oren toch schromelijk overdreven, Hitler was toen nog een grote onbekende. Voor het overige was het een genoeglijke, zorgeloze tocht. 's Avonds, als ik mij los kon maken van het communale gezang, kon een verlaten pleintje mij in een romantische stemming brengen. Hiervan getuigt dit:

 
De maan
 
een kerkje
 
en een oude man
 
mooi is de maan
 
mooi is het kerkje
 
mooi is de oude man
 
mooier nog is de schoonheid
 
van maan, kerkje en oude man.

Deze regels heb ik voor me gehouden. Waarom ik ze onthouden heb zou ik niet kunnen zeggen. Nu ik ze opschrijf en erover nadenk zie ik er een aanloop in tot een samenvattend, kosmologisch denken dat verder reikt dan één en één is twee. Ik was in die tijd in de ban van J.C. van Schagens pantheïstische Narrenwijsheid. De regels ‘Ik had God en de wereld lief. Toen sprong mijn bretel los.’ verbraken voor mij het ingedamde van

[p. 188]

de poëzie. Ze hebben mij bovendien op het spoor gebracht van een levensopvatting die me erg aansprak. Nog altijd citeer ik te pas en te onpas zijn: ‘Ik ga maar en ben.’ In Leiden zal ik voor het studentenweekblad Virtus geregeld verzen inzenden. Al spoedig word ik dan lid van de redactie. Hoeveel redactievergaderingen, beurtelings in de kamer van een van de leden onder het genot van een goed verzorgde borrel, heb ik niet bijgewoond, hoeveel verzen heb ik niet laat op donderdagavond geschreven en dan op de vrijdagmiddagen voorgelezen en overlegd. Toch hebben een groot aantal zelfs dat stadium niet bereikt. Toen ik na de oorlog in januari 1948 naar Holland terugkwam vond ik in de bundel Leidse Studentenpoëzie, die zonder dat ik er iets van wist was uitgekomen, twaalf van mijn verzen afgedrukt. Plus een lovende recensie in de NRC die een vriend voor mij had uitgeknipt. Twee verzen moeten tot de verbeelding van mijn medestudenten hebben gesproken. Want nu nog kan het gebeuren dat een heer, die ik vanwege zijn gevorderde leeftijd nauwelijks meer herken, mij aanspreekt met de dichtregel

 
Annie-Marie heeft met haar mooie ogen
 
haar man en minnaar beî bedrogen

of, met een ondeugende twinkeling vanachter de brilleglazen, met de aanhef van de Repelsteeltje-aria

 
Ik klim
 
overal in.

Het is mogelijk dat ik daardoor op de idee ben gekomen dat dichters in het collectieve geheugen voornamelijk voortleven door slechts enkele regels.

Ik verbaas mij erover dat er voor de televisie geen quiz of hoe zoiets ook heten mag wordt gehouden, waarbij aan de deelnemers gevraagd wordt uit het hoofd regels van bekende dichters te citeren. Waarschijnlijk is dat niet praktisch uitvoer-

[p. 189]

baar, want de juryleden zouden dan over een fenomenale kennis van de poëzie moeten beschikken om stante pede het goed of fout te kunnen uitspreken. Maar toch, ook zonder quiz blijven de namen van de dichters in den volke alleen levend als er telkens en telkens weer een regel van hen wordt aangehaald. Nu moeten we het tot vervelens toe doen met de overbekende regels van Bloem en Vasalis in de overlijdensadvertenties, sedert zijn dood ook met Luceberts Alles van waarde is weerloos. Ik schrijf dit in Groet en neem me voor naar Bergen te fietsen en Michael Valeton van de Eerste Bergensche Boekhandel te vragen in welke dichtbundel deze regel voorkomt, omdat zij op het eerste gezicht en uit zijn verband gerukt net zo goed een stelling bij een antroposofisch proefschrift zou kunnen zijn.

Mijn relatie met Valeton is al van oudere datum. Doordat mijn gezin al meer dan vijfentwintig jaar een zomerhuisje in Groet bij Schoorl betrekt, kom ik op gezette tijden in de boekhandel. Dat heeft ertoe geleid dat Valeton in de in de huisdrukkerij vervaardigde serie Verdichte Heerlijkheid een door mij gemaakte keuze uit mijn studentenpoëzie heeft uitgegeven onder de titel Ik klim overal in. Ik moet eerlijk bekennen dat ik bij die gelegenheid de verleiding niet heb kunnen weerstaan een later geschreven vers ertussen te voegen, door welke onbetamelijke handeling ik, naar ik hoop, de kopers van het boekje eer een plezier dan kwaad heb gedaan.

