Wat benijd ik de schrijvers, die hele gesprekken van jaren geleden tussen aanhalingstekens kunnen reproduceren, net alsof ze tot en met de komma's op een denkbeeldige bandrecorder waren opgenomen. Van mijn grootvader en zijn vrienden, die zich 's middags op het balkon van de buitensociëteit Het Park door een koele bries lieten strelen, herinner ik mij alleen de vaak herhaalde woorden ‘naar waarde genoten’, een zinnetje dat, zoals ik later begreep, iets te maken had met een standaardformule bij een promesse, toentertijd een veel voorkomende schuldbekentenis. Ik wil aannemen dat deze door de oudere heren met een zekere bravoure uitgesproken woorden niet als provocatie bedoeld waren, maar de tegenhanger moesten vormen van ‘il senso tragico de la vida’, dat aan de meesten niet was voorbijgegaan. Nu ikzelf een leeftijd heb bereikt, hoger dan die van mijn grootvader en zijn vrienden eertijds, kijk ik wel uit om een dergelijke van epicurisme blakende verklaring in de mond te nemen. In de bundel Voordat ik Afreis, die mijn Nestoriaanse kwatrijnen bevat, staat zonder enig cynisme
Mijn vrouw vindt dat mijn pittigste, zo niet mijn beste kwatrijn. Gedachtig aan het refrein van Saidjahs zang ‘Ik zal het niet horen’, ben ik niet echt benieuwd of zij straks, als het zover is, aan deze tip gevolg zal geven.
Woorden, woorden, woorden, duizenden gesprekken moet ik in mijn leven gevoerd en beluisterd hebben en ook zonder hulp van tante Becca kan ik met de Prediker verzuchten over de veelheid der woorden.
Mijn oom Hans, tandarts in Amsterdam, hield op familiefeestjes van verkleedpartijen en declameerde dan versjes, die hij op onbetaalde rekeningen had geschreven. Hij had tal van toneelspelers en musici onder zijn patiënten, hetgeen hem veel vrijkaartjes voor de Stadsschouwburg en het Concertgebouw opleverde, maar niet genoeg cash om zijn sigarenleverancier op tijd te kunnen betalen. Dat verhinderde de heer Walladijn, alias Wallie, niet om als buurtgenoot en onbezoldigd conferencier op de familiefeestjes aan de Weesperzijde op te treden. Het eindige er altijd mee dat hem na het applaus te verstaan werd gegeven dat hij een volgende keer wat minder schunnig moest zijn. Er zijn kinderen bij, heette het dan. Oom Hans, de vader van Willy, de latere directeur van de Amsterdamse toneelschool, had de gewoonte mij op de meest vreemde ogenblikken de vraag voor te leggen: Geloof jij in de onsterfelijkheid van de ziel? Om een antwoord was het hem dan niet te doen en het is nog maar de vraag of dat vraagstuk hem echt bezighield. Hij was mijn voogd, en als zodanig vond hij het op zijn weg liggen om mij wat levenslessen bij te brengen. Dat bestond bijvoorbeeld uit het op een bepaalde toonhoogte declameren van iets dat op een geloofsbelijdenis leek, zeker niet de zijne, maar desalniettemin.
Geld en goederen heeft oom Hans niet nagelaten, maar Willy en ik hebben deze levensles, door ons als duet voorgedragen, met Brigitte, Willy's vrouw, als sympathiserende toehoorster, in ere gehouden. Ik was nog maar pas in Holland en bracht mijn eerste vakantie in de Ardennen in de buurt van Rochefort door. Oom Hans kwam daar ook en op de terugreis deden we Brussel aan. Na zoveel natuur wilde oom Hans ook iets van het grotestadsleven zien en dus bezochten we 's avonds
een cabaret. Er trad een Egyptische danseres met ontbloot bovenlijf op, die een slang op een verleidelijke manier over haar lichaam liet glijden. Oom Hans keek er aandachtig naar, maar toen het nummer was afgelopen, zei hij, omdat hij zich gesnapt voelde, tegen mij: ‘Ordinair, hoogst ordinair.’ Ook dat heb ik als een van zijn levenslessen bewaard.
