XLIII. Eufrozyne aan Emilia.Den 2 Sept. 17-
Neen mijn lieve Emilia! nog ben ik niet aan het stadsleven gewoon; om daar ooit weder regt
gelukkig te zijn, moet ik vergeten kunnen, dat er een oord is, daar de natuur genoten wordt, daar
hare voorschriften gevolgt worden, en daar een deel van mijn hart gebleven is. Altijd beminde ik het
buitenleven: altijd vond ik bij deszelfs kort genot, waartoe mij mijne omstandigheden slechts vrijheid
gaven, een zeker onuitdrukbaar vermaak, dat mij meer dan het stadsgewoel voldeed, maar dit
vermaak was bedwelmd, en verward. Gij, mijne Emilia! hebt dat gevoel ontwikkeld; het was in uwe
armen, op uw gelukkig Zorgenvrij, dat ik gewaar wierd, waarom ik het beminde, waarom
ik de natuur schoon vond. - O! gelukkige dagen! och kon ik ze nog herroepen! dagelijks worden
mij de koele onverschillige, en onnatuurelijke gesprekken, en de lastige plegtigheden, aan mijne gebonden levenswijs verknogt, ondraaglijker. Meer dan eens stelde ik reeds mijne lieve moeder voor, om een landgoed, niet ver van 't uwe, tot ons zomerverblijf te zoeken: daar zou Elize ook dikwils bij mij wezen; en als gij dan in dat deugdzaam meisje ook eene vriendin vondt, zouden wij een drievoudig onverbrekelijk snoer uitmaken. Maar de volvoering van mijn plan is zo onwaarschijnelijk, als u mijn verhaal zijn zou, dat ik eene Dame in de Maan had zien wandelen; het een, nog ander kan ooit anders, dan in mijne verbeelding bestaan. - Want er is eene volmaakte antipathie tusschen de neigingen van mijne bedaagde, aan haare gewoontens verbondene moeder, en mijne, uit natuur, liefde en zugt tot vrijheid geboorene, verlangens. Van de wandelingen rondom de stad maak ik dikwils gebruik met mijne Elize. Maar, ô! die gehate schijnwelvoeglijkheid beneemt ons alle die veraangenamende vrijheden en onschuldige genoegens, waartoe de natuur ons nodigt, en die er de ziel van uitmaken. Vergeefs spreidt zij voor ons de dikgezwollen mos; vergeefs vormt zij de peinslustvoedende afgelegen bosjes; eenzame wandelingen en stille rustplaatsen, zijn aan een meisje ontzegt, dat lastertongen ontzien wil; slaafsche banden, die mij meer drukken na dat ik de vrijheid kende! Dikwils spreek ik met Elize van uw karakter en levenswijs, en het genoegen tekent zig dan in een sterker blos op hare zagtgekleurde wangen. Zij bemint u reeds hartelijk; - zij heeft uwe nodiging voor een volgend jaar blijmoedig aangenomen; mijn hart luikt op, als ik in uwen lof bezig ben. Och Emilia! zijt meer een dagelijks meisje, dan zal ik meer getroost zijn in uwe afwezenheid. - Maar neen: blijf altijd Emilia, op dat ik het door u word. De lieve, ‘vergeet mij niet,’ is eindelijk, niettegenstaande mijne aanhoudende zorg, verdord. - Nog zoo bewaar ik het, en het verdorde bloempje herinnert mij den grond die het voordbragt, en alle de genoegens, die ik daar smaakte; doch die, helaas, niet duurzamer waren, dan dit teder bloempje. Over eenigen tijd is mijn moeders voornemen met mij naar.... te reizen; daar woont de zuster van haar hart: - doch de dag is onbepaald. Hoe schoon tekent gij mij uwe gedachten in den korenoogst, en in uw nachttooneel! - och was ik er nog getuige van! - Uwe verhalen bevallen mij nu nog veel meer dan te voren: de herinnering helpt nu mijne verbeelding, en ik ben bijna in uwe tegenwoordigheid. Ga dan voord, mijn beste! het hart te verkwikken van uwe
Eufrozyne. |