XXVII. Eufrozyne aan Emilia.Den 1 Junij 17-
Uwe brieven hebben over mijne stille dagen een strelend genoegen verspreid! Ik heb die gelezen, en
herlezen, en telkens vind ik ze schooner! Hoe gelukkig ben ik met zulk eene vriendin! Hoe veel kan
ik van u leeren! Nu, hoop ik, zal eerstdaags het zoo vuurig verlangde oogenblik verschijnen, waar in
ik mij bij u bevinden zal. Mijne lieve Moeder is volmaakt hersteld; eene mijner bloedverwanten zal
mijne plaats bij haar vervullen, op dat ik mijne droevige dagen geheel bij mijne vriendin vergeten zou. De goede vrouw kent ook vriendschap, en weet wel, dat zoo de neiging tot haare uitoeffening, altijd onderdrukt wierd, de vergenoegdheid gekrenkt zou worden. Zij weet dat het silhouet van mijne Emilia, 't geen zij altijd in mijne handen ziet, mij wel eenigsins in haar gemis vertroosten, maar de verlangens naar het origineel niet stillen kan. Wat stillen? Kan ik ooit dien regelmatigen omtrek zien, die schranderheid en vrouwelijke zagtheid aftekent, mij daarbij uwe levendige bevalligheid verbeelden, en niet allersterkst verlangen, om u aan mijnen vriendschappelijken boezem te drukken? Welke gelukkige dagen voorspel ik mij, in uw leerrijk gezelschap! Maar zeg, lieve Emilia! in velen uwer brieven straalt een nadenkende ernst, in zommigen zelfs eene helling naar het sombere door: en zal dan een meisje, dat het eerste geheel mist, en het andere strijdig met hare meer vrolijke geaartheid vindt, u wel zoo veel geluk toebrengen, als uwe goedhartigheid u voorspelt? Dit is de eenige vrees die mij bekruipt. Maar wat vraag ik, als uwe ernst mij behaagd, (en dit doet zij altijd) als ik van u leeren, mij naar u vormen wil, dan zal mijn vrolijke schertslust u op zijn tijd ook niet mishagen; de vrolijkheid is toch een medicijn voor ziel en lighaam, en gij kent immers uwe
Eufrozyne. N.S. Heden over agt dagen hoop ik bij u te zijn. Zend mij nog eenige letteren die mij verzekeren, dat ik welkom wezen zal. |