Ik weet nog goed hoe het is toegegaan toen mijn vader en zijn broer Jobs na meer dan vijfentwintig jaar elkaar weer voor het eerst ontmoetten. Dat kwam zo. Mijn vader was op een ochtend, op weg naar de zitting van het kantongerecht in Paramaribo door een kennis binnengeroepen om van een Hollandse Nieuwe uit een vers met de boot gearriveerd vaatje te smullen. Mijn vader, die weinig tijd had, omdat de zitting om half negen zou beginnen, moet de haring zo overhaast naar binnen hebben geslokt, dat zijn prothese losschoot, meeschoof en in de slokdarm vast bleef zitten. In het hospitaal van Paramaribo waren geen instrumenten voorradig om de prothese daaruit weg te halen. Binnen vierentwintig uur besloten mijn ouders om met de boot, dezelfde die de noodlottige haring had aangevoerd, en twee dagen later zou vertrekken - een vliegverbinding was er in die tijd niet - naar Holland te gaan. Bij aankomst in Amsterdam was de hele familie bij elkaar om mijn vader te verwelkomen. Onder hen was ook oom Jobs, gehuld in een lange zwarte tot over zijn knieën reikende jas en met een soort sloffen aan. Hij had een welige baard, vrolijke, vriendelijke ogen en was in die dagen, 1935 of '36 moet het zijn geweest, een niet alledaagse verschijning. Mijn vader monsterde zijn broer verbijsterd van top tot teen, kon zich niet beheersen en zei:
‘Jobs, mag ik je als oudere broer iets vragen?’
‘Ja, Coen.’
‘Scheer dan je baard af.’
Even was het stil. De familie, jong en oud, om hen heen geschaard, wachtte vol spanning de uitkomst af van deze regelrechte confrontatie tussen de beide broers uit twee totaal verschillende leefwerelden. Nu was het de beurt van Jobs:
‘Coen, mag ik je als jongere broer iets vragen?’
‘Ja, natuurlijk, Jobs.’
‘Trek dan je verzoek in.’
De baard is ongerept uit de strijd gekomen. Jobs heeft nog vele jaren geleefd, tot hij, woonachtig bij een bevriende boer in Blaricum, is gestorven. In het drieënzestigste Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum heeft mevrouw M. van Donselaer-Middelkoop een levendig portret van hem, als behorend tot ‘de uitlopers van de negentiende eeuwse Amsterdamse bohème’, geschetst. Ze vertelt daarin dat Charley Toorop een tijdlang een zeker geestelijk contact met hem heeft gehad en hoe aan die vriendschap, tussen twee uiteenlopende karakters, een eind is gekomen.
Nadat Charley in 1919 naar Schoorl verhuisd was logeerde Jobs wel bij haar en op een avond toen ze met nog andere mensen in haar atelier zaten (een houten huisje in de tuin) brak daar een brandje uit. Charley gaf zonder bedenken het voorbeeld, zodat ieder een emmer of teil greep om te blussen. Jobs schijnt ook met een emmer water in zijn handen gestaan te hebben maar zo door de aanblik van Charley geboeid te zijn geweest, dat hij het vuur vergat en de inhoud van zijn emmer in de richting van Charley dirigeerde. ‘Je was zo mooi in het licht van de vlammen,’ gaf hij als enige verklaring op. Maar dit was té bar voor Charley, 't was té irreëel.
Oom Jobs had in Amsterdam medicijnen gestudeerd, had het bijna tot semiarts gebracht, had de studie niet afgemaakt en ging als filosoof door het leven. Voorzover ik weet heeft hij nooit iets van zijn zachtmoedige en geldschuwe ideeën op papier gezet, daar moest hij het, denk ik, niet van hebben. Er ging, voor wie dat konden opvangen, iets van hem uit. De schilder Metten Koornstra zei tegen me dat hij veel van hem had opgestoken. In het bezit van de familie Vecht, (van de kunsthandel aan het Rokin in Amsterdam,) waar hij na een verblijf in Ascona jarenlang onderdag heeft gevonden, is een
groot schilderij van Monnie Schwarz (nu in langdurig bruikleen bij het museum De Wieger in Deurne) met de passende aanduiding: De filosoof Jobs Pos.
Toen de prothese in het ziekenhuis in Utrecht door professor Kwiks zonder operatieve ingreep was verwijderd, bood mijn vader de professor een diner aan. In zijn rede aan tafel sprak hij de gedenkwaardige woorden: ‘Naast God heb ik aan Kwiks mijn leven te danken.’ Mijn broer Raymond, altijd tuk op memorabele uitspraken, hield ervan deze woorden later te pas en te onpas te herhalen. Nu is ook hij er niet meer.
