LII. Sofia aan Emilia.Den 2 Nov. 17-
Beste vriendin van mijne beminde Eufrozyne!
Het zal u zoo zeer bevreemden, van de hand eener onbekende eenen brief te ontfangen, als mij de
eerbied, dien ik, door Eufrozynes aftekening, voor uw persoon heb opgevat, dien met schroom
deedt schrijven; doch haar verzoek dringt mij; zij kon u zelf geen berigt van haren toestand geven;
zeker klopt uw boezem reeds angstig over het lot van uwe vriendin, en waarlijk niet zonder reden: zij
is ziek, - gevaarlijk ziek. Zij heeft waarschijnlijk op ons zeereisje koude op de long gevat; - haar
ademhaling is belemmerd; - en alle de tot nog toe beproefde middelen zijn vrugteloos: toen ik
dezen morgen haar Dokter, vol trouwhartigen kommer, naar haren toestand vroeg, trok hij zijne schouders op; - de moed op hare herstelling ontzonk mij geheel: - ik verberg het voor hare beangstigde moeder - maar hoe kan ik het doen voor hare afwezende vriendin? - Gij wilt immers liever alles weten, dan gerust blijven zonder grond. De lieve zieke heeft mij nu een voorgevoel omtrent haar vroegen dood ontdekt, en dit voedt mijne
kwellende vrees. Ik vond haar voor eenige dagen in haar slaapkamer, met een bloemglas, waarin
een verwelkte violier stond, in de hand; zij zag het bloempje zoo lang treurig aan, tot dat een
weerhouden traan er op nederviel; ik vroeg naar de reden; zij antwoordde mij niet dan met een
weemoedigen glimlach; doch nu verstaa ik haar treurig bedrijf. O hoe schoon is haar karakter! hare
zagte vriendelijkheid, hare edele grootmoedigheid doet mij haar met een diepen eerbied beminnen. -
Op haar ziekbed is zij het geduld, en de goedheid zelf; zij roemt, hoe veel zij ook lijdt, meer dan zij
klaagt; zij bemoedigt hare bekommerde moeder, en mij; en spreekt als zij spreken kan, van hare
vriendin Elize, doch meest van Emilia; in verwarde droomen, of mijmeringen, is uw naam altijd op
hare lippen, zij maalt, met een hijgenden adem, in afgebroken verwarde voorstellingen, somwijle van
een graf, van een boom; spreekt van de maan; en noemt dan uw naam - en, als zij dien noemt, schijnt hare verzwakte stem nieuwe kragt te ontfangen. De God van haar leven zal, hoop ik, haar redden. Hoe gelukkig reken ik mij dan aan haar ziekbed tegenwoordig te zijn! Doch sterft zij, hoe veel zal ik dan in haar verliezen en hoe zult gij dan te moede zijn, die zoo naauw aan haar verbonden zijt? - Was de reis niet zoo ver, hoe gaarn zou zij u bij haar zien, maar welke moeite valt zulk eene vriendschap te zwaar! Wie weet welk eene gelukkige uitwerking deze vreugde op hare herstelling hebben zou? - Kom, beste vriendin van mijne Eufrozijne, verligt door uwe komst hare smerte en stort balzem in 't hart van de zugtende
Sofia. |