Spielerei of niet, het schrijven van deze studentenpoëzie hield me bezig en het noemen daarvan hoort in dit ego-document thuis, omdat daarin bepaalde gevoelens, gedachten en stemmingen zonder vooropgesteld doel zijn geregistreerd. Want naast al het zorgeloze, romantische en overdreven treurige dat studentenpoëzie zo vaak kenmerkt en bij mij ook volop aanwezig was, klonk een enkele maal ook de reactie op wat om ons heen in de wereld aan het gebeuren was door.

Het lied van Orbo Orbini begint zo:

 
We hebben slechts in brute kracht geloofd,
[p. 190]
 
Orbo Orbini, jij was onze hoop

om dan over te gaan in

 
Orbo Orbini, was je dan geen held,

en vervolgens de afgang van de partner te bezingen.

Een nsb-blaadje nam het in zijn geheel over als schoolvoorbeeld van saloncommunisme, waarna Virtus dat artikel weer als voorbeeld van hun wijze van denken overnam.

Pornografische verzen hield ik in mijn la. Het moeten er hoogstens vier of vijf zijn geweest. Een ervan herinner ik mij nog:

 
Marie, als straks je lange hare haren
 
ontbonden liggen langs je lijf
 
en als mijn handen daarin dwalen
 
dan wordt mijn lid zo stijf, zo stijf,
 
dat als ie kon
 
hij tot 't plafond
 
zijn roze hoofd zou willen heffen.
 
Marie, Marie zullen we effe.

In de oorlog is er van gedichten schrijven niet veel gekomen. Evenmin van het lezen ervan om de eenvoudige reden dat de bundels daar waar ik was meestal niet voorradig waren. Wel heb ik, toen ik als kanonnier op de koopvaardij dienst deed - vier uur op, vier uur af - als het sluitstuk van het kanon open was vaak een van die kleine rode boekjes met een tragedie van Shakespeare in de loop van het kanon gelegd. Dat konden ze - de stuurman en de kapitein - van de brug af niet zien. We waren maar met z'n tweeën, Dim Vermeulen en ik en Shakespeare bezorgde me overdag tijdens het lange monotone over de oceaan turen onder de hete zon een welkome afleiding. In de oorlog wordt de meeste tijd voor de soldaten na hun training besteed aan eindeloos wachten tot er iets gebeuren gaat. Dat maakt dat de soldaat haakt naar het moment waarop

[p. 191]

hij wordt ingezet, de sleur wordt doorbroken. Zijn onwerkelijke leven als soldaat krijgt dan pas werkelijke zin. In de lange tussenperiode moet er angstvallig voor gezorgd worden dat de apathie niet toeslaat. Dat begreep de Amerikaanse legerleiding beter dan wie dan ook. Op Biak, het eiland in Nieuw Guinea, dat in 1944 door MacArthur op de Japanners veroverd werd en in korte tijd tot een groot legerkamp was opgebouwd, waren er zeker wel twintig openluchtbioscopen. Het doek was gauw gespannen en een ieder die wilde kijken sjouwde zijn eigen bankje mee. Een Japanner die zich in de bossen schuilhield heeft wekenlang vanuit zijn eenzame schuilplaats vanachter het doek van de Amerikaanse films kunnen genieten. Ik weet dat omdat, toen hij gevangen was genomen, er een dagboek op hem gevonden werd, waarin hij bijgehouden had wat hij gezien had en welke actrices hem het leven hadden veraangenaamd. Het waren trouwens niet alleen films die de soldaten moesten bezighouden, ook bekende comedians zoals Bob Hope en sexy lady crooners kwamen in hoogst eigen persoon optreden. Dan was er, en dat moet met ere vermeld worden, een rondrijdende bibliotheek. Je kon daar boeken in van die slappe kaften krijgen die je niet terug hoefde te brengen. Ik was in die tijd, deel uitmakend van het nica-detachement, toegevoegd aan de Amerikanen en kon dus van al die voorrechten profiteren.