Karel van het Reve vertelt in een van zijn Achteraf-columns in Het Parool dat hij, als het op het herlezen van eigen werk aankomt, een fobie heeft. Deze tegenzin deel ik niet, is, gelet op de betrekkelijk geringe omvang van mijn oeuvre, ook niet nodig. Wel komen de bouwstenen van een verhaal, die ik al eerder heb gebruikt, mij soms als nieuw voor en is het dus, mijn leeftijd en de daaraan verbonden gevaren indachtig, oppassen geblazen. In mijn laatste verhalenbundel Van het een heb ik in het verhaal ‘Het Huis aan de Gravenstraat’ mijn verhouding tot mijn vader vrij uitvoerig belicht. Omdat ik meende dat ik niet met een verwijzing naar dat boek kon volstaan, (hoewel daar niets op tegen is) heb ik deze twee voorvallen eruit gelicht. Ze zijn in een bepaald opzicht tekenend voor de positie van mijn vader, die, hoewel komend uit een groot gezin, als enige van de broers en zusters in Suriname is gebleven. (Van mijn moeders eveneens uitgebreide familie waren zij en tante Becca ook de enigen die er nog waren.) Dat wijst er wel op hoe schaars de ontplooiingskansen toen al in Suriname waren. Emigratie naar Nederland en Amerika was daarop het antwoord. Door het isolement waarin Suriname verkeerde bleef het spraakgebruik, in het Nederlands althans, archaïsch aandoen, wat gepaard ging met een daarbij passende mentaliteit. Zo heb ik jaren later in de provo-tijd, toen de foto's van langharige jongeren de kranten sierden, een hoogwaardigheidsbekleder in Suriname horen
zeggen dat Nederland, wat beschaving betreft, een puntje aan Suriname kon zuigen.
Ik heb na de dood van mijn vader geprobeerd om in een kwatrijn de afstand tussen de twee leefwerelden aan te geven, die van hem, geplant en zich volkomen op zijn gemak voelend in dat geïsoleerde land en dat van mij, ik, die in dit door materialisme geïnspireerde land mijn draai had gevonden.
Fortiter in re suaviter in modo, krachtig waar het in wezen om gaat, gematigd in de wijze waarop. Dat was de lijfspreuk van mijn vader als rechter en die heeft hij aan zijn leerlingen meegegeven. In zijn tijd bestond er in Suriname geen rechtsschool, laat staan een universiteit. De juridische opleiding voor praktizijn, de Surinaamse benaming voor advocaat, was in handen van een aantal rechters en advocaten, en wat het Latijn betreft van een dominee of priester. Ze gaven kosteloos les aan een klein aantal uitverkorenen en zij waren het ook die het examen eens per jaar afnamen. Zo'n examen, dat des avonds in de zittingzaal van het Hof van Justitie werd afgenomen, was een publiek evenement. De verschillende vakken werden achter elkaar geëxamineerd en de uitslag werd diezelfde avond bekend gemaakt. In de wachtperiode heerste er onder de belangstellenden een toenemende spanning. De belangrijkste man tijdens dit interval was de bode Van der A, een oud-militair, op wie nu alle ogen gericht waren. Hij ging de kamer waar de examinatoren zich om te beraadslagen teruggetrokken hadden, af en toe met een glas water binnen. Op zijn gezicht meende men dan, als hij weer uit de kamer kwam, te kunnen aflezen hoe de kandidaat ervoor stond. Verscheidene bekende politici hebben nog van mijn vader, die ook als praktizijn was begonnen, les in Romeins recht
gehad, zoals Pengel (die afgehaakt heeft), Lachmon, Bergen, Ensberg. De lessen hadden elke zondagochtend van tien tot twaalf plaats, waarna leermeester en studenten gezamenlijk een glas wijn of madeira dronken.
