Soms sterft een schrijver, die een onafgemaakte roman achterlaat, zoals bijvoorbeeld bij Bernard Malamud het geval was. Het boek zou The People moeten heten en hij had er al zestien hoofdstukken van geschreven toen hij aan een hartverlamming stierf. Hoe het verhaal van de joodse marskramer die door een Indiaanse stam tot opperhoofd werd gekozen verder zou verlopen weten we desondanks toch min of meer, want hij had het schema voor de vijf hoofdstukken die nog komen moesten al schetsmatig aangegeven. Het boek is later uitgebracht met een voorwoord van zijn uitgever Robert Giroux. Daarin vertelt hij dat Malamud in een lezing heeft verklaard: ‘I would write a book or a short story, at least three times - once to understand it, the second time to improve the prose, and a third to compel it to say what it must say.’ Toen ik deze uitspraak las viel het me op dat ik in mijn werkzame leven als rechter bij het schrijven van civiele vonnissen - concipiëren heet dat - dezelfde werkwijze heb toegepast, met uitzondering dan van het verbeteren van de stijl, omdat dat er, mits begrijpelijk voor de ingewijden, niet zoveel toe deed. Een enkele keer bracht het onderwerp mee dat ik aan het proza meer aandacht moest besteden. Toen een vrouw, sarrensmoe, een pispot met inhoud in de richting van haar ex-vriend had gegooid, waardoor deze met het vocht in zijn gezicht bespat werd en de officier van Justitie mishandeling ten laste had gelegd, sprak ik de vrouw daarvan vrij. Met de motivering dat de handelwijze van de vrouw geen mishandeling, maar misschien wel belediging opleverde. (Terzijde: Deze uitspraak is met vermelding van de naam van de rechter die het vonnis wees in de gepubliceerde jurisprudentie terug te vinden.)
Maar er zijn vaak gevallen waarbij de schrijver geen aantekeningen heeft nagelaten waaruit de afloop van de geschiedenis kan worden gedistilleerd. Een goed voorbeeld daarvan is
de prachtige psychologische roman Light and Darkness van de Japanse schrijver Natsume Soseki. Het verhaal verscheen in 1916 als dagelijks feuilleton in een van de grote Japanse kranten. Toen de auteur op negenenveertigjarige leeftijd stierf had hij het grootste deel van de roman al voltooid. De karakters van de vijf hoofdfiguren, de man, zijn vrouw, zijn zuster, zijn weldoenster en zijn vriend waren uitputtend getekend. Tussen de man en zijn vrouw, die probeert zijn liefde te winnen, staat een vroegere geliefde, die abrupt haar verloving met hem verbrak en met een ander trouwde. Hij, egoïstisch en niet in staat zich in anderen in te leven weet niet waarom. Zijn kritische zuster en zijn weldoenster, de vrouw van zijn baas en een echte bemoeial, zijn van alles op de hoogte en porren hem ieder op hun eigen manier aan om uit die duistere cocon van zelfgenoegzaamheid te stappen. Een door zijn weldoenster in elkaar gezette ontmoeting met zijn vroegere geliefde in een badplaats, waar hij na een operatie gaat kuren, zal de oplossing moeten brengen. Maar die komen we niet te weten. De auteur heeft geen aantekeningen achtergelaten. Dat het verhaal ten einde liep is evenwel op te maken uit het psychologische spanningsveld dat hij inmiddels gecreëerd had en dat om een oplossing vroeg. Het boek, dat in Japan nog altijd gretig wordt gelezen, houdt de gemoederen daar nog steeds bezig. Light and Darkness, de geliefde zou het licht moeten zijn tegenover de duisternis waarin de man en zijn vrouw, die op haar manier ook egoïstisch is, verkeren. Jammer genoeg is zij de enige persoon van wie we nauwelijks iets te weten komen. Ze komt pas op in het laatste gedeelte van het onaffe boek. In 1990, bijna vijfenzeventig jaar na het eerste verschijnen, heeft een in Amerika opgegroeide Japanse, Minae Mizumura, gepoogd om aan alle speculaties een einde te maken door een roman te schrijven die de afgebroken lijn van het verhaal vervolgt, waarbij ze de geliefde van een roerloze dea ex machina tot een warmbloedige vrouw maakt. Helaas heb ik het boek niet kunnen lezen want het is in het Japans geschreven en totnogtoe niet vertaald.