Als ik nu terugdenk aan wat ik tijdens de oorlog gelezen heb en onder welke omstandigheden dat gebeurde, dan springen een paar momenten duidelijk naar voren. In de duinen aan het strand bij Duinkerken, toen bleek dat het niet mogelijk was om met de Engelsen mee over Het Kanaal te gaan, van Bernard Shaw A Black Girl in Search of God en van Michael Arlen The Nightingale of Berkely Square. Het waren boeken die de Engelse soldaten in hun overhaaste aftocht naar de kust hadden weggeworpen en die ik had opgeraapt. Dan Hamlet, Macbeth en King Lear tijdens het varen over de Caribische zee. Saroyan, Louis Bromfield en Scott Fitzgerald op Biak. Het zullen er wel meer zijn geweest, maar die zijn mij bijgebleven.

[p. 192]

Zoals ik ook nog weet dat ik in Suriname tijdens mijn officiersopleiding een lezing over Jan Greshoff voor de bond van Hervormde huisvrouwen heb gehouden, hetgeen erop wijst dat ik daar over een paar van zijn boeken en de gedichtenbundels de beschikking moet hebben gehad. Ik had trouwens vroeger een goed geheugen voor poëzie. Wel betrap ik mij achteraf op een paar slordigheden die ik me in de loop der jaren zo eigen heb gemaakt dat het me moeite kost om ze te moeten corrigeren. Het liedje begint eentonig te worden, de vijf voor Nederlands verdien ik allang niet meer. Op het gymnasium al bewonderde ik Marsman. Het gedicht ‘Lex Barbarorum’ met de slotregels

 
Allen die wegkwijnen aan een verdriet
 
verraden het, maar dat wil ik niet

werd een van mijn lievelingsgedichten. Maar wat heb ik ervan gemaakt? Niks geen wegkwijnen, dat vond ik blijkbaar zonder dat ik er erg in had te weeïg, te sikkeneurig, lijden werd het. En zo is ‘allen die lijden aan een verdriet’ mijn strikt persoonlijke versie van Marsman geworden.

 

Als de oorlog voorbij is en ik in 1950 goed en wel met mijn gezin in Suriname zit is er ook meer tijd om te lezen. Jaap le Poole, een vriend uit mijn studietijd, groot man uit het verzet, stuurt me vanuit Nederland geregeld boeken en tijdschriften toe. Nu ik Jaap zijn naam noem moet ik er wel even over uitweiden. Hij bezat wat zijn vrouw Corrie een profetische blik noemt. Twee bekende voorbeelden: als een van de weinige overheidsdienaren - er waren er meer dan tweehonderdduizend - weigerde hij in oktober 1940 de niet-joodverklaring te tekenen, wat zijn ontslag bij de Octrooiraad met zich meebracht. (Na de oorlog kleineerde hij dit moedige gebaar door te benadrukken dat hij zich dat kon permitteren omdat hij in goeden doen was.) En als lid van de Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid kwam hij in aanvaring met Drees over het

[p. 193]

Indië-beleid. Op 18 mei begon de tweede politionele actie en de dag daarop bedankten hij en Corrie voor de partij. Jarenlang krijg ik Tirade opgezonden, ikzelf ben in den beginne geabonneerd op de Groene en de weekeditie van de nrc. Heel langzaam doen zich scheuren voor in mijn hang om van alles wat in Nederland gebeurt op de hoogte te blijven. Ik zeg mijn abonnementen op, alleen Literair Paspoort waarin ik vooral geniet van de artikelen en recensies van de libertijn Jacques den Haan zal ik tot het einde toe trouw blijven. Ik begin weer de klassieken te lezen, herontdek Brero en Leopold. Terwijl ik wat de Nederlandse literatuur betreft in het verleden duik, speur ik de opkomst van de nieuwe literatuur in West-Indië af. Ik voel me actief betrokken bij deze golfbeweging, juich haar toe, steun haar daar waar ik kan en draag in het tijdschrift Soela een enkel vers bij. Het is vanuit deze betrokkenheid dat ik later, als ik in 1964 in Nederland ben komen wonen, in Het Parool over Surinaamse literatuur zal blijven schrijven. Tot daar de klad in komt. Karel van het Reve zegt op een goede dag tegen mij op de vriendelijk spottende toon die hij zich heeft aangewend dat hij mijn boekbesprekingen (over Surinaamse literatuur) nooit leest. Omdat, zegt hij, ik er altijd zo waarderend over schrijf. Het is maar al te waar. Mijn recensies zijn er meer op toegespitst om de lezers wegwijs te maken in een literatuur waar ze vooralsnog vreemd tegenover staan. Het was niet mijn bedoeling om andere dan de bij boekbesprekingen gebruikelijke maatstaven te hanteren. Maar wel schreef ik zelden of nooit een recensie over een boek of gedichtenbundel die ik zelf niet de moeite waard vond. Daardoor kon de suggestie ontstaan dat ik alles wat uit een Surinaamse pen vloeide aanprees. Toch was Van het Reves reprimande, hoe mild ook verwoord, terecht. Een criticus moet het veld wieden, dat is zijn functie, dat wordt van hem verwacht. Het kan niet de bedoeling zijn dat hij zich tot de orchideeënkas beperkt.