Toen mijn vader, ondanks het ontbreken van de meesterstitel, bij hoge uitzondering tot kantonrechter werd benoemd, moest hij als ommegaand rechter ook in de districten zitting houden. Het komen en gaan werd een vast patroon in ons huishouden. Er ging altijd een speciaal door mijn moeder bereide hoeveelheid koffie-extract mee en hij ging ook nooit zonder zijn eigen kussen met sloop en al op reis. In Nickerie, het district dat aan Brits Guyana grenst en waar je toen alleen per boot kon komen, logeerde hij steevast bij mijn aangetrouwde oom Willy (William Colaço Belmonte, die met een hele lieve zuster van mijn moeder was getrouwd). Oom Willy had een concessie voor het winnen van balata, een soort rubber, en leefde alsof hij aan het hoofd van een vrije republiek stond. 's Avonds voor het naar bed gaan verzamelden de drie zonen met hun vader zich op het balkon van het huis en plasten vandaar naar beneden. Hij moet, daarom niet alleen, de districts-commissaris een doorn in het oog zijn geweest, want die rapporteerde de kletterende manier van wateren aan de gouverneur, waarna deze mijn vader te kennen gaf dat hij niet langer in het huis van zo'n vrijbuiter behoorde te logeren. Dientengevolge nam mijn vader bij zijn dienstreizen naar Nickerie zijn intrek in het gouvernementslogeergebouw, een plek, waar ik later, toen ik als rechter in de voetstappen van mijn vader getreden was, zelf menigmaal heb gelogeerd en van de gerenommeerde kookkunst van de babbelzieke Francis, die in de tijd van mijn vader er al was, heb kunnen genieten. Oom Willy heb ik niet meer ontmoet. Hij is in moeilijkheden geraakt toen zijn arbeiders op het concessieterrein van een ander balata hadden getapt, hetgeen als een ernstig misdrijf gekwalificeerd staat. Hoewel hij beweerde daarvan niet op de hoogte te zijn geweest is hij, om aan een veroordeling te ontkomen, naar het naburige Brits Guyana
gevlucht en is toen vandaar naar New York gegaan. Hij is daar een lipstick-fabriek begonnen, zonder er rijk van te worden. Een van de zonen heeft een zekere naam als bokser gemaakt.
Een broer van mijn grootvader, eveneens als praktizijn begonnen, heeft het zelfs tot president van het Hof van Justitie gebracht. Hij was een kort aangebonden, korzelige man met wie niet te spotten viel en in niets op mijn grootvader leek. Toen zijn muzikale zoon Lex, die in Holland rechten studeerde, zijn vader liet weten dat hij ermee stopte en naar een conservatorium wilde overstappen, hield mijn oom zijn maandgeld in. Zijn zoon heeft toen emplooi bij een scheepsorkest gevonden, heeft op een van zijn reizen zijn al wat oudere vrouw leren kennen en is geëindigd als makelaar in koffie in Sjanghai. Ik heb hem nooit ontmoet, jammer. Lid van een scheepskapel in de tijd van de grote zeereizen naar het Verre Oosten, daar kan zelfs Slauerhoff niet aan tippen. Mijn oudoom moet ook voor het personeel op het Hof geen gemakkelijk heerschap zijn geweest. Hij was erop gesteld dat de vonnissen, voordat hij ze tekende, er onberispelijk uitzagen. Op een ochtend moet juffrouw B., die met het collationeren van de vonnissen was belast, zich met een door haar piekfijn uitgetikt vonnis naar zijn kamer begeven hebben. Na het hem te hebben overhandigd bleef ze nog even aan de deur staan, verbaasd dat bij het inkijken ervan zijn gezicht betrok. ‘Is het soms niet goed,’ bracht ze eruit. ‘Juffrouw B., een vonnis zonder parafen is als een kut zonder haar.’ Het zal wel niet waar zijn, juffrouw B. was een veel te nette dame om zoiets oneerbaars na te vertellen. Zelfs haar naam moet daarom onvermeld blijven.
Een andere, oudere neef, ditmaal van vaders kant, was wel degelijk scheepsarts. Ik heb deze Hans Pos leren kennen toen ik als jongetje van veertien jaar met de boot naar Holland ging. Mijn vader had voor het vertrek de hofmeester een envelop met inhoud in de hand gedrukt, waarna deze hem bezwoer dat hij goed op mij zou letten, hetgeen hij dan zo onopvallend moet hebben gedaan dat ik er niets van heb
kunnen merken. Aan boord zat ik aan de tafel van de dokter. Er waren verder een kapiteinstafel, waaraan de passagiers die maatschappelijk daarvoor in aanmerking kwamen zaten, een tafel voor de stuurman en een tafel van de meester, de eerste machinist. De dokter was een in zichzelf gekeerde zwijgzame man, wie het voeren van tafelgesprekken, tweemaal per dag, zwaar viel, hetgeen hij door een voortdurende glimlach bij het beluisteren van andermans gekwebbel wist te camoufleren. Hij is later op een reis naar Singapore spoorloos verdwenen. Onopgehelderd is het of hij het schip al dan niet had verlaten om te passagieren. In een van mijn verhalen heb ik hem, omdat ik met dat ongewisse geen vrede had, heel voorzichtig weer laten opduiken.