Het moet geen eenvoudige opgave zijn geweest, de meningen zijn immers verdeeld. Sommigen zien bijvoorbeeld juist in de vrouw van de man een zelfzuchtig karakter. De vertaler van deze ‘unfinished novel’, H. Viglielmo, vergelijkt haar daarentegen vanwege haar doelgerichtheid met Scarlett O'Hara, de heldin uit Gone with the Wind.
Je moet de nodige lef hebben om zo'n vervolgroman te durven schrijven. Een schrijver put nu eenmaal uit zijn eigen leven, of het nu reëel of imaginair is doet er niet toe. Het zijn de beelden die hij voor zich ziet, met zich meevoert, die uit hem opwellen, het zijn geen rekwisieten waarmee hij het toneel naar goeddunken kan opvullen. Ik moet aannemen dat de schrijfster zich zo in het werk en de levensloop van de door haar bewonderde auteur had ingeleefd, dat ze kon aanvoelen in welke richting hij de ontknoping had willen aansturen. Toch blijft een levensgroot vraagteken overeind, gelet op de absolute vrijheid van een schrijver om op zijn schreden terug te keren en een onverwachte wending aan zijn verhaal geven. En in dit geval was de kans daarop des te groter, nu het karakter van de geliefde vrouw nog in het geheel niet belicht was.
Waarom schrijf ik dit allemaal? Is het omdat mijn leeftijd het met zich meebrengt dat ik het niet kunnen afmaken van iets waarmee ik bezig ben als uiterst gewoon en regulier ga beschouwen? Is het een vingerwijzing dat ik naar de notaris behoor te gaan, orde op zaken moet stellen, bepaalde compromitterende brieven dien te verscheuren? Ik ervaar een lichte binnenpret als ik eraan denk dat, als het zover is, deze autobiografie in wording, die op verzoek en met subsidie van het Fonds van de Letteren wordt geschreven, dan een overhaast einde zal hebben gevonden. Juist omdat ze niet in chronologische volgorde is opgezet zal het onaffe produkt niet domweg kunnen worden afgedaan met de mededeling dat ze de jaren van 1913 tot laat ons zeggen 1963 beslaat. Er is dus haast bij, ik mag er geen vijf of tien jaar over doen. Ik stel mijzelf, hoewel ik weet dat het dwaas is en dat ik niet over
lot en levensduur beschik, in overleg met mijn uitgever een bepaalde tijdslimiet. En terzelfder tijd besef ik dat ik niet anders aan het doen ben dan een soort patience met mijn herinneringen te spelen, de ene haal ik naar voren, de andere schuif ik weg, keer ik om, bewaar ik voor later. Het komt mij voor dat ik bij het schrijven van mijn verhalen heel anders te werk ben gegaan. Niet het naderend eind van het leven stond me voor ogen, integendeel, door de verhalen te schrijven verschoof ik dat eind telkens weer van verhaal tot verhaal. In de rol van Scheherazade hield ik mijzelf uit de slaap, uit de dommeling van het vergeten. Met een autoped stepte ik door mijn jeugd, met auto en trein reed ik naar mijn werk, op de fiets beweeg ik me, toen dat achter de rug was, door de jaren die me resten. De curven van al dat bewegen probeer ik aan te geven in mijn verhalen, als het muzikale composities waren geweest zouden ze gevarieerd hebben van molto allegro tot adagio molto.
