XXXVI. Eufrozyne aan Elize.Den 26 Julij 17-
Voor vier dagen schreef ik u mijn laatsten brief, en alweer vat ik de pen met lust in de hand, om een nieuw genoegen met u te deelen. Gisteren deden wij de schoonste nachtwandeling die gij u verbeelden kunt; wij begaven ons naar eenen nabij gelegen heuvel, op welkers top wij onbelemmerd den prachtigen Hemel beschouwen konden. De donkerblaauwe lucht was bezaaid met helderschitterende starren; - een vaal kleed bedekte de gantsche aarde: geen hut, noch bosch was op eenigen afstand kenbaar: maar de waassem der geurige kruiden deed ons zo veel meer aan. - Overal heerschte de diepste stilte: de vogelen sliepen; - geen windje zugte; - geen blaadje roerde zig. - Alleen een waakzame hond blafte bij een der boere woningen, en de nagalm der velden verdubbelde zijn getrouwe toonen. - Hier voelden wij het schoone van Van Alphens verheven Cantate:
Alle de veldelingen sliepen; slechts alleen, in een eenzaam hutje ver van ons zagen wij het stervend
licht van eene bleeke lamp flikkeren; daar verbeeldden wij ons de nyvere behoeftige landvrouw, nog
in den nacht aan haar spinnewiel, - of de trouwhartige moeder, wakende bij eenen kranken
zuigeling. Wij verbeeldden ons hoe thans de stille rust den moegewerkten landman, al snorkend zijne
zorgen deed vergeten, of den daglooner, op een bed van stroo met nieuwe kragten beschonk,
terwijl menig vorst, met rijkszorgen beladen, of van moeielijke en eerzugtige ontwerpen zwanger, te
vergeefs den slaap begeerde; of een angstvallige vrek, uit zorgen voor zijne goederen onrustig
sluimerde. - Zouden deze laatsten, zeide Emilia, met den onbekommerden slaap dier landlieden niet geerne ruilen willen? ik dagt het na, en gevoelde de waarheid. Na een wijl zwijgens hielden wij dit gesprek. Emilia.Hoe ernstig is deze heilige stilte! - Dit is de tijd voor de inspraak van het geweten. - Voor hun, die liever zijne stem verdoven, is zij ondraagelijk, maar de leerling der wijsheid luistert naar zijne waarschuwingen: De nacht doet mij veeltijds te rug denken, aan den doorgeleefden dag, mij dunkt hij vraagt mij nadrukkelijk af: Hoe hebt gij den tijd doorgebragt? - Hoe Gods goedheden beantwoordt? Lette gij leergierig op alles wat u bejegende? - Was ieder oogenblik u dierbaar? - Wierd gij daarin wijzer voor de eeuwigheid? Waart gij getrouw aan den plicht van eenen Kristen? - Zijt gij nu, zoo eens de slaap u in de armen des doods overvoerde, bereid om te sterven? - dan antwoordt mijn geweeten onbewimpeld, ik voel mijn gebrek, - ik bloos, - ik treur, - en vind alleen de rust mijner ziel weder in het offer van eenen borg die mijne schuld verzoende, en door zijn volmaakt leven mijnen onheiligen wandel, bedekt: en in een opregt voornemen tot verbetering, dat uit het geloof aan den Verlosser voortvloeit. Ik.o! Ja; ik gevoel het majestueuze der donkerheid, voor de zoo nodige zelfbeproeving, maar, is zij u nooit akelig, als gij zo gantsch eenzaam zijt? Schept zij nooit schrikverwekkende verschijnsels voor uwe verbeelding? Emilia.Zeer zelden: het denkbeeld: Ook in de donkerheid woont God, voor wien de nacht licht als de
dag, en de duisternis als het licht; en die God is mijn vader, dit verdrijft ale vreeze. En zou ik wel
zoo eenzaam zijn? - zouden thans geene Engelen op onze aarde wandelen om hunnen God, ook in
de schoonheid van den nacht te aanbidden? - Zou hier nooit een vlugge seraf luisteren naar het
sprakeloos lied der schepping? - Zou hij den wierook van het avondoffer, door het rijk der planten
aan de Godheid gewijd, niet met blijdschap gewaar worden? - Zou hij ook in 't gedierte van den
nacht, in den vogel die zijn nest, in het konijntje dat zijn hol verlaat, er zelfs in het wormpje, dat in het
mos kruipt, of door zijnen gang de grasjes doet trillen geen stof voor zijnen Hemellofzang vinden
konnen? Zou hij zig niet verblijden in de ontmoeting van eenen sterveling, die, schoon zeer gebrekkig, in zijne gevoelens deelt? Ik.Deze gedachte is mij zoo vreemd, als bevallig: zij treft mij. Met zulke denkbeelden voorzien, kunt gij de eenzaamheid niet schuwen; zoo is de doodsche nacht voor u gezellig; - en hij wordt het nog meer, als gij den Hemel aanziet; die duizende flikkerende sterren verminderen zelfs voor den landman, die ze als zoo veele heldere lampjes aanmerkt, de naarheid van den nagt, hoe veel meer voor u, die ze met uw wijsgeerig oog beschouwt, als zo vele werelden, en zonnen, die in het maateloos ruim, geregeld langs hunne loopkringen omwentelen of in hunne standplaatzen blijven. Zeg, Emilia! wat gevoelt uw groote ziel wel op dit gezicht? Emilia.Mijn groote ziel, Eufrozyne? Juist dan gevoelt zij allermeest haare kleinheid; dan word zij niets. Zie
ik zo veel wereldbollen buiten onze aarde, wordt onze kloot in mijn oog maar een stipje in
