terug  begin  verderprepost
[p. 198]

Demonen

 
Ik vroeg mijn goeroe: ‘Waar ontspringt de droom,
 
in mij of buiten mij, of is er soms een zone,
 
een onderduikadres voor mij en mijn demonen,
 
met water gas en licht, tv, een zachte dood?’

Ik heb totnogtoe mijn best gedaan om mijn gedachten en gevoelens weer te geven over recht en rechtspraak tijdens en vlak na de oorlog. Ik heb me daarbij zoveel mogelijk beperkt tot die werkzaamheden in Nederlands-Indië/Indonesië en Japan waarin ik een persoonlijk aandeel heb gehad. Dat mag dan geen objectieve geschiedschrijving opleveren, het wil toch iets meer zijn dan een cri du coeur. Er zijn inmiddels tientallen jaren verstreken, meer kennis is opgedaan, nieuwe inzichten zijn verworven. Wat blijf ik dan nog doorzeuren over fouten die in een bijna vergeten, afgedaan verleden zijn begaan. De geschiedenis heeft haar loop genomen en kan niet worden teruggedraaid, veel van wat we dachten en deden heeft een totaal andere uitkomst gekregen dan waar wij op uit waren. Maar juist omdat ik geen politicus ben en me niet met de grote, forse lijnen van het wereldgebeuren hoef bezig te houden, blijf ik me buigen over het kleine gebied dat ik omvat, waaromheen ik met krijt een cirkel kan trekken en het als mijn territorium afbakenen. Dit is dan mijn atol dat straks met mij in de diepe zee van de vergetelheid mag verzinken. Juist uit dit weerbarstig gevoel van tot het laatst toe trotseren, niet capituleren, niet weerloos willen zijn, ben ik de confrontatie met een bepaald brok uit mijn verleden niet uit de weg gegaan. Het is mij om het even als anderen dat als een vorm van masochisme, een behoefte tot zelfkwelling, zullen duiden. Het is geen afgesloten terrein, mijn bezoekers, ik heb het nu over mijn nachtelijke bezoekers, lopen in en uit. Soms blijven ze maandenlang weg en dan vraag ik me af waar ze

[p. 199]

gebleven zijn. Het is niet zo dat ik hun bezoek op prijs stel, het is meer dat ik eraan gewoon ben geraakt. Een van de vaste bezoekers is Oemar, tegen wie ik vijftig jaar geleden, nog tijdens de oorlog, op Tarakan de doodstraf heb geëist. Terwijl ik ouder geworden ben is hij, net zomin als de anderen, door de tijd aangetast. Als hij nu nog geleefd had zou hij, hij was maar een paar jaar jonger dan ik, nu om en nabij de vijfenzeventig jaar zijn geweest. Maar de Oemar die mij bezoekt loopt kaarsrecht en kan niet veel ouder zijn dan twintig. In mijn droom hangt niet de sfeer van Amicitia, een oude herensociëteit, het is een uitermate jeugdig gezelschap, dat alleen opvalt door hun zwijgzaamheid. Vreemd blijft het dat ze in Suriname, waar ik tot 1964 gewoond en gewerkt heb, niet opdoken. Ze hebben ermee gewacht tot ik op mijn vijftigste in Holland ben komen wonen. Waarom weet ik niet. Het klimaat voor spoken was in Suriname toch uiterst geschikt. Mijn overleden vader heeft volgens betrouwbare ooggetuigen nog lang boven in ons oude huis gespookt, het zou dus helemaal niet zo vreemd geweest zijn als zij zich daar ook hadden gemanifesteerd. Het komt niet bij me op om de hulp van exorcisten in te roepen, ik beschouw mijn bezoekers zeker niet als boze geesten - spoken vind ik eigenlijk een rotwoord dat afbreuk doet aan hun verschijning - die uitgebannen moeten worden. Ik heb het kwatrijn, waarmee dit hoofdstuk opent, geschreven zonder mij af te vragen wat ik daar nu precies mee bedoelde. Uit de vragende vorm blijkt dat mij dat op dat moment niet helder voor ogen stond. Dat doet het nog steeds niet.

 

Soms is het nuttig om van de goede gewoonte af te wijken die voorschrijft dat een gedicht voor zichzelf moet spreken en geen uitleg van de dichter behoeft. Die wegomlegging ben ik ingeslagen. De helpende hand is mij daartoe geboden door de journalist Max Pam, die mij in twee opeenvolgende middagen een interview heeft afgenomen. Het is gepubliceerd in de NRC van 5 mei 1984 en nadien opgenomen in zijn boek Interviews.

[p. 200]

Daarin is niet meer de jongeman, die ik in voorgaande hoofdstukken aan het woord heb gelaten, bezig zijn wereldbeeld uiteen te zetten, maar een tientallen jaren oudere man die terugblikt en zich afvraagt wat het allemaal voor hem te betekenen heeft gehad.

 

‘Was de oorlog, vraag ik (Pam) hem, tot dan kinderspel geweest?’