Mijn verhalen, goed of slecht, zijn allemaal uit mij voortgekomen, bedacht met iets van mijn lichaamsgeur er nog in. Ik kan me eenvoudig niet voorstellen dat iemand daar iets aan zou willen veranderen, laat staan toevoegen. De idee alleen zou me al kribbig maken. Ik heb nooit een roman geschreven, mis de aandrift en het vermogen daartoe. Wel komen in mijn verhalen bepaalde personen en situaties voor die in deze autobiografie wederom verzeild zijn geraakt. In een ietwat andere vorm, dat geef ik toe, verminkt of opgetuigd, al naar het uitkwam en vaker nog door elkaar gehusseld. Nabokov heeft erop gezinspeeld dat een autobiografie een soort hervertelling is, ‘autoplagiarism’, en daar ben ik het hartgrondig mee eens. Bepaalde achtergronden en belevenissen zijn aanleiding tot het verhaal, eenmaal op gang gekomen volgt het zijn eigen groei, achterhaalt en passeert het voormalig gebeuren.
Omdat veel van mijn verhalen in de ik-vorm zijn geschreven ligt het voor de hand om daaruit een scherp omlijnd beeld van de schrijver te willen putten. Dat kan aanleiding geven tot spitsvondige conclusies, maar ik acht een gepast wantrouwen
meer op zijn plaats. Met instemming las ik wat Menno ter Braak in een gesprek met de letterkundige G.H. 's-Gravesande heeft gezegd: ‘Men zal waarschijnlijk wel zeggen dat de leraar Dumay uit mijn roman identiek is met de leraar Ter Braak; ik zou daar bij voorbaat op willen antwoorden dat zelfs de meest autobiografische romanfiguur altijd nog meer van de schrijver tracht te verbergen dan te onthullen.’ Aangezien ik pas laat begonnen ben met het schrijven van verhalen verkeer ik in een volstrekt andere positie dan een jong en veelbelovend auteur. De hoeveelheid stof die ik, als ik dat zou willen, te verbergen heb, is meters hoger dan van een schrijver van om en nabij de dertig jaar. Toch is het verschil van vijftig jaar niet doorslaggevend, want inmiddels is er veel zo diep weggezonken en begraven dat het niet meer aan de oppervlakte kan komen. Haat, liefde, jaloezie, wantrouwen, angst, vrees, ze lieten allemaal sporen na, maar op mijn schaal van Richter zijn de aardschokken, anders dan bij jonge mensen, slechts met grote moeite af te lezen.
Ik heb een man van mijn leeftijd gekend die ervoor ging zitten om smakelijk over deze pijnplekken te kunnen vertellen. Eerst dacht ik dat hij zich daarmee van een op hem drukkende last wilde bevrijden. Toen ik evenwel merkte dat deze verhalen tot zijn vaste repertoire gingen behoren heb ik mijn mening gewijzigd. De man, bij lange na niet dement, heeft de pijn overleefd en is daar trots op. Hij is als overwinnaar uit de strijd gekomen en geniet nu van het respect voor zijn Ausdauer, zijn draagvermogen, dat zijn toehoorders hem schenken. Ik wil niet zijn zoals hij, ik zou mezelf liever een zwijgplicht opleggen en desondanks ben ik bij het schrijven in de valkuil terecht gekomen die ik getracht heb te vermijden. Eerst werd ik dat niet gewaar, zo afstandelijk als ik mijn leven heb trachten in te richten, zo heb ik ook mijn verhalen op papier willen zetten. Een levenshouding die door het wisselend tij - de oorlog daargelaten - niet al te zeer werd beroerd. Moderato zal ik maar zeggen. Dan, een paar jaar later bij het herlezen van een verhaal valt het me op dat achter de
welgeordende zinnen iets van een emotie schuilgaat dat zich naar de oppervlakte dringt. Hoe is het mogelijk vraag ik me af dat ik dat bij het schrijven niet gemerkt en tijdig bedwongen heb. Ik was toch niet in een roes, niet onder hypnose, of onder invloed van lsd. Dat het leven zich niet stoort aan de minimale ordening die ik nastreef weet ik maar al te goed.