vergelijking van 't geheelal: - Wat kan dan één mensch mij anders worden, dan een onmerkbaar
niet? - En hoe verdwijnt dan alle stof tot hoogmoed? - Waarlijk de nacht verkondigt Gods grootheid en eere! - Hoe onuitdrukbaar grootsch is alleen het denkbeeld van deze eindeloze ruimte, waarin milioenen van werelden zweven! De meestgeoeffende sterrekundige bepaalde nooit hare grenzen, en toch Jehoväh meetze met een span! - Wie kan zich voorstellen, dat die ongetelde menigte van vaste sterren zo vele zonnen zijn, om welke weder andere, voor ons onzigtbare wereltbollen wentelen? - Dat de planeeten hunne dagreizen en jaarkringen, met de stipste naauwkeurigheid volbrengen? - Dat de zwervende comeeten, schoon in eene schijnbare onorder, egter naar juiste regelen hunnen wijduitgestrekten loop volgen: - Wie kan dit bedenken zonder aan eenen Almagtigen Bestuurder te gelooven, en van eerbied voor hem geheel doortrokken, den bevalligen digter na te stameren: Als ik uwen Hemel aanzie, het werk uwer Vingeren, de Maan en de Sterren die gij bereid hebt - wat is een mensch dat gij zijner gedenkt! - of met Feith den gevoelvollen Zanger van onzen tijd, te zeggen:
Ik.Mij dunkt ik gevoel thans iets van 't geen David gewaar wierd. Het denkbeeld is groots en eene onbepaalde macht waardig, maar is het geheel zonder zwaarigheden? Ik zal niet zeggen, dat de Bijbel daar voor geen gronden aan de hand geeft, ik weet wat men met reden hierop antwoordt: - maar, is die stelling niet onbegrijpelijk: - ‘Buiten onzen kloot is een menigte werelden; hij is maar een stipje van 't heelal, en evenwel, om wezens gelukkig te maken, die slegts zulk een stipje bewonen, moest de Zoon van God, de Schepper van alle die werelden, aan een kruis sterven!’ - Zijn er zo vele werelden, waarom kwam de onze dan zo zeer in aanmerking? Ik weet niet welk een angstige twijfeling hier mijne verrukking stoort. Emilia.Maar weeten wij wel genoeg van de huishouding van God met andere werelden, om deze zwarigheden voedzel te geven? Is het niet mogelijk dat ook op andere klooten, zedelijke wezens van eenen anderen aart gezondigd hebben, die ook deelen zullen, in het heil, door den Verlosser van onze wereld aangebragt? - Of al was dit zoo niet, zullen wij Gods wijsheid naar onze naauwbeperkte begrippen omtrent het mogelijke afmeten? en verdwijnt deze zwarigheid niet geheel, als wij aanmerken, hoe dezelfde keeten der wezens, die hier op aarde alle schepselen verenigt, ook wereld en wereld aan elkaar verbindt? De kleinste schakel daar uit gemist zou de schoonheid van het geheel verbreken. Onze aarde met hare redelijke bewoners van hare oorsprongelijke heerlijkheid beroofd, - kon niet meer schitteren onder Gods schoone werken zonder dat zijn eigen zoon, met almacht en liefde gewapend, dien luister herstelde door zijnen dood; Gods eeuwige wijsheid dagt dit middel uit, onbegrijpelijke goedheid, stelde het daar, en het geloof vind hier een onpeilbare diepte. Ik.Nu gevoel ik niet dan verwondering en dankbaarheid, ja zo rijst de roem der genade! ontzettend
denkbeeld! - Hij, die alle deze vuurbollen op een enkel bevel: ‘wordt’ een aanzijn
gaf, wierd een magteloos kind, lag in een arm verblijf, gerold in sobere windzels zonder eenige flaauwe straal van zijne goddelijke glorie! Hij die, niet slegts den hoogen ceder voordbragt, maar de aarde die hem voedde, de zon die hem koetserde, den hemel, die zig over hem uitbreidde, - stierf aan een kruis op het bloedig Kalvaria. - Hier gevoel ik de armoede mijner woorden voor de taal van mijn hart. Schoone pragtige starrenhemel, hoe verrukt gij mij! ... Maar welke zijn de bewooners van al die werelden? Zijn zij ook redelijk? zondigen zij ook? zullen bij de branding der aarde de planeeten ook in haar lot deelen? Emilia.Wie zal u die vragen beantwoorden? en is het dan geen ijdele nieuwsgierigheid, te vorschen naar
verborgenheden welker ontdekking bewaard is voor gelukkiger eeuwen? De kundigheid van deze
geheimen der schepping zal een deel van 't geluk der hemelingen uitmaken. Waarschijnlijk zullen ook
andere planeeten de verblijfplaatzen voor de verheerlijkten worden, waar na zij met de snelheid van
het licht zullen heen ijlen. Ik word verrukt, als ik de bestemming van den vromen indenk. - Wie zou,
om eenige verdrietvolle jaren mismoedig zugten, die zulk een heil vooruit kan zien! - Zoo sprekende,
vonden wij in 't afgaan des heuvels een meenigte glimwormen, onder de struiken in het mos, die zig
als vuurvonken vertoonden: en waarlijk, voor iemand, die er nooit van hoorde, iets ontzettende hadden. - In onze woning wedergekeerd, was eene geruste slaap het gevolg van zulk eene vreedzame zielsgesteldheid. - Nu, mijn waardste Elize, wagt ik ras een brief van u; uw langer stilzwijgen zou treurige oogenblikken geven aan de verlangende
Eufrozyne. |