Hij zegt: ‘De oorlog werd voor een belangrijk deel door jonge mensen gevoerd. Het is een bloedig Kinderspiel. Ik heb het nu niet over da generaals en de burgerslachtoffers, maar in de troepen zelf zit een enorme vitaliteit en levenslust. Anders zou je geen oorlog kunnen voeren. Oude zakken zouden er snel mee ophouden, dat kan ik u verzekeren, terwijl zij toch minder te verliezen hebben. De paradox heeft mij altijd beziggehouden. Je bent jong, je hebt een heel leven voor je en toch neem je gemakkelijk risico's die je dood kunnen betekenen. Ik ben oud, ik heb niets meer te verliezen, maar toch steek ik heel voorzichtig de straat over. De vraag waarom jonge mensen minder doodsangst hebben dan ouderen heb ik nooit helemaal kunnen beantwoorden. Door het werk dat ik in Nederlands-Indië heb gedaan is er in mijn leven een breuklijn ontstaan, waardoor ik heel anders ben gaan denken. Je gaat je plotseling realiseren dat je je ogen eigenlijk nooit goed open hebt gedaan. Je geneert je niet voor het verleden, je gaat het verleden alleen anders bekijken. Je komt erachter dat onwetendheid de ergste kwaal van alle dingen is en eigenlijk kun je je niet verschuilen achter onwetendheid. Je had het behoren te weten, als je je maar behoorlijk in de zaken had verdiept.
Op een paar eilanden nam het Nederlands gezag vanaf 1944 de zaken over. Wij stonden voor de taak te beoordelen wie betrouwbaar was geweest. Wie had mensen verraden? Wie had gemarteld? Mijn grootste zorg was dat ik geen rechterlijke ervaring had. U moet zich voorstellen: een student die pas was afgestudeerd en die nu plotseling de verantwoordelijkheid kreeg om straffen te eisen, die liepen tot en met de doodstraf.’
[p. 201]
- U had kunnen weigeren.
‘Natuurlijk had ik dat kunnen doen. Dat is juist wat ik probeer helder te maken. Maar ik verkeerde in de overtuiging dat het zo hoorde, dat de Indonesiërs die met de Japanners gecollaboreerd hadden de vijanden van de geallieerden waren. En de geallieerde zaak was de goede zaak. Ik heb pas later, toen de politionele acties kwamen, ingezien dat de zaak gecompliceerder was. Ik praat mijzelf niet goed. Het is altijd een groot probleem voor mij geweest.’
- Hoe vaak heeft u de doodstraf geëist?
‘Vijf keer. Vijf keer is genoeg voor een mens. Je kunt zeggen: uiteindelijk is niet de aanklager maar de rechter verantwoordelijk voor het oordeel, maar dat is een gemakkelijke redenering. Wij gingen eenvoudig te werk. Was het schandelijk wat iemand gedaan had, dan kreeg hij straf; was het heel-heel schandelijk dan kreeg hij de doodstraf.’
- En de doodstraffen die u geëist heeft, zijn ook overeenkomstig uitgesproken?
‘Alle vijf.’
- Dat houdt u bezig?
‘Het is lang geleden, maar het houdt mij bezig. Ik leef ermee, ik slaap ermee, ik heb het nooit kunnen vergeten. Over vier van hen wil ik het niet hebben, maar de vijfde tegen wie ik de doodstraf heb geëist, zie ik nog voor mij. Een jongen met een harde kop, een soort skin-head. Die eis is onterecht geweest. Ik heb hem geadopteerd als mijn zoon in de nacht. Mijn stiefzoon. Zo goed ken ik hem. Ik heb met hem gesproken, niet toen, maar daarna in mijn dromen.’

Kort voordien in datzelfde jaar, 1984, heb ik in Bangkok Charan Singh, de goeroe van Paul Storm, horen spreken. Na alles wat Paul me over hem had verteld was ik benieuwd om hem te ontmoeten. Jammer genoeg sprak hij twee uur lang in het Bengali, zodat ik, hoewel ik van de gastheren vlak vooraan in kleermakerszit op een kussen mocht zitten, er niet veel wijzer van werd. Daags daarna kwam ik ten huize van een

[p. 202]

Indiase volgelinge van de goeroe met een eveneens overtuigde jonge Deen - Björn - in gesprek. Het was een van die avonden waarbij, onder het nuttigen van pikante versnaperingen, van allerlei aan de orde komt, dat anders gemaks- of beleefdheidshalve zeker onder vreemden verzwegen wordt. Het gesprek voerde van The Mind, waar alles volgens Björn om draaide, naar het Hier en Nu. Ik zei toen dat bepaalde gedachten uit het verleden mij bleven achtervolgen. Het woord demonen viel. Björn, ik zie hem nog voor me, schudde zijn hoofd met zijn blonde lokken, die in Thailand nog blonder leken dan ze al waren, veerde op uit zijn lotushouding en riep me toe, alsof hij mij door elkaar wou schudden: ‘Chase them away’. Daar zit iets in, er is een hele boel voor te zeggen, het maakt zelfs deel uit van een intrigerende oosterse filosofie, maar hoe zou ik, gesteld dat ik dat zou willen, mijn stiefzoon de deur kunnen wijzen?

prepostterug  begin  verder