Dit ingezien hebbend verschoof ik mijn activiteiten op dit gebied. Dat hing ook samen met mijn groeiende belangstel-

[p. 194]

ling voor de literatuur en geschiedenis van Japan, voor zover die in het Engels of Frans te kennen was. De vele voortreffelijke vertalingen en studies hebben deze laat ontstane liefde alleen maar vergemakkelijkt. Tot vandaag houd ik in Trouw als recensent de belangrijkste boeken die in vertaling uitkomen bij. Reizen in de landen van het Verre Oosten heeft daarbij ongetwijfeld een rol gespeeld. Ik mag mij dan in hoofdzaak op de literatuur van Japan hebben geconcentreerd, mijn reizen besloegen een veel ruimer gebied, Afghanistan, Nepal, India, Sri Lanka, Maleisië, Indonesië, Thailand, Viëtnam. China ontbreekt op dit lijstje. Omdat ik eerst laat ben begonnen met reizen naar deze gebieden besloot ik om het onmetelijke China er buiten te laten. Als men me vraagt waarom ik China heb overgeslagen, zeg ik dat ik dit land wil bewaren voor een volgend leven. Merkwaardig dat niemand me ooit vraagt of ik in dat geval als Chinees dan wel als toerist in dat land wil verkeren.

 

De vraag waarom juist kwatrijnen heb ik ondanks deze lange aanloop nog niet beantwoord. Het kan zijn dat ik van jongs af aan de kwatrijnen van Omar Khayyam in de vertaling van Fitzgerald bewonderd heb, en dat nog meer ben gaan doen nadat ik de vertalingen/bewerkingen van Boutens en Leopold gelezen had, die hem daarmede hebben ingelijfd binnen de Nederlandse literatuur. De kwatrijnen van Leopold onder Oostersch zijn voor mij nog altijd scheppingen van het hoogst bereikbare in dit genre. Van de kwatrijnen van Jacob Israël de Haan, die te zamen een soort levensverhaal vormen, zijn er een paar bij die me tot vandaag de dag zijn blijven boeien. Hier en daar, links en rechts, in allerlei talen vind ik kwatrijnen van bijzonder gehalte, maar ik zou niet zo gauw een bundel kunnen noemen die van invloed op mij is geweest. Ergens, ik weet niet meer waar, las ik dat het kwatrijn wijsheidspoëzie wordt genoemd. Het is in zijn algemeenheid natuurlijk niet waar, maar er zit iets in. In de vier regels moet de dichter aangeven waar het om gaat, hij kan geen luchtspie-

[p. 195]

geling oproepen en het daarbij laten. Wat hij zeggen, uitdrukken wil, mag nog zo diep of beeldend zijn, hij zal het binnen de luttele vier regels moeten afronden. Uitweiden is er dus niet bij en juist deze beperking, dit schijnbaar gekortwiekt zijn, maakte dat deze versvorm mij leek te passen. Geen lyrische bevlogenheid meer, geen ijle cryptische rookwolken, geen gesol met de tijd en de dood, mijn leeftijd laat dat niet toe, ze wil, juist omdat haar speelterrein dagelijks meer en meer inkrimpt, de haar gegeven ruimte ten volle benutten. Mijn kwatrijnen zijn mededelingen, berichten, het verklappen van geheimen die ik niet langer voor me wil houden, fluisteringen over trouw en ontrouw, afscheid, nu al, bij mijn volle bewustzijn, voordat ik afreis. Met kennelijk plezier las ik in het themanummer ‘Vertalen’ van De Gids (juli 1993) wat W.L. Idema schrijft over Bai Joyi (Po Tsju-i-):

‘Hij cultiveerde welbewust een heldere, eenvoudige stijl. Volgens de latere overlevering las hij zijn gedichten voor aan een oude dienstbode en gaf hij ze pas in het licht wanneer zij ze begreep.’ Nu lees ik meer dan eens dat een recensent over een gedicht schrijft: Ik vind het wel mooi, maar ik begrijp het niet. Ik kan daar wel inkomen, maar een kwatrijn vraagt nu eenmaal om een minder toegeeflijke benadering.