Ik vermoed dat mijn voorliefde om de emotie in mijn verhalen zoveel mogelijk te temperen ontstaan en gegroeid is door het schrijven van boekbesprekingen, eerst in Het Parool en later in Trouw. Het is een jarenlange training geweest eer dat ik zelf aan het schrijven van verhalen begonnen ben. Als je van jongs af aan van lezen houdt en dientengevolge vrij veel, al is het los en vast, gelezen hebt en dan tot het free-lance ambt van recensent wordt geroepen, voel je je weliswaar niet als een vis in het water, maar toch wel op bekend terrein. Ik weet maar al te goed dat ik geen baanbrekend criticus ben geworden, behalve waar het de opkomst van de Surinaamse literatuur betreft. Ik zag mijn taak meer als voorlichter, omdat ik voornamelijk boeken recenseerde uit of over voor Nederland vreemde culturen zoals India en Japan. Leidraad was voor mij de opvatting dat een recensent zich niet moet laten leiden door het rumoer dat soms rondom een schrijver op gang komt. Toch ben ik in het geval van Salman Rushdies Satanic Verses daarvan afgeweken. Ik schreef mijn recensie nog voordat de fatwa over hem werd uitgeroepen, maar wel nadat de eerste rellen en boekverbrandingen in Engeland hadden plaatsgevonden. Als de recensie een paar weken later was geschreven zou de toon daarvan vast en zeker feller en nog meer verontwaardigd zijn geweest, hetgeen de beoordeling van het boek naar de tweede plaats zou hebben verdrongen. Aanhef, middenstuk en slot van de recensie (Trouw, 24 november 1988) volgen hier.
De naam Salman Rushdie is door de luidruchtige oppositie van bepaalde islamitische groeperingen ineens voorpagina nieuws geworden. Hij kreeg voor ‘Satanic Verses’ de Whitbread-
prijs, maar die Engelse literaire onderscheiding heeft de kritiek in India niet verstomd. Integendeel, het boek werd verboden omdat het ‘blasfemisch’ zou zijn.
Ik geloof niet dat een bespreking daar te lang bij moet stilstaan, maar de ogen daarvoor sluiten is ook niet mogelijk. Met zijn ‘Midnight's Children’, dat als uitgangspunt het onafhankelijk worden van India en de geboorteweeën van Pakistan heeft, tekende Rushdie de gecompliceerdheid van het Aziatische subcontinent. Allerlei boeiende en afstotende facetten werden daarin op meesterlijke wijze samengebracht. Het was alsof je in dat boek de taal en de geur van Bombay opsnoof. Liefde en kritiek, politieke werkelijkheid en droom vloeien samen.
De wirwar was India, de ‘Widow’ was de allesbehalve door hem bewonderde Indira Gandhi. Toch is dat boek - en dat pleit voor de Weduwe - nooit in India verboden geweest. Ik heb het tenminste indertijd tijdens een reis door India aldaar aangeschaft en heus niet vanonder de toonbank.
Na ‘Midnight's Children’ volgde ‘Shame’, dat in de vermomming van een fantastische vertelling afrekende met het bewind van generaal Zia Ul Haq. Het zal dan ook niemand verbazen dat door de bewonderaars van Rushdie, waartoe ik mijzelf reken, reikhalzend werd uitgezien naar ‘Satanic Verses’.
Het lijkt erop dat Rushdie de geprikkeldheid van enkele fanatici moet hebben voorzien, want ergens in het boek laat hij een filmproducent aan het woord, die een religieuze film met de hervonden (herboren) Gibreel wil gaan maken over een ontmoeting van de aartsengel met de profeet. Het is een film over hoe het nieuwe in de wereld komt. ‘Maar zal het niet voor blasfemie worden aangezien, een misdrijf tegen...’ oppert iemand. ‘Beslist niet,’ antwoordt de filmproducent. ‘Fictie is fictie, feiten zijn feiten.’ En hij noemt zijn film een morele vertelling, zoiets als een fabel. Het heeft niet mogen zijn, de protesten zijn gerezen, maar het boek is er daarom niet minder om.
In een interview met Rushdie las ik dat hij voor zijn manier van schrijven verwees naar de gouden bloeitijd van de Spaans-Arabische literatuur, waarvan alleen Duizend en één Nacht in het Westen bekendheid geniet. Dit bracht me op de idee om Leopolds vertaling van een vers van de grote dichter en scepticus Abdul Ala (923-1059) op te slaan.
