Het leven is lijden, leert het boeddhisme, een religie zonder god, een boekhouding zonder boekhouder, een onafgebroken keten van oorzaak en gevolg. Ik kwam er pas echt mee in aanraking toen ik in 1981 mijn oudste zoon Goshwin op Sri Lanka bezocht.
Lafcadio Hearn, de eenogige journalist uit Amerika, Ierse vader, Griekse moeder, kreeg, toen hij in het kleurrijke Japan aan het eind van de vorige eeuw voet aan wal zette, van een oldtimer de raad om zijn eerste indrukken te noteren, voordat het oog gewend zou raken aan al het nieuwe, ongewone, overrompelende vreemde en de bekoring, het pittoreske ervan niet meer zou gewaar worden. Hearn heeft die raad opgevolgd, is er tot zijn dood blijven wonen, is er met een Japanse getrouwd, maar in zijn verhalen komt hij telkens terug op die voor hem zo dierbare, kleine, afgelegen stad Matsue, waar hij het eerste jaar van zijn verblijf in Japan heeft gewoond en waar nu zelfs een Lafcadio Hearn Memorial Museum is verrezen. Ik was, in tegenstelling tot Hearn, geen schrijver en ook geen journalist en zou mijn eerste impressies in mezelf hebben opgeslagen als ik niet, om het cru te zeggen, voor het blok was gezet. Goshwin bracht me in contact met een aantal personen, westerlingen, die het boeddhisme beleden of althans verdiept waren in de leer. Voordien had ik wel het een en het ander erover gelezen, de boeken van de onverschrokken Alexandra David-Néel, waren vooral als ze het over Tibet had, boeiende lectuur, maar dat is toch heel iets anders dan tussen mensen te verkeren die het beleven en erover kunnen praten. Een van hen was de schilder Milton Figen. Mijn ontmoeting met hem heeft ertoe geleid dat ik een inleiding schreef bij een essay van hem. Het verscheen in Bres mei/juni 1982 onder de titel ‘Het Inzicht’. Ik meen dat deze inleiding, die hier enigszins bekort volgt, genoegzaam weergeeft hoe het er is toegegaan.
Augustus 1981. Kandy. Het is de tijd van de jaarlijkse Perahera, de grote processie waarin de tand van de Boeddha die als een relikwie in een schrijn van de tempel, de Dalada Maligewa, wordt bewaard, op de rug van een olifant wordt rondgedragen. Duizenden pelgrims, bezoekers en toeristen zijn naar Kandy gekomen om dit festival te beleven. Milton woont een eindje buiten de stad. ‘The Bare foot Museum’ heet zijn luchtige huis, dat in de heuvels ligt en waar behalve eigen werk ook werk van kunstenaars uit Sri Lanka te vinden is. Ik ontmoet Milton en zijn vrouw Dorothy deze zomer voor het eerst. Helen Wilder, assistente van de eveneens buiten Kandy wonende boeddhistische geleerde Nyanaponika, heeft me van hem verteld. Helen heeft evenals Milton en Dorothy de Amerikaanse nationaliteit. Wal ze in mijn ogen bijzonder maakt is hun opgaan in de boeddhistische levenssfeer. Het zijn denkende, westerse mensen met een groot analytisch vermogen. Het Theravada-boeddhisme spreekt hen aan, geen super-God, geen almacht, enkel een op zelfbevrijding gerichte leer, een bevrijding die voor een ieder door inzicht en een daaruit voortspruitende levenshouding is te verwezenlijken.
Milton en Dorothy ontvangen ons - we zijn met ons vieren - met een hartverwarmende gastvrijheid. We lopen wat rond, snuffelen in portefeuilles vol met miniaturen en bewonderen de tuin achter. Milton, in de zeventig, is mager en ingevallen. Dorothy is iets jonger, hartelijk en mollig en erg doof. Het manuscript van Milton is onderwerp van gesprek. Een van ons, Atman, ook een Amerikaan, meent dat de persoonlijke trekjes daarin storend werken en eruit moeten. Atman is een markante persoonlijkheid, een lichaam dal ineengekrompen is door artritis, een gezicht dat pijn en afkeer om gevoeligheid te tonen verraadt. Hij heeft een stok om op te steunen, die hij bijna dreigend hanteert. Milton geeft niet toe. Ik krijg het manuscript mee naar mijn hotel.