Mijn kleine familiekroniek is ondenkbaar zonder Nora Philips. Nora is onze vroegere dienstbode, die al in 1950, toen we naar Suriname kwamen, bij ons kwam werken. Ze was een wees en is grootgebracht in een katholiek internaat. Ze is heel lang bij ons gebleven en is eerst laat met een gepensioneerde gasfitter getrouwd. Na zijn dood is ze naar Nederland gekomen. Tussen haar en al mijn in Suriname geboren kinderen is een hechte band gegroeid en ze weet me vaak meer van hun kinderjaren te vertellen dan ik me kan herinneren. Nu ik het over haar heb mag een uitzonderlijke gebeurtenis niet onvermeld blijven. Diego, de jongste, was amper twee jaar en speelde zoals gewoonlijk in de tuin. Nora was in de keuken bezig. Verder was er niemand thuis. Toen de bel van een ijscoman rinkelde is Diego vanuit de tuin de straat op gelopen. Nora zag het gebeuren. Op datzelfde moment kwam de stadsbus aanrijden. Een botsing was, ondanks hard remmen, onvermijdelijk. Om het ergste te voorkomen wierp Nora zich tussen Diego en de bus. Beiden kwamen er onder. Diego met een versplinterde elleboog en een hoofdwond. Nora met een hersenschudding, een diep gat in haar schedel en nog wat andere kwetsuren. Diego kwam op een grote zaal te liggen. Als ik 's morgens naar het hospitaal ging om te informeren
hoe het met hem was, kreeg ik van de Indiaan die naast Diego zijn bed had uit de eerste hand te horen hoe hij de nacht was doorgekomen. De Indiaan had bij het omhakken van een boom beenletsel opgelopen en nam, terwijl hij met een gespalkt been op zijn rug moest liggen, aandachtig het jongetje dat naast hem lag op. Wat heeft Nora bezield om zo, zonder een moment te aarzelen voor de bus te springen en daarbij haar eigen leven te riskeren? Hoe komt een dergelijke besluitvorming binnen een ondeelbare seconde tot stand? Ik zou niet weten hoe ik het bewijzen moet, maar volgens mij is haar spontane reactie alleen te verklaren uit het patroon en de vorming van haar karakter. De opofferingsgezindheid die in haar sluimerde, waarvan ze zich niet bewust was, werd in dit ene beslissende moment ontkurkt. Het leek op een handelen zonder denken, maar dat kwam enkel en alleen omdat denken op dat moment niet meer nodig was. Haar handelen was voor haar niet anders dan het resultaat van een voltooid innerlijk groeiproces. Nora schuwt grote woorden, behalve als ze het over de politiek in Suriname heeft. Ik doe dan ook beter om het hierbij te laten.
Schrijven over de dood van mijn dochter Tamara kan ik niet. Het kost me nog altijd moeite om me te realiseren dat ze er niet meer is. Ik heb met zoveel mensen die een geliefde hebben verloren gemeen, dat ik 's nachts voor het slapen gaan, maar niet altijd 's nachts, met haar praat. Tegen haar, want ze antwoordt niet. Dat zou ze anders, als ze er nog was, zeker hebben gedaan, want ze had, zoals ze dat noemde, een verbaal talent. Ik kan zo'n eenzijdig gesprek ook niet goed in woorden weergeven, ik praat niet, dat wil zeggen ik open mijn lippen niet om geluid voort te brengen en toch heeft er communicatie plaats. Het is meer een onderstroom, die aan het praten voorafgaat, die mij het gevoel geeft dat ik praat. Ik droom niet, want soms als ik op de fiets zit, praat ik ook met haar en als ik droomde zou ik er vanaf vallen. Ik vertrouw haar soms dingen toe die ik niemand anders vertel. Dat is iets wat
ik vroeger nooit deed, want we respecteerden elkaars persoonlijke leven ten zeerste, hoogstens maakten we af en toe een paar opmerkingen, liefst grapjes daarover. Er moest een crisissituatie zijn, voordat de een de ander te hulp schoot.
