[p. 87]

XV. Emilia aan Eufrozyne.

Den 25 Maart

17 -

 

Het gelaat der Natuur is geheel veranderd, de zon, die zig dagen en weken verborgen hield, schijnt nu, met onafgebroken stralen; zij koestert de verkleumde aarde, en verkwikt menschen en dieren; zij wekt een aantal insecten uit hunnen langdurigen winterslaap, en doet het pluimgediert herleven. Hoe koetsert mij haar gloed! Zoo even zat ik op de tuinbank. De tuinman snoeide de vrugtboomen, wier knopjes dagelijks zwellen; de grond lag omgespit, reeds hier en daar bezaaid. Het sneeuwitte ganzenbloempje vertoonde zig naast de roode primulaveris; de geele krokus was nog gesloten; de hepatica en het blaauwe druifje lachen mij aan. Alle deze eerstelingen der lente zijn mij dubbel welkom, als voorboden van schooner bloemen, en hoe zagt vereenigt zig dan 't genot, en de hoop om wellust in mijn ziel te storten. De bijen vliegen er rondom, en het gesnor harer wiekjes is mij muzijk. Een enkel kapelletje vertoont zig, doch de meeste blijven, nog om de onzekerheid des weders,

[p. 88]

in hunne celletjes; waar ik zie, overal zijn de riete daken, vervuld met af-, en aanvliegende duiven, die, onder een vreedzaam gekor, de taal der liefde spreken. De weilanden zijn droog, de leeuwrik zweeft er op heen en weder, en opent al orgelend, het consert der lente. Van verre hoor ik de luchtige veldzangen der ploegende boeren. Ik kom bij een akker, blijf er staan, zie den gezonden landman, met een vergenoegd gelaat, de ploeg door de zwarte kluiten drijven, de glimmende doorgesneden grond behaagt mijn oog. Wat verder gaat er een, met afgemeten treden, met een zaaikleed omgord, werpt het zaad, met een kunstige gelijkheid, in de opgeploegde voren; terwijl een ander, met een niet minder wel te vrede gelaat, de egge volgt, de voren weer toesluit, en zoo het zaad aan den vrugtbaren invloed van lucht en weder, en vooral aan de zorg des Hemels overlaat. Ik heb, meer dan een half uur, op een grasheuveltje, onder eenen eenzamen denneboom, gezeten; en mij in dit aangenaam gezicht vermaakt. Ik gevoelde een mengeling van gewaarwordingen, die zig in deze zugt vereenigden: ‘O gij algoede Zegenaar! laat het brood uit deze bezaaide aarde voortkomen! Laat het den landman uwe goedheid vertellen, en mij, in zijne ruischende airen, eens het lied uwes lofs met een vergenoegde ziel doen hooren.’ Hoe blijde is de uitgeruste landman met de verandering des weders!

[p. 89]

- Die heldere onbenevelde lucht blaast ieder weltevredenheid in. 't Is waar een koude wind vermindert nog de warmte der zon; maar evenwel niet hare vrolijkheid. Alle deze aanvangelijke lentegenoegens zullen van grooter gevolgd worden. Dit streelt de vooruitwerkende verbeelding; welk een ruim veld vindt zij. - Nu verdwijnt eensklaps al de treurigheid des winters. Ik zugtte wel eens bij 't vooruitzigt van zijne donkere dagen; zij verveelden mij wel eens, schoon de tijd mij niet lang was. Maar bij de herdenking verliezen zij hunne droevige gedaante. Zij hebben medegewerkt tot de schoonheid van de lente, die ik vrolijk verwagt, en ik ben er dankbaar voor. Even zoo ziet een, met tegenspoed worstelende, Christen dikwils de donkere dagen des ongeluks angstig te gemoet; zij verschijnen, doch hij ziet niet alles vervuld wat de vrees hem voorspelde, maar genoeg om hem te doen hijgen naar een beter lot. En komt hij dan aan 't einde van zijn kommervol leven, ziet hij de zaligheden van het andere in hare volle ruimte, is zijne verwagting levendig, terwijl het licht der Eeuwigheid zijne ziel vervrolijkt, dan ziet hij de nuttigheid van al zijn tegenspoed, om hem daar voor te bereiden. Dan klaagt hij niet meer. Zijne rampen verliezen bij de herdenking in gewigt, naar mate zijn heil groeit, en hij dankt zijn leidsman. - Aandoenelijke gedachten! De winter is voorbij,

[p. 90]

zoo spoedig! Zoo vliegen de weken en maanden, in zugten of vreugd gesleten, altijd als een schaduw voort! Laat ons dan ons niet kwellen om een gevreest kwaad; want de dagen der droefheid zullen geen eeuwen, maar slegts oogenblikken duren. Nooit wil ik mij onmatig verblijden over een gewenscht geluk, want dat zal ik ook maar een vlugtig oogenblik genieten; en zouden deze korte oogenblikken onze vrees of vreugde dan zoo zeer verdienen?

Och kont gij thans, mijn beste Eufrozyne! deelen in dit voorgevoel der reinste wellust van uwe

 

Emilia.