Een week later ben ik weer bij de Figens. Ik zeg aan Milton dat zijn verhaal me meteen heeft gepakt, dat ik na die sterke aanhef, die zijn ontreddering weergeeft, wat moeite had om
zijn ontwikkeling te volgen, maar dat juist daardoor het slot - als hij in het boeddhisme het antwoord vindt op zijn onzekerheid en de sleutel tot zijn werk - een ware apotheose inhoudt. Milton is zo blij als een kind en lacht hardop, waardoor zijn tandeloze mond des te meer opvalt. ‘Waarom heb je geen gebit?’ vraag ik hem. ‘Ik heb van een tandarts hier een gebit van ijzer gekregen,’ zegt hij, ‘maar dat danst heen en weer en ik heb geen geld om een goed gebit te laten maken.’ Hij en Dorothy hebben elk een klein pensioen en daar leven ze van. Hij is pas in 1961 met schilderen begonnen en de nadruk lag niet op verkopen.
We gaan, het is tijd voor de thee, aan een keurig gedekte tafel zitten en worden door een meisje bediend, dat precies weet hoe het moet. We krijgen thee met verrukkelijke, eigen gebakken cakes. Na tafel krijg ik van Dorothy een piepklein boekje Beginning Insight Meditation, waarin ze op heel eenvoudige wijze heeft uiteengezet wat deze vorm van meditatie voor haar betekent. ‘Het draagt de goedkeuring van Nyanaponika weg,’ vertrouwt ze me toe. Hij is de grote priester-leraar in Sri Lanka. Als ik hem ga opzoeken is hij juist bezig de lamp van zijn schrijftafel te repareren. De kamer biedt de indruk van een goed geordende, uitgebreide bibliotheek. Een boek van de psychiater Erich Fromm ligt op tafel. Hij is ouder dan Milton en niet zo beweeglijk. Van Milton verwacht je meer vragen dan antwoorden, van hem daarentegen antwoorden op vragen. Als ik bij het binnenkomen mijn schoenen wil uitdoen zegt hij tegen me dat het niet nodig is. De ananas die ik voor hem heb meegebracht verdwijnt naar de keuken. Hij is, vertelt hij, al vóór de oorlog uit Duitsland naar Sri Lanka gekomen en is hier sindsdien gebleven. Als student al voelde hij zich aangetrokken tot het Theravada-boeddhisme. Hij heeft niet de lange spirituele zwerftochten van de meeste zoekenden meegemaakt. Zonder zijn aandacht voor de gebreken van zijn studeerlamp te verliezen luistert hij naar me. Bij het weggaan geeft hij mij een boek Geistestraining durch Achtsamkeit, een leerboek voor zelfwerkzaamheid zou je het kunnen noemen. Henri van
Zeist woont ook even buiten Kandy. Een ex R.K.-priester, die al sedert 1939 in Sri Lanka werkzaam is. Jarenlang is hij een boeddhistische monnik geweest. Dhammapala was zijn aangenomen naam. Hij is nu geen monnik meer, is getrouwd met een Singalese. Uittreden uit de orde wordt in Sri Lanka niet als iets buitenissigs opgevat. Hij vertelt hoe het hem te moede was toen hij de kerk de rug had toegekeerd en door zijn brave orthodoxe familie als een soort paria werd beschouwd. Van Zeist spreekt vanuit het hart, hij is niet afstandelijk, al moet je de intellectuele inbreng van deze medewerker aan de grote boeddhistische encyclopedie niet onderschatten. Ik spits mijn oren als hij vertelt, hoe intens gelukkig hij was toen hij eens in Kerala, India, op zoek was naar Swami Ramdas en al zijn bezittingen, geld, paspoort, waren gestolen. Hij had niets meer om zich aan vast te klampen. Los van de dingen die hem tot nog toe het meest waardevol hadden toegeschenen voelde hij zich bevrijd. Zo ontmoette hij Ramdas, de eenvoudige, vreugdevolle goeroe over wie mijn vriend Paul Storm heeft geschreven in Een Oceaan in een druppel.