Tammie had een bijzonder goede band met haar jongere broer Diego. Haar doodgaan moet een grote slag voor hem zijn geweest. Toen ze stierf op 5 mei 1988 waar we allemaal bij waren, heeft hij nog een foto van haar gemaakt. Ik heb hem nooit gevraagd om die foto te mogen zien. Misschien zal ik pas als mijn uur gekomen is haar dood accepteren. Heeft het dan zin om te rebelleren tegen iets dat niet ongedaan kan worden gemaakt. Dat is gemakkelijk gezegd, zolang ik rebelleer houd ik haar op mijn manier dicht bij me, vergezelt ze me. We hebben vroeger vaak samen getennist. Toen de specialist in het amc, waar ze was opgenomen, me op de hoogte bracht van nieuwe ernstige uitzaaiingen, die geen hoop op herstel gaven, was het enige dat ik kon uitbrengen: Hoe kan dat nou, professor, we hebben kort geleden nog samen getennist. ‘Posje,’ zei ze troostend tegen mij, ‘Posje’. Ik die niet kan fotograferen heb een foto van haar gemaakt toen we samen met vakantie in Suriname waren. We waren met een geologenploeg meegereisd naar een kamp aan de Coppename. Op zo'n tocht kijk je je ogen uit, maar als je eenmaal op de plaats van bestemming bent aangekomen kun je niet veel anders doen dan op een bank buiten de hut zitten en uitblazen. Ram, een forse, goed uitziende hindoestaan, was onze chauffeur en hij hield ons bezig met zijn jachtverhalen. Er waren herten in de buurt en hij nodigde ons uit om de volgende morgen vroeg met hem mee op jacht te gaan. In plaats daarvan gingen we per korjaal naar de Blanche Marie-vallen, toen nog volkomen ongerept, geen sterveling in de buurt, geen guest-house, helemaal niets. Een grote magnifieke waterpartij. Ik maakte de foto met de zon in de rug toen Tammie in badpak op een rots zat. Voor mij was het een moment van volmaakt geluk. Althans, zo onderga ik het nu, maar iets van dien aard moet ik toen ook hebben aangevoeld. Ik vertelde Tammie hoe de
vallen aan hun naam waren gekomen. De districts-commissaris Van Drimmelen was met Blanche-Marie Pos getrouwd. Ze was zwanger toen hij, in het begin van deze eeuw, op expeditie ging. Op zijn tocht heeft hij de vallen ontdekt. Toen hij op zijn post terugkeerde bleken vrouw en kind bij de bevalling te zijn overleden. De vallen heeft hij toen naar haar genoemd.
We hebben meer mooie tochten in Suriname gemaakt. Bijzonder vrolijke ook, zoals de keer dat we samen met Diego naar Cayenne, de hoofdstad van het naburige Frans-Guyana zijn geweest. René Borgerhoff Mulder, autofanaat, had zich bij ons gevoegd en met hem aan het stuur zijn we naar Cayenne gereden, een stadje dat al dadelijk een typische Zuidfranse indruk op ons maakte. De nonnen aan de overkant van de Marowijne-rivier, waar we eerst even gebunkerd hadden, maakten mooie corsages van de kleurige vogelveren die de Indianen hen brachten, een reden voor ons om het klooster aan te doen. De non die de bezoekers ontving klaagde steen en been over het geboefte van tegenwoordig. René wist haar onstuimige gemoed te kalmeren door haar te wijzen op ‘le bon Dieu’ op wiens handwerk niet valt af te dingen. Op de terugweg deden we een eethuis aan dat onder ingewijden een grote faam had. De eigenaar was een Pool, die in de vroegere strafkolonie Saint Jean een restaurant met niet meer dan drie tafels dreef. Het was de regel dat gasten vierentwintig uur van tevoren lieten weten dat ze kwamen eten, zodat hij van de boslandbewoners vis en wild kon inslaan. Wij kwamen er op het heetst van de dag zonder ons gemeld te hebben en moesten dus wachten voor er iets op tafel kwam. René zou zich over het menu buigen, wat niet veel voorstelde, want er waren geen alternatieven, en ik zou voor de wijn zorgen. De eigenaar somde enige namen op. Châteauneuf-du-Pape, die namen we. Hemingway heeft gelijk als hij in A moveable Feast opmerkt dat dat geen wijntje voor de lunch is. De Pool is een paar jaar geleden op zijn eenzame standplaats overvallen en vermoord. Men vertelt dat zijn restaurant in het verleden in de Guide Michelin met een ster was aangegeven. Wat hij die
middag voor ons wist te improviseren verdiende dat zeker. Waarom schrijf ik dit allemaal? Het werpt toch geen licht op mijn dochter, Dat is ook zo, maar het geeft wel aan dat er momenten waren van intens plezier die we samen deelden. Eens bracht ze me ergens naartoe op de bagagedrager. Ze moest hard trappen tegen de wind in. Of ze toen al aan astma leed, die haar later parten speelde, weet ik niet meer. Ik vond het aandoenlijk, ik achter haar gebogen rug, waarmee ze over het stuur hing.
