[p. 278]

XLVI. Eufrozyne aan Emilia.

Den 18 Sept.

17-

 

Zedert zes dagen ben ik met mijne lieve moeder te .... aangekomen. Ik weet niet welk eene akeligheid mij bij 't pakken mijner kleederen, en het uittreden onzer woning bezielde; het was of mij overal wierd ingefluisterd, ‘Hier komt gij niet weêr. Dit ziet gij voor 't laatst.’ Dit denkbeeld maakte mij weemoedig: Toen ik den laatsten avond eenige brieven zat te schrijven, en andere op order schikte, (dat ik doorgaans doe, als ik van huis ga, uit een zeker aandenken aan mijne sterfelijkheid) stond eensklaps mijn horlogie, dat bij mij op tafel lag, stil, zonder dat het was afgeloopen; en dit geval, hoe toevallig mogelijk, gaf toch voedzel aan een somber denkbeeld, reeds sedert eenigen tijd opgekoesterd. Zeker het is niet goed de gedachten des doods van zig te verwijderen;

[p. 279]

dit poogde ik altijd te vermijden, na dat ik bij uw graf gezeten heb. Maar, wanneer wij van de gedachte aan de mogelijkheid van eenen rassen dood, ongevoelig tot een somber staren op zijne waarschijnelijkheid komen, dan worden wij ongeschikt om gevallig met de levenden om te gaan; en de plichten der maatschappij te betragten.

Ik poog dus deze gedachte te verdrijven, en uit de herinnering der doods slechts bedagtzaamheid te leeren, om dus in leven en in sterven voor God te zijn. - Doch altijd kan ik over mijnen geest niet heerschen; dikwils ben ik om mijne min vrolijke en peinzende gesteldheid de verwondering mijner Moeder, en bekenden. - Men schrijft die aan geheel verschillende oorzaken toe; en ik moet zwijgen, om geen ontijdige vrees, of veroordeeling van grilligheden te veroorzaken. De verschillende voorwerpen op reis, en vele afleidingen, die ik hier vind, hebben mij eenigzints in eene meer opgeruimde gesteldheid gebracht. Ik bemin de Zuster mijner Moeder, ik zie haar beide zo gelukkig in elkanders vriendschap. - Onder hare kinderen is een bevallig schrander meisje, zij heet Sofia, en door de overeenstemming van haar gelaat met het uwe, heeft zij mijn hart ingenomen. Zoo ver ik haar kenne, heeft ook haar karakter een zweemsel van het uwe; maar waar is uw karakter, uw

[p. 280]

geest, uw smaak in één voorwerp vereenigd? Hoe gaarn hoort zij mij van mijne Emilia en het geluk onzer tedere vriendschap spreken: dit doen wij dagelijks; en dit verzoet mij eenigzins de treurigheid van uw afzijn. - Maar als ik nareken hoe vele mijlen wij van elkander zijn afgescheiden, - hoe weinig gelegenheid, en tijd ik heb, om u mijn hart in brieven uittestorten, dan word ik moedeloos. Doch hoe het zij, houd gij tog niet op, al uw geluk te vertellen aan uwe verlangende

 

Eufrozyne.