Ik heb mij in deze inleiding willen beperken tot het aanduiden van de kring waarbinnen Milton leeft, een kring, die er, gelet op de hoge leeftijden, straks niet meer zal zijn.
Kort nadat ik in Nederland terug was kreeg ik een brief van Milton met het bericht dat Dorothy was gestorven.
Door onthechting, schrijft Figen, aan het slot van zijn essay, waarin hij naar de betekenis zoekt van zijn duistere, onaardse schilderijen, komen we tot nirvana, de alles te boven gestegen, onvoorstelbare toestand die aan alle zijn en alle niet-zijn voorbij is.
Onthechting. Ik kan niet zeggen dat het mij op het lijf geschreven was. Het Leger des Heils had mij als jongetje in Suriname een leven zonder lijden voorgespiegeld. Een van hun opgewekte tweeregelige strijdliederen, die de soldaten op de straathoeken met begeleiding van trom en trompet zongen, had ik mij al vroeg eigen gemaakt:
De tante van een klasgenoot van mij was een van de uitvoerenden. Uitgedroogd en spichtig als ze was, was het haar niet aan te zien dat zij oprecht van het leven genoot. De kersverse, pas uit Holland gearriveerde kapitein daarentegen straalde de blijheid waarvan het lied getuigde overmoedig uit. Het aardse tranendal had kennelijk geen vat op hem. Hoe aanlokkelijk ook, aan mij is deze heerlijkheid voorbij gegaan. Ik ben godsdienst al vroeg als een soort absurde alchimie gaan beschouwen, of het nu het maken van goud of, op zijn Chinees, het bereiken van de onsterfelijkheid betreft. Dat neemt niet weg dat ik het antwoord dat Ko Hung, een Chinese alchimist, die van 260 tot 340 na Christus leefde, gaf op de vraag of hij in dit leven soms het onmogelijke wilde bereiken bijzonder inventief en vermakelijk vind: Ofschoon de doven de donder niet kunnen horen noch de muziek kunnen waarderen en voor de blinden de zon en de schittering van de gewaden van de keizer onzichtbaar blijven, wil dat niet zeggen dat deze dingen niet bestaan. (J.C. Cooper: Chinese Alchimie) Ik was, behept als ik ben met een onbestemd religieus gevoel, onwennig tussen alle zelfverzekerde leerstellingen, ik voelde me behaaglijk en op mijn gemak binnen een soort kosmisch web, waar alles in hoorde, mens en dier, het geziene en het ongeziene, dood zowel als leven. Een soort vangnet waar ik, welke salto's ik ook maak, op terug kan vallen, rekbaar, elastisch, alles omvattend. Ik geef grif toe dat dit een schamel geesteskind is als eindprodukt van een lang leven en ik kan me voorstellen dat menigeen vermoedelijk zijn schouders daarvoor zal ophalen. Was mijn tante Becca er nog maar om mij met een van de wapenspreuken van koning Salomo te hulp te snellen. Nu kan ik alleen maar stamelen dat ik nooit wat de zoekers een queeste noemen heb ondernomen naar een hoog verheven of diep verborgen heilig doel. Tot voor kort ben ik er vanuit gegaan dat de dichtregel van Hadewijch
bijzonder goed aansloot bij mij gedachtengoed. In de in 1994 verschenen bloemlezing van Gerrit Komrij De Nederlandse Poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in 1000 en enige bladzijden lees ik dat deze regels afkomstig zijn van een pseudo-Hadewijch 1, maar dat was het ergste niet. Ik had alle dinghe sijn mi te inghe' altijd de betekenis toegekend van alle dingen zijn binnen in mij. Wat een rijkdom, wat een mogelijkheden om de zinloosheid van ons bestaan dat ons van zovele kanten wordt voorgehouden op te heffen. Nu blijkt dat het ‘alles is mij te eng’ moet zijn. Deze misvatting maakt voor het goed verstaan van het gedicht als geheel niet zoveel uit, maar als citaat - en meer dan een enkele regel uit een gedicht maken we ons meestal niet eigen - mist het voortaan die gecomprimeerde expressie van dat wat ik zelf niet onder woorden zou kunnen brengen.