In een nieuwe druk van het leerboek over Nederlands Burgerlijk Recht van Pitlo wordt in een noot naar twee artikelen van mij verwezen, die ik over de partij als getuige in het bewijsrecht had geschreven. Tamara had er schik in dat ik, die in mijn leven maar een paar juridische artikelen heb geschreven, in een veel geraadpleegd leerboek was terecht gekomen.
Weet je nog, zeg ik tegen haar, maar ze kan het niet weten, want daarvoor was ze nog te klein. Ze had een open veiligheidsspeld, die van een luier was losgegaan, ingeslikt. Ik zag het gebeuren, er viel niets meer aan te doen. Die nacht ben ik opgebleven om bij het eerste teken van onraad de dokter te kunnen waarschuwen. Er is niets gebeurd. De veiligheidsspeld kwam er bij het poepen weer uit. Weet je nog dat het vreselijk lang duurde voor je begon te lopen. Je lag mooi en aanminnig naar ons te kijken, maar verroerde je benen niet. We maakten ons ongerust, dachten erover om met jou voor een medische behandeling naar Holland te gaan. Weet je nog dat ik toen de raad opvolgde van een oude creoolse vrouw om jou een kruidenbad van rode gado dede toe te dienen. Heel gauw daarna kwam je overeind. Nee, natuurlijk weet je het niet, Toch zal ik het je wel menigmaal hebben verteld. Het hoort bij jouw petite histoire, lang voordat je ging studeren, advocaat, juridisch medewerkster aan de Universiteit van Amsterdam, raadslid in de Amsterdamse gemeenteraad, voorzitter van de welzijnsvereniging voor Surinamers, Welsuria, een van de twee organisatoren van een geslaagd internationaal congres in Rotterdam (1984) over Politiek en Migranten. Ik
heb me laten vertellen dat ouders zich soms schuldig voelen bij de dood van hun kind. Ik heb dat niet. Jij schreef in het amc op een stuk karton dat ik zo op een afstand een allerbeminnelijkste vader ben. Het is een hoogst persoonlijk judicium. Ik heb aan je ziekbed je afscheidsbrieven geschreven die jij me dicteerde. Er kwamen geen tranen aan te pas. Jij huilde niet, ik mocht niet voor jou onder doen, niet waar je bij was.
Henk Dennert, een vriend van mij die al jarenlang in Japan woont, zond mij het boek Brocade by Night van Helen Craig McCullough. Het gaat over de hofstijl in de Japanse klassieke poëzie. Bladerend in dit boek van 591 bladzijden - er zijn van die boeken die je niet echt leest - trof ik een gedicht aan dat mij erg aansprak en dat ik nadien vaak heb opgeslagen. Het is een treurzang - de dichter Sugawara Michizane treurt over zijn gestorven zoon - en draagt als titel ‘Dreaming of Amaro’. Ik blijf me erover verbazen dat in die strikt aan regels en conventies gebonden hofcultuur zo'n persoonlijke stem zich heeft doen horen. Hier volgt het gedicht. Het is geschreven in 883 en vertaald door Burton Watson.
Zelf heb ik voor mijn niet tot rust gekomen gevoelens onderdak gezocht in een paar kwatrijnen. Ze zijn in 1992 gepubliceerd door de inmiddels niet meer bestaande piepkleine Literafiele uitgeverij Perifeer in Megen, die ze in een oplage van vijfentwintig stuks uitbracht. Twee ervan volgen hier.