Christenen, Joden, Parsen, Moslemin
zij dwalen allen; voor wie toe wil zien
vervalt de gansche mensheid slechts in tweeën,
twee soorten enkel worden er ontdekt:
intelligente menschen zonder vroomheid
en vrome menschen zonder intellect.
Wat is het niet heerlijk om tussen het vele dat op je afkomt een jou nog onbekende schrijver te ontmoeten die precies dat heeft wat je bij een schrijver zoekt. Voor mij was dat de Braziliaanse schrijver Machado de Assis, met wiens oeuvre ik in de vertaling van August Willemsen kennis maakte. Machado's grootouders van vaders kant waren vrijgelaten slaven, zijn vader huisschilder, zijn moeder huisnaaister. Op zijn vijftiende jaar gaat hij naar de hoofdstad Rio de Janeiro en begint daar een druk leven als journalist, toneelschrijver en romancier. Maar eerst in 1880, als hij al veertig is, zal hij de boeken beginnen te schrijven waar hij zijn faam aan te danken heeft. Hij heeft dan de romantiek, die in zijn dagen zo welig tierde, achter zich gelaten, naturalisme en realisme hebben geen vat op hem. Hij is inmiddels een man van aanzien geworden, de handicap van zijn nederige afkomst en donkere huidskleur had hij overwonnen. Hij laat ons een samenleving zien waarin de hoge hoeden, de rijtuigen, de quadrilles, het theater, de opera en de sonore welsprekendheid van de politici het decor vormen. Zijn boeken spelen bij voorkeur in de keizertijd, in de wereld van de miniatuur Belle Epoque. Onder het bestuur van een goedmoedige monarch droomt de gegoede burgerij van steeds grotere welvaart, rijkdom en
weelde, maar ondertussen is de slavernij nog altijd niet afgeschaft. Mij gaat het om de breuk in zijn schrijverschap, die kenbaar wordt in zijn Posthume herinneringen van Bras Cubas. Het is een boek dat uit korte tot zeer korte hoofdstukken bestaat. Bras Cubas overziet van gene zijde van het graf zijn voorbije leven vanuit de ‘Voluntuosidade de nada’, de wellust van het niets, en zijn slotsom is: ‘Ik ben geen minister geworden, ik ben geen kalief geworden, het huwelijk heb ik niet gekend. Het is waar dat tegenover het gemis van deze dingen het geluk mij beschoren was mijn brood niet te hoeven verdienen in het zweet mijns aanschijns... Alles bij elkaar geteld zal ieder weldenkend mens menen dat er geen tekort was en geen overschot en dat ik bij mijn dood dus quitte was met het leven. En dat zal hij verkeerd menen: want toen ik aankwam aan deze andere zijde van het mysterie, ontdekte ik een klein positief saldo, dat de laatste zin is van dit hoofdstuk van negatieve zinnen: ik heb geen kinderen gehad, op geen enkel schepsel heb ik de erfenis overgedragen van onze ellende.’
Natuurlijk, Bras Cubas is niet Machado, die eerzaam en duurzaam getrouwd was met een vijf jaar oudere vrouw, welk huwelijk kinderloos is gebleven. En ik, die tot op vandaag aan deze zijde van het graf verkeer, in goede verstandhouding leef met mijn kinderen en bij tijd en wijle nog plezier in het leven schep, heb juist hem tot mijn lichtend voorbeeld gekozen, zijn invloed het meest ondergaan. Dat maakt dat ik soms ook boos op hem ben. Waarom heeft hij zich niet meer ingezet voor de afschaffing van de slavernij vraag ik me dan af, om vervolgens het verhaal ‘Vader tegen Moeder’ weer op te slaan, waarin hij de onmenselijkheid van dat instituut op een schrijnende wijze heeft getekend. Ik had graag wat meer verhalen van dat soort willen zien, maar ik stel me voor dat Machado me meewarig aankijkt vanuit gene zijde van het graf.