Met Goshwin, zoon en reiskameraad, is het anders gesteld. Dat hij al zeven jaar een overtuigde boeddhistische bedelmonnik is moet ik telkens weer aan mensen die hem vroeger gekend hebben uitleggen. Of ik daarin slaag is een tweede. Na te licht bevonden te zijn voor een lucratieve baan bij de Coca Cola-firma van een aangetrouwde neef van mij in Suriname, hetgeen een omslachtige manier is om te zeggen dat hij dat vooruitzicht niet zo zag zitten, zwierf hij jarenlang samen met een vriendin vrijwel zonder een cent op zak door Zuid- en Midden-Amerika. Zonder vriendin in India beland voelde hij zich aangetrokken tot de heilige mannen, de swami's, die in het Westen voor daklozen zouden worden aangezien. Swami Bisambami werd hij in de familiekring genoemd, waar deze neiging van hem meer als een verlate stek van het hippiedom werd beschouwd. Tot hij genoeg had van het vrijblijvende van deze levenswijze en bedelmonnik werd. Nu gaat hij iedere ochtend vroeg met een bedelnap er op uit en
leeft van de goede gaven, rijst, vis, vruchten, soms bloemen of wat geld van de gelovigen. Hoe kan je van die arme mensen in de dorpen iets vragen, heeft zijn moeder meer dan eens verzucht. Ze kan moeilijk aannemen dat het geven van aalmoezen aan een monnik deel uitmaakt van de leer en het karma van de milde gever ten goede komt, die zich immers daardoor ‘merits’, pluspunten voor een toekomstig leven, verwerft. Ik voor mij houd het bij een vers in de Dhammapada, het canonieke boek van de boeddhisten, dat in een eenvoudige, voor een ieder begrijpelijke versvorm de gedachten van de Boeddha inhoudt. In mijn vrije kwatrijnvorm luidt het vers aldus:
Terzijde:
Na mijn pensionering zal ik medeoprichter en dan voorzitter worden van het Landelijk Bureau Racismebestrijding, lbr, dat zich vooral met de juridische aspecten van die bestrijding bezighoudt. De golven van meewarig ongeloof en bespotting (ik denk aan de columns van Gerrit Komrij en Emma Brunt,) zijn over ons heengegaan. Ook aan tegenwerking, zoals een dreiging met boycot, van verschillende kanten, waar je het niet van zou verwachten, heeft het niet ontbroken. Desondanks is het lbr niet vroegtijdig omgekieperd en is een waardevol instrument gebleken om een acceptabel leefklimaat tussen allochtonen en autochtonen te scheppen. Goshwin haalde laatst in een brief de woorden van de Boeddha aan: ‘Ik ben niet beter, niet minder, niet gelijk.’ Ja, zo is dat, als ik deze woorden goed begrijp moeten we ermee ophouden vergelijkingen, die bijna altijd ten detrimente van de ander uitvallen, te maken.
