XL. Eufrozyne aan Emilia.Den 16 August. 17-
De twee maanden, bij mijne Emilia gesleten, waren de gelukkigste, die ik ooit genoot; - als een
droom zijn zij mij ontvlugt, - en ik denk er niet aan, dan met de pijnelijke kwelling: ‘zij zijn
voorbij!’ - Maar dat pijnelijke zelfs, heeft zoo veel zoets dat ik zulks niet missen wilde; al de
lieve wandelingen, die wij deden, - al de beekjes, al de bosschen, al de leerzaame genoegens, die
onze overeenstemmende zielen met elkander smaakten, zijn mij gestadig voor den geest. - Het lieve
bloempje vergeet mij niet, dat gij den laatsten avond mij plukte aan het beekje, waar bij wij
afscheidsredenen spraken, is nog onverwelkt, het staat in mijn slaapkamer; dagelijks geef ik het
versch water. Als ik 'smorgens ontwaak, en des avonds eer ik mijne oogen sluit, spreekt mij dit
bloempje van Zorgenvrij, en hare lieve onvergetelijke bewoonster. Ach! kon ik het bewaren voor het lot van zijn geslagt! Maar, niet dan schreiend, kan ik mij ons afscheid herinneren. Hoe was uw, anders vergenoegd
gelaat, door een nevel omwolkt! Ik zag uw lijden op uwe sprakelooze lippen, en in uwe kwijnende
oogen. Ik poogde u het mijne, agter een schijnbaar ongevoelig gelaat te verbergen; maar kont gij
geloven, dat uwe Eufrozyne onverschillig was? dit zou mij grieven: maar neen; gij zaagt hare trouwe
vriendschap in die moeielijke poging. Nog bedank ik mijne Emilia voor haar geleide, nog voor alles
wat gij mij waart....! Ik deed verder mijne reize voorspoedig; weêr, gezichten, alles was fraai; maar
niets maakte indruk op mijne met u vervulde ziel; in mijne eenzaamheid gaf ik lucht aan opgekropte
tranen: Daar vierde ik bot aan de kwellende gedachten: ‘Mogelijk zie ik haar nooit weder;’
toen wierd het nacht rondom mij... En welk een benaauwend gezigt was mij de stad, toen ik A... in 't
oog kreeg. Daar, dagt ik, binnen die muren, moet ik, verstoken van het geluk des eenvoudigen
landlevens, mijne dagen doorbrengen! - mijn hart versmolt; ik reed de poorte in, en het klopte
heviger. Doch het omhelzen eener tedere moeder, die vrolijk wierd op mijne aankomst, en
vervolgens de komst mijner deelnemende Elize, deden mij de vreugde des wederziens smaken, en verdoofden voor eenigen tijd het smertelijk gevoel. O! hoe veel heb ik bij u genoten! maar hoe veel ook met u verlaten! Och was ons lot aan een verbonden! - Dan, wat zeg ik? Buiten uw Zorgenvrij waart gij de gelukkige Emilia niet, en mij verhindert de kinderlijke betrekking bij u te blijven: geene vriendschap kan deze toch verkragten. Ik wil dan tragten alle ontevredenheid uit mijne ziel te verbannen, anders was ik uwer niet waardig. Zou ik na het genot van 't allerfijnst genoegen, dat de aarde oplevert, niet weder zoeken vrolijk mijne roeping te volgen, en zo dien stillen vrede te bewaren, die uit de bewustheid van volbragten plicht geboren wordt, en smaak aan alle genoegens geven moet? Weinig zou ik toonen nut uit uwe verkeering getrokken te hebben, zo ik mijne hartstochten over mijne reden liet heerschen. Neen, ik moet blijken geeven van door u verbeterd te zijn. Men brengt mij een brief, ik heb hem nog niet in de hand, maar mijn hart zegt mij reeds, dat hij van u is.
O ja! mijn Emilia! de brief, de lieve vriendschappelijke brief is van u! Hoe aangenaam verraschte gij
mij; maar ach! hij heeft alle mijne aandoeningen weer vernieuwd, en mijne voornemens verijdeld, -
Doch is dit nu de taal van de grootmoedige Emilia? Hoe vele onwezendlijke waarde geeft mij uw vriendschappelijk oog? kan mijn gemis zo veel invloed maken op eenen zoo denkenden geest, die zig zelfs zo wel onderhouden kan? dit bevreemt mij! geef ik onschuldig zoo veel kwelling aan mijne vriendin? dit wondt mij op nieuw. Maar neen; mijn beste! zet uw hart weer open voor den invloed van de natuur en den Godsdienst; gevoel weder het zagte van hare inspraak; hoor naar haar lied, waar voor gij mij zo vatbaar maakte; verblijd u in het denkbeeld dat gij mij gelukkiger maakte, en geloof dat ik u nooit vergeten kan. Ook dan nog, als mijn verstijft oog het indruksel van uw beeld niet meer vatten kan, ben ik uwe
Eufrozyne.
P: S: Mijne Emilia zal zig immers hare beloften herinneren, en mij verder de zomer- en herfstschoonheden van het land afschilderen? |