Mijn vriend Leo Verbeek heeft op zijn eigen pers tot twee keer toe een boekje met twaalf kwatrijnen voor mij in elkaar gezet, heel mooi met tekeningen van de Surinaamse schilder Erwin de Vries. De ene keer betrof het kwatrijnen die met Suriname te maken hadden, de andere keer hadden ze een licht boeddhistische inslag. En uiteindelijk is het zover gekomen dat In de Knipscheer na lang soebatten mijnerzijds een bundel heeft uitgebracht onder de titel Een uitroep zonder uitroepteken.

 
ik hijgde: leven, leven, leven,
 
als ik naar bed moest ben ik opgebleven
 
tot ik erachter kwam: ‘La Vida breve’,
 
hooguit een uitroep zonder uitroepteken.
[p. 196]

In 1993 is er een bundel Nestoriaanse kwatrijnen ook bij In de Knipscheer verschenen. Ze was in mijn ogen niet als een treurzang bedoeld, ze was eerder geënt op Van Ostayens Marc groet 's morgens de dingen: ‘Dag visserke vis met de pijp.’ Omdat deze dichter al oud is klinkt zijn geluid vanzelfsprekend alles behalve fris en kinderlijk, hij ontdekt de wereld niet, integendeel, hij moet telkens zijn herinnering te hulp roepen om de dingen te kunnen begroeten. Daarbij maakt hij gebruik van de dichters/schrijvers die hij op zijn weg is tegengekomen en die hem een eind weegs hebben begeleid.

Het is een bont gezelschap: Du Fu, Rûmî, Paul Celan, Van Schagen, Catullus, Van Ostayen om er een paar te noemen. De titel van de bundel was, zoals te verwachten: Voordat ik Afreis.

 
Voordat ik afreis, Charon, heel licht, handbagage,
 
de boedel opgedeeld, de leeftocht weggedaan,
 
gun mij een laatste blik als zwermen ganzen
 
in V-formatie naar het zuiden gaan.

Het frappante is dat een uitvaartverzekering, die van ‘Is er nog koffie na de dood’, vijf kwatrijnen van de uitgeverij heeft gekocht en die in een magzine heeft opgenomen. Daarentegen wilde mijn oude vriend René Borgerhoff Mulder, die de goede gewoonte had om tegen de kerst tien verhalenbundels van mij aan te schaffen en die, voorzien van mijn handtekening en een passend zinnetje, aan zijn diverse vriendinnen te sturen, dit keer er niets van weten. Hij vond de kwatrijnen, de titel al, te morbide. Ik ben niet in de voetsporen van Rudi van Lier getreden, die, onovertroffen causeur als hij was, zich een zelfbeperking oplegde:

 
Uit vrees mijn eigen stem te horen
 
droomde ik meer gedichten dan ik schreef.

Het gebeurt nog altijd dat regels mij invallen, die ik, naargelang van de plaats waar ik mij bevind, op een vel papier, in

[p. 197]

mijn agenda, op een bierviltje desnoods noteer. Een zeldzame keer heb ik het kwatrijn kant en klaar cadeau gekregen en hoefde ik het daarna alleen maar wat bij te schaven. Veel reacties krijg en verwacht ik niet, al zou ik dat niet onprettig gevonden hebben. Ik was verheugd toen Cola Debrot, die zelf een paar autobiografische kwatrijnen op zijn naam heeft staan, mij uit het Rosa Spier Huis opbelde en zei dat hij getroffen was door een kwatrijn dat hij in Avenue Literair had gelezen. Hij las het me langzaam voor,

 
De oorlog, schei toch uit, wat doe ik met die shit,
 
ik deel mijn leven in, ervóór, erná,
 
als iemand, vraagt wat of er tussen zit
 
toon ik een foto waar ik niet op sta.

en toen kwam het mij voor dat niet ik, maar hij het geschreven had.

Ik zou graag zien dat de mensen in Suriname mijn verhalen en verzen lazen. Maar ik denk niet dat dat gebeurt. Per slot van rekening ben ik pas begonnen met schrijven toen ik al jaren hoog en droog in Holland zat. En daar komt de inflatie en de deviezenschaarste bij die de aanschaf van boeken uit Nederland prohibitief maakt. Toch merk ik, als ik af en toe word uitgenodigd om iets voor te lezen, dat mijn werk bij een Surinaams publiek aanslaat. Er wordt dan van harte gelachen en vaak, ook als er niet te lachen valt, lach ik mee. Wisselwerking heet dat. For better for worse.

prepostterug  begin  verder