Zuid-Oost-Azië was overigens niet het exclusieve terrein van Goshwin en mij. Margaretta, mijn Australische dochter uit mijn eerste huwelijk, heeft in India gewerkt. Ze had eerst gestudeerd aan de School of Oriental and African Studies in Londen en was toen op aanraden van haar hoogleraar gaan werken bij de Indiase uitgeverij Motilal Banarsi Dass in Delhi. Als editor van spirituele literatuur moest ze het boek van Acharya Rajneesh, later meer bekend als de Baghwan uit Poona Who am I? in een passende vorm gieten. Ze zond het me toe met haar commentaar op het voorblad: This is the little book that Mr. Jain was so agitated about when you arrived in Delhi. Thought it might amuse you to have a copy? The Acharya is one of the Holy Men of India, but alas, writes a considerable amount of waffle - very dificult to get any logical coherence into it for the editor. Toen ik haar in Delhi opzocht zag ze er bleek en moe uit. Een jonge vrouw alleen werd binnen de Indiase kring waarin ze zich bewoog als niet passend beschouwd. Het bezoek van de vader vijzelde haar aanzien op. De oudste firmant had haar voorgesteld om bij hem te komen inwonen. Ze sloeg het af, bevreesd als ze was dat ze, eenmaal opgenomen in de uitgebreide familie die er huisde, haar bewegingsvrijheid zou verliezen. In ieder geval vond ik dat een paar weken vakantie in een koeler oord dan het op dat tijdstip verstikkend hete Delhi haar goed zou doen. Mr. Jain die ik raadpleegde noemde twee hooggelegen streken, waarvan hij de schoonheid bloemrijk bezong, Kashmir en Nepal. Het werd Kathmandu. Ik heb er geen spijt van gehad. Voor mij was het een openbaring. Dit was het Oosten waarvan ik had gedroomd. Mijn brieven en kaarten moeten daar vol van hebben gestaan. Wat is er met hem aan de hand, zullen ze hebben gedacht. Ik kon mijn ogen niet afhouden van de sierlijke vrouwen met de koperen kruiken, die ze op de heupen droegen, van de ontelbare schrijnen met vreemde beelden, Hanoeman, de apenkoning, Ganesh, de olifantengod. Bloemen werden voor ze neergezet, met rode of gele verfstof werden ze bestreken. Ik snoof de geur en stank op van wierook, bloemen, huisvuil en uitwerp-
selen, ik zag optochten met muzikanten en oude, tot de draad versleten schutterspakken voorbij trekken, praalwagens op hoge wielen werden door stellen jubelende jongemannen voortgetrokken. De twee grote boeddhistische stoepa's, die soms oneerbiedig met omgekeerde bijenkorven werden vergeleken, Swayambu en Bodnath, prentten hun naar alle windstreken gekeerd gezicht - twee horizontale lotusogen en een neus in de vorm van een langwerpig vraagteken - vast in mijn geheugen. Ik heb in de logeerkamer in Amsterdam een stoepa-tanka hangen, een rolschildering met de Swayambu in het middelpunt, maar jammer genoeg zijn ogen en neus in de loop der tijden volkomen vervaagd.
Nepal heeft me sindsdien niet meer losgelaten, tot driemaal toe heb ik een trektocht rondom de Annapoerna gemaakt. De eerste keer samen met mijn vrouw en Goshwin. Op advies van een gerenommeerde trekking-organisatie deden we dat in stijl met sherpa's, dragers en koks, zodat het erop leek of we een koloniale expeditie aan het nadoen waren. De tweede keer, meer ingetogen, trok ik alleen met Goshwin. De laatste keer was weer iets uitbundiger met Goshwin, mijn dochter Tamara en een vriend van haar. Tamara en vriend liepen een dagmars voor ons uit, als ze van andere trekkers vernamen dat we hen op de hielen zaten versnelden of verlangzaamden ze, naargelang hun stemming, hun pas. Het is een gedenkwaardige tocht geworden met aardverschuivingen, langdurige regenval en om nooit te vergeten een aanval van bloedzuigers, die het vooral op mij, de magerste van het gezelschap gemunt hadden. Als ik in een ‘teashop’ mijn hemd uitdoe, stroomt het bloed langs mijn armen en mijn rug.
‘Hoe oud bent u?’ wordt me gevraagd.
‘Bij de zeventig.’
‘Ja, dat is heel oud,’ krijg ik te horen, alsof ik de extra aandacht, die ik van de bloedzuigers gekregen heb, aan mijn gevorderde leeftijd te danken heb.
Na zestig uur is het opgehouden met regenen. De lucht is helder, strak en blauw, de machtige toppen van Annapoerna,
Dalaghiri en Macho Poechere liggen voor het grijpen. Ik begin iets van wat de echte bergbeklimmers bezielt te begrijpen.
Sproot mijn reis met Margaretta naar Nepal voort uit vaderlijke bezorgdheid, anders was het gesteld met mijn reis naar Afghanistan. Na het lezen van Peter Levi's The Light Garden of the Angel King, een erudiet en aanstekelijk verslag van een reis door Afghanistan, kreeg ik de aanvechting om erheen te gaan. Ik nodig Margaretta, die inmiddels in Sydney was gaan wonen, uit om elkaar in Kabul te ontmoeten. (Kan Hugo geen normaler land bedenken, moet haar moeder verzucht hebben.) Goshwin voegde zich bij ons en met z'n drieën hebben we toen het land per bus doorkruist. Spoorwegen waren er niet in dit land. Paul Theroux, de treinfanaat, kan daar in zijn uiterst plezierige The Great Railway Bazar niet genoeg over uit. Met bekwame spoed verlaat hij dit vermaledijde land om in Pakistan en India naar hartelust van de zegeningen van het Britse spoorwegnet te kunnen genieten. Levi zelf vond reizen per bus een beproeving. Ik moet aannemen dat hij en zijn metgezel, niemand minder dan Bruce Chatwin, hun tochten voornamelijk per auto, en afgaand op een foto soms te paard, hebben gemaakt. In Nepal, dat een hindoe-vorstendom is, is het boeddhisme nog niet uitgestorven, Afghanistan daarentegen is streng islamitisch met enkel een antiek boeddhistisch verleden. Pas als je de twee uit de rots gehouwen kolossale Boeddhabeelden in Bamyan bekijkt en de honderden, eveneens in de rotsen gehouwen nissen, cellen, waar de monniken eens geleefd hebben, kun je je voorstellen wat een bloeiende boeddhistische gemeenschap het indertijd hier moet zijn geweest. Wat een voedsel moet er hier niet allemaal verbouwd zijn om al die monniken te eten te geven. De titel van Peter Levi's boek is regelrecht ontleend aan de inscriptie bij Babur's graf, waarvan een deel luidt: The Light Garden of the Godforgiven Angel King. (Levi, die een jezuïet is, heeft, waarom weet ik niet, het godforgiven weggelaten, dat anders wel mooi past bij de nagedachtenis van deze krijgsman en veroveraar.) Babur (1483-1530) was een Mon-
goolse prins, afstammeling van Djenghis Khan en Tammerlan, die uit zijn koninkrijk nabij Samarkand verdreven werd, naar Kabul trok, vandaar tot aan Delhi doordrong en de eerste keizer van de Moghul-dynastie in India werd. Hoewel je zou verwachten dat je zijn naam en beeltenis overal in de bazars zou aantreffen was dat niet het geval. Alexander de Grote en zijn Afghaanse bruid Roxane, ook al was dat meer dan tweeduizend jaar geleden, genoten een grotere populariteit. Of dat ook zo was in de schoolboekjes weet ik niet.
Ik verzuimde het aan onze kleine, vriendelijke hoteleigenaar te vragen, die me elke ochtend kwam waarschuwen als de ongesluierde meisjes van de middelbare school (opgeschoten meisjes, vandaar dat ik vermoed dat ze de middelbare school bezochten) in hun groene schooluniform langs kwamen. Een voor dit land begrijpelijk enthousiasme. Toen de auto's van de London-Sydney rally langs de afgezette wegen voorbij kwamen rijden - we waren toen van Kabul op weg naar Herat - was er tussen de honderden toeschouwers geen vrouw te bekennen. Het beeld is weer totaal anders als we op een vrijdagmiddag even buiten Kabul een recreatiepark bezoeken. Daar picknickten hele gezinnen, zittend op uitgespreide tapijten met korven vol versnaperingen. Er werden vuurtjes gestookt waarop geurige maaltijden werden klaargemaakt. Sommige families hadden grammofoons meegenomen, terwijl minstreels rondgingen en hun ballades op vreemdsoortige instrumenten begeleidden. Afghanistan mocht dan wel veel analfabeten tellen, dichters zijn er van oudsher in overvloed geweest, iets waaraan de Perzische invloed, denk ik, niet vreemd zal zijn geweest. We werden voortdurend aangemoedigd om aan te schuiven en mee te eten. Er heerste een prettige, ongedwongen stemming. Goshwin werd zelfs door een niet-gesluierde jongedame, Roxane, wat een veel voorkomende naam schijnt te zijn, uitgenodigd om haar thuis te komen opzoeken, wat hij nog gedaan heeft ook. Zo op het oog kon dit gezelschap tot de bourgeoisie van Kabul worden gerekend. Er was, niet ver hiervandaan, een besloten country
club, waar ik officieren met hun vrouwen naartoe zag gaan. Dit was in 1979, de koning was afgezet, Afghanistan was een republiek en overal prijkte een portret van de president, Daoud Khan, een sluw heerschap leek het wel. Ik weid erover uit, omdat dit het enige strikt islamitische land was dat ik ooit heb bereisd (Maleisië en Indonesië doen, hoewel islamitisch, toch heel anders aan.) Pogingen om iets meer van de nomaden te weten te komen lukten ons niet. We zagen hun vrouwen - ongesluierd - op het land rondom hun tenten werken, de kudden hoeden, tapijten weven, maar vervaarlijke honden hielden de indringers - waaronder zij blijkbaar ook de toeristen verstaan - op een afstand.
Babur, the Angel King. The Garden King zou een meer bij hem passende benaming zijn geweest. Waarheen hij ook trok, overal liet hij tuinen aanleggen. Alleen al in Agra, waar een latere Moghul-keizer de Taj Mahal zal laten bouwen, heeft hij vier tuinen nagelaten. Toch verkoos hij Kabul boven de steden van India en daar wilde hij, toen hij in Delhi stervende was, worden begraven. Tien jaar later is dat dan ook gebeurd. Babur wordt in Levi's boek met ere vermeld omdat hij, net als Julius Caesar, naast het zwaard ook de pen heeft gehanteerd. Zijn levendige eigenhandig geschreven memoires zijn verloren gegaan, betrouwbare vertalingen daarvan zijn gelukkig bewaard gebleven. Uit zijn geschriften, die met grote tussenpozen zijn geschreven, komt een zeer bijzondere man naar voren, delicaat als het de liefde betreft, onverschrokken in veldslagen bij voor- en tegenspoed, een liefhebber van wijn, van gedichten, van rozen en meloenen.
Het is me in Kabul overkomen dat ik met twee streng uitziende, bebaarde overheidsdienaren mee mocht rijden naar een moskee ver buiten de stad, waar een beroemde dichter en diens hond waren begraven. (Het verhaal dat daaraan vastzit is mij jammer genoeg ontschoten.) Het was een mooie ochtend, de marmeren graven lagen er wit blinkend en ongeschonden bij, de lettertekens waren er sierlijk op aangebracht. De heren hadden mij een groot plezier
gedaan om mij erheen te brengen. Op de terugweg vroeg een van hen mij of ik in God geloofde. Moge de god, wiens naam ik niet ijdel heb gebruikt, maar wiens alomtegenwoordigheid ik, om mijn zitplaats te behouden, heb bevestigd, mij dit moment van zwakte vergeven.
Niet zo lang geleden heb ik een verhaal geschreven, waarvan ik de plot in Kabul heb gesitueerd. Het is een verhaal dat in menig opzicht aangeeft hoe mijn verhalen ontstaan. Kleine, vaststaande feiten en gebeurtenissen, die op zichzelf niet veel te betekenen hebben, heb ik verbonden aan een reeks herinneringen uit een andere tijd en in een ander land. Het valt me op dat die herinneringen steeds min of meer in dezelfde vorm terugkeren en dat ik, als ik ze wil opschrijven, dat, zoals de lezer straks zal merken, telkens met vrijwel dezelfde woorden doe. Uit de vermenging van feit (weliswaar een beetje aangekleed) en herinnering wordt het verhaal waar het mij om gaat gehoren. Het stelt mij in staat grenzen te overschrijden zonder, naar ik hoop, in gebrabbel te vervallen. Ik waag het erop om dit verhaal als slot van dit hoofdstuk te laten volgen. Het kan desgewenst beschouwd worden als een hommage aan The Angel King, naar wie Peter Levi mij de weg heeft gewezen.